Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-000762-25 Datum uitspraak: 28 oktober 2025 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-037874-25 tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] , adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 oktober 2025 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is door politierechter vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. Tenlastelegging Gelet op de in eerste aanleg door de politierechter en in hoger beroep door het hof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – ten laste gelegd dat: feit 1 hij in of omstreeks de periode van 25 april 2024 tot en met 5 september 2024, althans op of omstreeks 5 september 2024, te Amsterdam, gemeente Amsterdam, althans in Nederland als houder van een of meer dieren, te weten een hond de nodige verzorging aan dat/deze dier(en) heeft onthouden, door voornoemde hond niet (tijdig) te (laten) behandelen voor een ernstige oorontsteking, waardoor de hond zeer veel pijn en ongemak heeft ervaren en/of de hond niet voldoende heeft behandeld tegen vlooien en/of niet tijdig met de hond naar de dierenarts is gegaan en/of de hond gedurende langere tijd alleen in een kleine en volle woning te laten. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de politierechter. Beoordeling van het bewijs Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard, met uitzondering van het tenlastegelegde onderdeel ‘de hond gedurende langere tijd alleen in een kleine en volle woning te laten’. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat bewijs ontbreekt dat de verdachte zijn hond in een te kleine ruimte heeft gelaten. Daarnaast blijkt niet uit het dossier dat de verdachte zijn hond niet heeft behandeld tegen vlooien. De verdachte heeft van meet af aan verklaard dat hij zijn hond iedere dag tegen vlooien behandelde. Ook kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte niet tijdig naar de dierenarts is gegaan voor de oorontsteking van de hond. Hij is op 25 april 2024 nog bij de dierenarts geweest en heeft daar oordruppels gekocht. Daarnaast komt oorontsteking bij herdershonden met enige regelmaat voor. Oordeel van het hof Uit de bewijsmiddelen volgt dat de oren van de hond van de verdachte op 6 september 2024 ernstig waren ontstoken. De oren van de hond waren zo pijnlijk, dat het voor de dierenarts bijna niet mogelijk was met een otoscoop naar de oren te kijken. Voor het behandelen van de oren heeft de dierenarts gekozen voor een oorzalf die een week werkt, omdat de hond het dagelijks zalven van de oren niet zal toelaten, en voor een orale pijnstiller. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte in een periode (kort) voorafgaand aan 6 september 2024 aan zijn hond de nodige verzorging heeft onthouden, door niet tijdig naar een dierenarts te gaan en zijn hond te laten behandelen voor een ernstige oorontsteking. Dat de verdachte op 25 april 2024 bij de dierenarts is geweest en oordruppels heeft aangeschaft, leidt niet tot een ander oordeel. In de tussentijd waren meer dan vier maanden verstreken en de hond leed inmiddels weer aan een ernstige oorontsteking. Naar het oordeel van het hof kan niet worden bewezen dat de verdachte de hond niet voldoende heeft behandeld tegen vlooien of de hond gedurende langere tijd alleen in een kleine en volle woning heeft gelaten, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: feit 1 hij omstreeks 5 september 2024 te Amsterdam als houder van een hond de nodige verzorging aan dat dier heeft onthouden, door voornoemde hond niet tijdig te laten behandelen voor een ernstige oorontsteking, waardoor de hond pijn en ongemak heeft ervaren en niet tijdig met de hond naar de dierenarts is gegaan. Hetgeen onder 1 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis, waarvan 15 uren subsidiair 7 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een week, met een proeftijd van twee jaren. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient als stok achter de deur om te voorkomen dat de verdachte opnieuw dit soort feiten of andere strafbare feiten pleegt. De raadsman heeft aangevoerd dat een (voorwaardelijke) gevangenisstraf niet passend is voor het onder 1 tenlastegelegde. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het onthouden van de nodige zorg aan zijn hond, door zijn hond niet tijdig te laten behandelen voor een ernstige oorontsteking en naar de dierenarts te gaan. Dieren kunnen niet voor zichzelf zorgen en onthouding van zorg kan hun gezondheid en welzijn benadelen, zoals hier ook is gebleken. Uit het strafblad van de verdachte van 30 september 2025 blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. De verdachte heeft naar eigen zeggen te maken met beperkingen en hij woont al enige tijd begeleid. Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2.2 en 8.12 van de Wet dieren. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde. Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis. Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C. Beuze, mr. R.D. van Heffen en mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 oktober 2025. Mr. Beuze en mr. Gielen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.