← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2025:3799

afdeling strafrecht parketnummer: 23-000354-25 datum uitspraak: 10 december 2025 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 februari 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-253398-24 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1992, adres: [adres] , thans gedetineerd in [detentieadres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Het vonnis waarvan beroep en de omvang van het appel De verdachte is ter zake van de onder 1 tot en met 5 en 7 tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren, met aftrek van voorarrest. Verder zijn beslissingen over het beslag genomen. Tegen dit vonnis is door de verdediging op 14 februari 2025 onbeperkt hoger beroep ingesteld. Bij akte van 13 maart 2025 is het hoger beroep ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4, 6 en 7 ingetrokken. Dit betekent dat slechts het onder 5 tenlastegelegde feit in hoger beroep aan de orde is. Het hof zal het vonnis in zoverre vernietigen en opnieuw rechtdoen. Tenlastelegging Aan de verdachte is - voor zover in hoger beroep nog aan de orde - tenlastegelegd dat: 5.(Zaaksdossier 5) hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 juli 2024 tot en met 17 juli 2024 te Amstelveen, Amsterdam en/of Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, - ongeveer 1 kilogram cocaïne (PV Aanvullend onderzoek telefoon Warker

(6537026)ivm handel/fabriceren verdovende middelen, p.3) - ongeveer 1 kilogram cocaïne (PV Aanvullend onderzoek telefoon Warker
(6537026)ivm handel/fabriceren verdovende middelen, p. 10-11) - ongeveer 10 kilogram cocaïne (PV Aanvullend onderzoek telefoon Warker
(6537026)ivm handel/fabriceren verdovende middelen, p. 11-13), (telkens) in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Bewijsoverweging De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder feit 5 tenlastegelegde. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de verklaring van de verdachte in hoger beroep hetzelfde is als bij de rechtbank en dat de rechtbank die verklaring terecht als onaannemelijk terzijde heeft geschoven. De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 5 tenlastegelegde wegens gebrek aan bewijs. Daartoe heeft hij kortgezegd aangevoerd dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte in het bezit was van de genoemde 12 kilo cocaïne en dat ook niet kan worden vastgesteld dat het daadwerkelijk om cocaïne ging. Er zijn geen blokken met cocaïne in beslag genomen en dus ook niet getest. Er is ook geen ander bewijs op basis waarvan tot de conclusie kan worden gekomen dat er daadwerkelijk cocaïne in de blokken zat. De verklaring van de verdachte dat hij probeerde anderen op te lichten met nepdrugs is ook niet in strijd met de inhoud van de chats, aldus de raadsman. Het hof overweegt als volgt. Het hof neemt de bewijsmotivering van de rechtbank in het vonnis op pagina 7 en 8, onder 3.3.4., over, maakt deze tot de zijne en vult deze als volgt aan: Op de onder de verdachte inbeslaggenomen Redmi 12C telefoon zijn diverse chatgesprekken aangetroffen waarin de verdachte foto’s verstuurde van blokken cocaïne en daarbij prijzen noemde die overeenkomen met de marktprijs voor cocaïne. Uit de chats, waarvan de verdachte heeft bekend dat hij deze heeft verstuurd, blijkt dat de verdachte zijn klanten de drugs vooraf liet testen en hun geld teruggaf of drugs van betere kwaliteit regelde indien de klanten niet tevreden waren over de geleverde drugs: ‘Heb klant die klaagt. Daarom zoek ik orgi’ en ‘Heb gezegd test nog een keer’ en ‘Heb gister bij klant opgehaald’. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte wel degelijk echte cocaïne aan klanten verstrekte. Immers, als zijn doel was geweest om zijn klanten op te lichten met nepdrugs, dan zou hij hen de drugs niet eerst laten testen met het risico om als oplichter door de mand te vallen en zou hij ook geen geld teruggeven na een succesvolle oplichting. Het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman wordt in al zijn onderdelen verworpen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 5.hij in de periode van 11 juli 2024 tot en met 17 juli 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, - ongeveer 1 kilogram cocaïne (PV Aanvullend onderzoek telefoon Warker
(6537026)ivm handel/fabriceren verdovende middelen, p.3) - ongeveer 1 kilogram cocaïne (PV Aanvullend onderzoek telefoon Warker
(6537026)ivm handel/fabriceren verdovende middelen, p. 10-11) - ongeveer 10 kilogram cocaïne (PV Aanvullend onderzoek telefoon Warker
(6537026)ivm handel/fabriceren verdovende middelen, p. 11-13). Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de door de rechtbank uitgewerkte bewijsmiddelen zijn vervat. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Strafbepaling conform artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor feit 5 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden en dat het hof de straf voor feiten 1, 2, 3, 4 en 7 zal bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van 37 maanden. Nu het hoger beroep enkel is gericht tegen het onder feit 5 tenlastegelegde, zal het hof overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 423 Sv eerst de straf bepalen ten aanzien van de onder feiten 1, 2, 3, 4 en 7 bewezenverklaarde misdrijven. Dat houdt in dat het hof moet beslissen welk gedeelte van de straf geacht moet worden door de rechtbank te zijn opgelegd ter zake van deze feiten, die niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen. Het hof bepaalt deze straf op een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden. Oplegging van straf voor feit 5 De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat in geval van een bewezenverklaring een gevangenisstraf voor de duur van 40 tot 50 maanden voor feit 5 buitenproportioneel is, uitgaande van de richtlijnen van het Openbaar Ministerie die een gevangenisstraf van 36 maanden indiceren. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne. Zoals algemeen bekend is, vormt cocaïne een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en vindt bovendien een aanzienlijk deel van de criminaliteit direct of indirect zijn oorsprong in de handel van harddrugs, zoals cocaïne. De handel in cocaïne dient derhalve te worden tegengegaan. Bij de bepaling van een passende strafmaat heeft het hof acht geslagen op de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het handelen in 10 tot 20 kilo harddrugs wordt volgens de oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden tot uitgangspunt genomen. Die straf kan oplopen tot een gevangenisstraf voor de duur van 50 maanden indien sprake is van een organisatie. Op grond van de aard en de ernst van de feiten is het hof van oordeel dat niet met minder kan worden volstaan dan een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur. Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden passend en geboden. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden. Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het onder feiten 1, 2, 3, 4 en 7 bewezenverklaarde op: een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A.E. van Noort, mr. M. Iedema en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van mr. R.J.C. Wegerif, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 december 2025. Mr. De Wilde is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.