← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2025:3829

afdeling strafrecht parketnummer: 23-000344-21 datum uitspraak: 5 februari 2025 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-015754-20 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1978, adres: [adres 1] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 januari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte en door het openbaar ministerie is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is door politierechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. Tenlastelegging Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 18 januari 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland [slachtoffer 1] en/of [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door hen dreigend de woorden toe te voegen "ik ga de hele tent ratelen", "ik steek iedereen neer" en/of "ik ga die tent kapot schieten" en/of die [slachtoffer 1] en/of [benadeelde partij] een mes, in elk geval een scherp voorwerp dreigend te tonen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; 2.hij op of omstreeks 18 januari 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] een of meerdere appberichten te sturen met de tekst: "breek je nek", "rij jou dood", "maar ik ga jou eerst in de fik steken" en/of door die [slachtoffer 2] een of meerdere spraakberichten te sturen met de woorden: "als ik jou zie ik breek al jou botten, als ik jou zie steek ik jou in de fik" en/of "ik ga al jouw tanden persoonlijk met mijn handen een voor een eruit trekken"; 3.hij op of omstreeks 18 januari 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof, die hij had gegoten over de zitting van een motor (kenteken [kenteken] , merk Piaggio), waardoor die motor geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor het naastgelegen gebouw/pand en/of café [plek] en/of voor het kozijn en/of de zonwering van dat café te duchten was. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter. Bewijsoverweging feit 1 De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging. Daartoe heeft hij -kort gezegd- aangevoerd dat de verklaringen van aangevers [benadeelde partij] en [slachtoffer 1] en de getuige [getuige 1] tegenstrijdig zijn en daarmee niet als voldoende betrouwbaar kunnen worden gezien. Om die reden zijn deze verklaringen niet bruikbaar voor het bewijs en dient de verdachte te worden vrijgesproken nu er geen sprake is van wettig en overtuigend bewijs. Het hof overweegt als volgt. Het hof acht, anders dan de raadsman, de verklaringen van aangevers [benadeelde partij] en [slachtoffer 1] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. De verklaringen zijn voldoende gedetailleerd, op essentiële onderdelen consistent en ondersteunen elkaar. Bovendien vinden de verklaringen van aangevers steun in de verklaring van getuige [getuige 1] . Dat de verklaringen op detailniveau niet geheel gelijkluidend zijn bevreemdt niet gelet op de hectiek die nacht en doet aan het voorgaande niet af. Het hof acht de onder 1 tenlastegelegde bedreiging aldus wettig en overtuigend bewezen. Derhalve verwerpt het hof het verweer van de raadsman. Bewijsoverweging feit 3 De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 3 tenlastegelegde brandstichting, nu er geen sprake is van wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte verantwoordelijk is voor de betreffende brandstichting. Het hof overweegt als volgt. Eerdere incidenten voorafgaand aan brandstichting Uit het dossier volgt dat de verdachte op 18 januari 2020 in ieder geval twee keer bij café [plek] was, rond 00:40 en 01:20 uur. Daar heeft de verdachte de onder 1 bewezenverklaarde bedreiging geuit jegens onder meer de eigenaar van dat café. Diezelfde avond, rond 03:41 uur werd er door een persoon brand gesticht aan een motor die naast café [plek] stond. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of het de verdachte is geweest die de brand heeft gesticht. Jas en schoenen Uit het proces-verbaal met betrekking tot de camerabeelden volgt dat de jas van de brandstichter een bontkraag heeft, dat de capuchon van de jas een streep heeft van verschillende stoffen, dat op de arm een rits zit en het onder de arm en rug verschilt van stof wat een streep geeft. Diezelfde dag is in de woning van de verdachte in een vuilniszak een jas aangetroffen die op al deze -naar het oordeel van het hof onderscheidende en specifieke- punten overeenkomt met de jas van de brandstichter die op de beelden te zien is. In dezelfde kamer waar de jas is aangetroffen zijn schoenen aangetroffen die gelijkenis vertonen met de schoenen die de brandstichter aan had op de beelden. Whatsapp-gesprekken Uit de zich in het dossier bevindende Whatsapp-gesprekken tussen de verdachte en zijn ex-vriendin [slachtoffer 2] volgt dat de verdachte die nacht om 01:41 uur haar het bericht stuurde: ‘Kijken of [plek] volgende week bestaaa’ en om 01:43 uur: ‘ [plek] dicht’. Op dat moment hadden de eerste twee incidenten, rond 00:40 en 01:20 uur, al plaatsgevonden. Om 03:26 uur appte de verdachte: ‘Ben bijna waar ik moet zijn jij bent de volgende’. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de brand een kwartier later is gesticht, om 03:41 uur. Vijf minuten daarna, om 03:47, stuurde de verdachte: ‘Liep net langs een tent’, ‘Zag iets vlamme’, ‘Just the begin’ en om 03:48 uur: ‘Jou gaat ook in vlamme op’. Vervolgens stuurde hij om 03:49 uur: ‘Hoor bramdweer’, om 04:06 uur: ‘Ben net wakker steel jou ook in d3 fik’ en om 04:07 uur: ‘You are next’. Herkenning De getuige [slachtoffer 2] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij op de beelden heeft gezien dat er een motor in de fik werd gestoken door de verdachte. Het hof acht deze -zich in het dossier bevindende- (bewegende) camerabeelden van voldoende kwaliteit en voldoende duidelijk om als basis voor een herkenning te kunnen dienen. Bovendien heeft [slachtoffer 2] de verdachte herkend aan specifieke en concrete door haar genoemde kenmerken, te weten zijn jas (een leren jas die hij al heel lang heeft), zijn sjaal, zijn snelle loopje en zijn O-benen. Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de herkenning van [slachtoffer 2] , die de verdachte vanwege hun eerdere relatie immers goed kende en daardoor ook beter tot een dergelijke herkenning in staat is dan een willekeurig iemand. Deze herkenning draagt naar het oordeel van het hof bij aan de overtuiging dat het de verdachte is geweest die op de beelden te zien is. Verklaringen verdachte De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de betreffende nacht vanaf 00:00 uur thuis was. In eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij niet meer weet of hij vanaf dat tijdstip thuis was, maar dat hij in ieder geval thuis werd afgezet door zijn broer en dat hij daarna het huis niet meer uit is gegaan. Hij heeft verklaard dat zijn broer die nacht is aangehouden en dat zijn broer hem voor die tijd thuis had afgezet. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij ten tijde van de brandstichting thuis was. Uit het dossier volgt dat de broer van de verdachte, [getuige 2] , die nacht om 01:30 uur is staande gehouden. [getuige 2] heeft als getuige verklaard dat hij de verdachte met zijn auto naar huis heeft gebracht en dat hij om 01:45 uur weer terug was in zijn eigen woning. De reisafstand tussen de woning van de verdachte ( [adres 1] ) en café [plek] bedraagt -lopend- 31 minuten. De verdachte had naar het oordeel van het hof aldus ruim de tijd om na thuis te zijn gebracht weer naar café [plek] te gaan. Dat de verdachte om 03:47 uur naar [slachtoffer 2] appte dat hij net langs een tent liep en iets zag vlammen en even later dat hij net een scooter in brand zag staan, duidt erop dat de verdachte op dat moment niet thuis was en strookt met het tijdstip van de onderhavige brandstichting. Ook uit het feit dat de verdachte om 03:59 uur een foto stuurde van een plek ergens buiten leidt het hof af dat de verdachte op dat moment niet thuis, maar op straat was. Het hof acht gelet op het voorgaande de verklaringen van de verdachte ongeloofwaardig en zal deze derhalve terzijde schuiven. Conclusie Op grond van de bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte degene is geweest die de brand heeft gesticht. Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 3 tenlastegelegde brandstichting. Derhalve wordt het verweer van de raadsman verworpen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.hij op of omstreeks 18 januari 2020 te Amsterdam, [slachtoffer 1] en [benadeelde partij] heeft bedreigd met zware mishandeling, door hen dreigend de woorden toe te voegen "ik ga de hele tent ratelen", "ik steek iedereen neer" en "ik ga die tent kapot schieten" en [slachtoffer 1] en [benadeelde partij] een mes dreigend te tonen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; 2.hij op 18 januari 2020 te Amsterdam, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door [slachtoffer 2] appberichten te sturen met de tekst: "breek je nek", "rij jou dood", "maar ik ga jou eerst in de fik steken" en door [slachtoffer 2] spraakberichten te sturen met de woorden: "als ik jou zie ik breek al jou botten, als ik jou zie steek ik jou in de fik" en "ik ga al jouw tanden persoonlijk met mijn handen een voor een eruit trekken"; 3.hij op 18 januari 2020 te Amsterdam, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof, die hij had gegoten over de zitting van een motor (kenteken [kenteken] , merk Piaggio), waardoor die motor is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor het naastgelegen café [plek] en voor het kozijn en de zonwering van dat café te duchten was. Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Bewijsmiddelen Ten aanzien van feiten 1 en 3:

  1. Een proces-verbaal aangifte met bijlagen met nummer 2020012998-1 van 18 januari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever [benadeelde partij] [doorgenummerde pagina’s 6 e.v.]: Ik ben eigenaar van café [plek] gevestigd [adres 2] . Op 18 januari 2020 omstreeks 00:40 uur was ik in mijn café aan het werk en kwam er een man mijn café binnen. Later bleek deze man te zijn genaamd, [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1978, wonende op de [adres 1] . Hij liep gelijk door naar de bar waar mijn broer zat. Ik hoorde [verdachte] tegen mijn broer met luidde stem zeggen: Ik ga die tent ratelen, ik die tent kapot schieten. Ik zag dat [verdachte] een mes pakte uit zijn rechterjaszak. Ik zag dat [verdachte] mijn broer probeerde te steken. Ik zag en voelde dat het mes mijn broek raakte. Op 18 januari 2020 omstreeks 01:20 uur, zag ik vanuit mijn café dat er een auto aan kwam rijden. Ik zag dat deze auto op de stoep parkeerde. Ik zag vervolgens dat er twee mannen uit de auto stapten. De persoon die rechts voorin, op de bijrijdersstoel zat, was een kleine man. Ik zag dat dit [verdachte] was. Op het moment dat [verdachte] uit de auto stapte, liep hij in de richting van mijn café. Ik zag vervolgens dat [verdachte] de voordeur op ongeveer vijf meter was genaderd. Voordat [verdachte] door NNI en NN2 werd vastgepakt heeft hij bij het zijraam van mijn café gestaan en heeft hij met zijn linkerhand op het raam getikt. Toen ik op 18 januari 2020 omstreeks 03:44 uur op het politiebureau was, werd ik gebeld door een bovenbuurman die boven mijn café woont. Hij vertelde mij dat er een motor in brand stond, naast mijn café. Ik heb toen gelijk op mijn telefoon gekeken wat er aan de hand was. Ik zag dat er inderdaad een motor in brand stond naast het café. Door de bluswerkzaamheden van de brandweer aan de motor heeft mijn café brand en waterschade opgelopen. Voor zover nu bekend is er schade aan het kozijn, ruit en zonwering van het café. Verder is er door de brand rook/roet schade ontstaan.
  2. Een proces-verbaal aangifte met bijlagen met nummer 2020013243-1 van 18 januari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever [slachtoffer 1] [doorgenummerde pag. 14 e.v.]: Ik doe aangifte van brandstichting. Op 17 januari 2020 parkeerde ik de motor voorzien van kenteken [kenteken] merk Piaggio type M64, welke op naam staat van mijn moeder [persoon] ter hoogte van café [plek] , gevestigd [adres 2] . Op 18 januari 2020 werd ik door mijn broer gebeld, hij vertelde mij dat hij aangifte had gedaan van brandstichting. De motor is namelijk op 18 januari 2020 tussen 03:00 uur en 05:00 uur in de brand gestoken op de plek waar ik hem had geparkeerd. De motor stond in het zicht van de beveiligingscamera's van café [plek] . Op deze beelden is te zien dat een persoon de motor in brand steekt. Op zaterdag 18 januari 2020 tussen 01:00 uur en 02:00 uur kwam er een voor mij onbekend persoon het café binnen, deze man was verbaal erg agressief. Hier reageerde de man als volgt op: "Ik ga de hele tent ratelen, ik steek iedereen neer!" Toen de man buiten stond, zag ik dat de man een mes pakte.
  3. Een proces-verbaal van bevindingen met bijlagen met nummer 2020012998-21 van 18 januari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant [doorgenummerde pagina’s 86 e.v.]: Op 18 januari 2020 werd er bij café [plek] op de [adres 2] een bedreiging gepleegd. Er bestaan camerabeelden van dit incident. Ik heb een politiefoto van de verdachte [verdachte] gezien. De foto is genomen op 18 januari
  4. De verdachte die ik op de camerabeelden heb gezien en in mijn waarnemingen heb omschreven als verdachte NNI is de aangehouden verdachte [verdachte] . Ik, verbalisant, verklaar hierbij dat de verdachte op de camerabeelden en de verdachte [verdachte] één en dezelfde persoon zijn. Verdachte: [verdachte] . geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] in [geboorteland] . Ten aanzien van feit 1:
  5. Het hof neemt over uit het proces-verbaal dat één geheel uitmaakt met de aantekening van het mondelinge vonnis waarvan beroep, bewijsmiddel
  6. Ten aanzien van feit 2:
  7. Het hof neemt over uit het proces-verbaal dat één geheel uitmaakt met de aantekening van het mondelinge vonnis waarvan beroep, bewijsmiddel
  8. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 1 februari
  9. Deze verklaring houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: De Whatsappberichten tussen mij en [slachtoffer 2] gaan over en weer. Alleen mijn tekst is er nog, de screenshots bevatten alleen wat ik heb gestuurd. [slachtoffer 2] zegt dat zij mij mijn huis uit komt trekken, dan reageer ik dat ik haar tanden eruit ga trekken. Ten aanzien van feiten 2 en 3:
  10. Een proces-verbaal aangifte met bijlagen met nummer 2020012998-13 van 18 januari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] [doorgenummerde pagina’s 19 e.v.]: Plaats delict: Amsterdam Ik wil aangifte doen van bedreiging door mijn ex-partner [verdachte] . Op 18 januari 2020 om 23:04 uur, werd ik ge-appt door mijn ex-vriend [verdachte] . Hij stuurde mij een aantal berichten waarin hij bedreigde mij wat aan te zullen doen. In mijn whatsapp gesprekken staat [verdachte] onder de naam ' [naam] '. Ik bekijk de gesprekken en noteer alleen de bedreigingen die geuit zijn: [verdachte] =[verdachte] : Zie ik jou toevallig ...breek je nek: 23:11 uur [verdachte]: Rij jou dood: 23:12 uur [verdachte]: Ben bijna waar ik moet zijn jij bent de volgende: 03:26 [verdachte]: Liep net langs een tent en zag iets vlammen: 03:47 uur [verdachte]: Jou gaat ook in vlammen op: 03:48 uur [verdachte]: Maar ik ga jou eerst in de fik steken: 04:10 uur Ik ben hevig geschrokken. Ik voel mij heel erg bedreigd door hem. Ten aanzien van feit 3:
  11. Een proces-verbaal van bevindingen met bijlage met nummer 2020012998-11 van 18 januari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant [doorgenummerde pagina’s 71 e.v.]: Op 18 januari 2020 heb ik van een collega een video gekregen welke zij van de aangever [slachtoffer 1] had gekregen. Ik zie het volgende op de camerabeelden: 03.40 uur:Er staat een scooter voor de deur. Er komt een man aanlopen die ik als volgt kan omschrijven:- lichte schoenen- donkere broek- donkere jas met capuchon en bontkraag - sjaalDe verdachte loopt naar het pand en kijkt naar binnen. De verdachte loopt naar de scooter (het hof begrijpt ‘scooter’ telkens als ‘motor’) welke voor het pand staat. De verdachte giet een vloeistof over de scooter. Volgende shot 03:41 uur staat de scooter in brand.
  12. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2020012998-4, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten (of één of meer van hen) [doorgenummerde pagina’s 35 e.v.]: We zien dat [slachtoffer 1] in zijn mobiele telefoon gaat kijken bij de bewakingscamera's van het café. We zien dat [slachtoffer 1] de beelden terug spoelt. We zien in het kort het volgende gebeuren. "De motorscooter staat gestald langs de gevel van het café. Er komt een man aangelopen. We zien dat de man een parka-achtige jas draagt en dat hij een capuchon met bont over zijn hoofd heeft. We zien dat de man een sjaal om heeft. We zien dat de man naar de motorscooter loopt. We zien dat de man iets over de buddyseat van de motorscooter heen sprenkelt, vermoedelijk een brandbare vloeistof. We zien dat de man iets aansteekt vlakbij zijn handen. We zien dat hij vervolgens met dit vuur, de vermoedelijke vloeistof aansteekt. We zien namelijk gelijk grote vlammen van de motorscooter slaan.” Ter plaatse bij café [plek] zagen wij dat de motorscooter volledig was afgebrand en dat de ruit gelegen aan de zijde waar de motorscooter gestald was ook kapot was.
  13. Een proces-verbaal van bevindingen met bijlagen met nummer 2020012998-17 van 18 januari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten (of één of meer van hen) [doorgenummerde pagina’s 76 e.v.]: Ik, verbalisant [verbalisant 1] , heb aan de verdachte genaamd: [verdachte] geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] , via de intercom van zijn cel, toestemming gevraagd om zijn woning aan de [adres 1] te betreden, om de jas in beslag te nemen welke hij ten tijde van de brandstichting aan had. Op zaterdag 18 januari 2020 zijn wij, verbalisant [verbalisant 1] en verbalisant [verbalisant 2] ter plaatse gegaan bij de woning. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , zag bij het betreden van de woning aan de rechterkant een kamer waarvan de deur open stond. Ik zag dat er in deze kamer meerdere schoenen lagen en een aantal vuilniszakken (STILL 1). Ik zag dat er in de vuilniszak een zwartkleurig kledingstuk zat wat leek op een jas. Ik zag vervolgens dat er tevens een bontkraag zichtbaar was. Ik heb op de beelden van de brandstichting gezien dat de verdachte een zwartkleurige jas aan had met een bontkraag om de capuchon. Ik heb ten einde de jas in beslag te nemen, de jas uit de vuilniszak gehaald. Ik zag hierbij dat dit dezelfde jas is als de jas van de verdachte op de camerabeelden van de brandstichting (STILL 2 t/m 4). In dezelfde kamer zag ik, verbalisant [verbalisant 1] , twee paar schoenen liggen welke lijken op de schoenen welke de verdachte aan had op de camerabeelden. Van deze schoenen heb ik een foto gemaakt (STILL 7 t/m 8).
  14. Een proces-verbaal van bevindingen met bijlagen met nummer 2020012998-32 van 13 april 2022, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant [ongenummerd]: Ik deed onderzoek naar de beelden. Ik keek of de jas van de verdachte overeenkomt met de jas die te zien is op de beelden. Op het fragment 211f82el-7f4b-45cd-b296-327e20c74f59.MP4 is te zien dat de jas overeenkomt. Op het beeld is te zien dat de jas een bontkraag heeft en deze is ook te zien op de beelden. Op de beelden is te zien dat de capuchon van de jas een streep heeft van verschillende stoffen deze komt ook overeen. Er is op de foto van de jas een rits te zien op de arm en deze is ook te zien op de beelden. Onder de arm en de rug verschilt het van stof wat een streep geeft deze komt ook overeen.
  15. De verklaring van de getuige [slachtoffer 2] , afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 1 februari
  16. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Op vragen van de raadsman verklaar ik dat er screenshots/camerabeelden naar mijn telefoon zijn gestuurd door [benadeelde partij] . Dit waren beelden van de bewakingscamera van café [plek] . Ik heb gezien dat er een motor in de fik werd gestoken door verdachte. Met betrekking tot de camerabeelden buiten bij de brand herken ik verdachte aan zijn jas en sjaal. Het is een leren jas die hij al heel lang heeft. Ik herken verdachte ook aan zijn loopje. Hij heeft een beetje O-benen en een snel loopje.
  17. Een proces-verbaal van bevindingen met bijlagen met nummer 2020012998-9 van 18 januari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant [doorgenummerde pagina’s 42 e.v.]: Op zaterdag 18 januari 2020 heeft de aangever tijdens de aangifte enkele whatsapp gesprekken doorgestuurd. Deze whatsapp gesprekken zijn gevoerd tussen de verdachte [verdachte] en zijn ex vriendin genaamd [slachtoffer 2] . [verdachte] = verdachte [verdachte] : Kijken of [plek] volgende week bestaaa (01:41) : [plek] dicht (01:43) : liep net langs een tent (03:47) : zag iets vlamme (03:47) : just the begin (03:47) : hoor bramdweer (03:49) N: [verdachte] stuurt een foto naar [slachtoffer 2] (03:58) : ben net wakker steel jou ook in d3 fik (4:06) : you are next (4:07) De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken en een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarden -kort gezegd- een contactverbod ten aanzien van [benadeelde partij] en [slachtoffer 1] en een locatieverbod. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft advocaat-generaal de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht gevorderd, inhoudende een contactverbod ten aanzien van [benadeelde partij] en [slachtoffer 1] en een locatieverbod voor de duur van 2 jaren. De raadsman heeft -indien het hof tot een bewezenverklaring komt- verzocht een onvoorwaardelijke straf op te leggen die de duur dat de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet overstijgt, en daarnaast een geheel voorwaardelijke taakstraf met een proeftijd voor de duur van maximaal één maand. Daartoe heeft hij -kort gezegd- aangevoerd dat de verdachte in de tussentijd een reclasseringstoezicht positief heeft afgerond, dat hij is afgekickt van zijn softdrugsverslaving, dat hij (op uitzondering van een veroordeling voor rijden zonder rijbewijs) niet meer met justitie in aanraking is gekomen en dat de redelijke termijn in hoger beroep is geschonden. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich in de nacht van 18 januari 2020 schuldig gemaakt aan bedreiging van twee personen bij een café. Bij die bedreiging heeft de verdachte een mes getoond. Ook heeft hij zijn ex-vriendin bedreigd. Bedreiging is een ernstig feit dat bij de slachtoffers gevoelens van onveiligheid en onrust veroorzaakt. In diezelfde nacht heeft de verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan brandstichting aan een motor, terwijl daarvan gemeen gevaar voor het naastgelegen café te duchten was. Door de ontstane brand is de motor niet alleen volledig uitgebrand, maar is ook grote schade ontstaan aan dat café. Dit betreft een zeer ernstig feit, vanwege de zeer gevaarlijke situatie die de verdachte daarmee in het leven heeft geroepen. Dat de gevolgen hiervan beperkt zijn gebleven tot de uiteindelijke brandschade is niet aan de verdachte te danken, hij heeft de plaats van het delict immers domweg verlaten. De verdachte heeft zich bij het plegen van het feit kennelijk laten leiden door de boosheid vanwege de onenigheid met zijn ex-vriendin, zonder zich te bekommeren om de ernstige gevaren die zijn handelen teweeg zou brengen. Feiten als het onderhavige kunnen in de samenleving in het algemeen en bij betrokkenen en getuigen in het bijzonder bijdragen aan gevoelens van onrust, angst en onveiligheid. Gelet op de aard en de ernst van de feiten en de straffen die door rechters in soortgelijke zaken worden opgelegd kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een gevangenisstraf van geruime duur. Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende. De verdachte is op 18 januari 2020 in verzekering gesteld. De politierechter heeft op 1 februari 2021 vonnis gewezen. Op 11 februari 2021 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van 5 februari 2025 einduitspraak. Hieruit volgt dat in hoger beroep in aanzienlijke mate sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn van berechting, welke overschrijding niet in overwegende mate te wijten is aan de verdediging. Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de straftoemeting. Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, passend. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof de duur van de gevangenisstraf matigen tot achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, en een proeftijd van twee jaren. Daaraan zal het hof de bijzondere voorwaarden verbinden zoals opgelegd door de rechter in eerste aanleg, te weten een contact- en locatieverbod. Met het voorwaardelijk deel wordt tevens beoogd de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om een lichtere of andersoortige straf op te leggen. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Beslag Het hof zal teruggave aan de verdachte gelasten van het onder hem in beslag genomen telefoontoestel. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 32.365,26, bestaande uit € 29.865,26 materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, en daarnaast is € 6.889,60 aan proceskosten gevorderd. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.069,36, bestaande uit € 569,36 materiële schade en € 1.500,00 immateriële schade, en daarnaast zijn de gevorderde proceskosten toegewezen tot een bedrag van € 4.500,
  18. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het oorspronkelijke bedrag. Bij e-mail van 31 oktober 2024 heeft de advocaat van de benadeelde partij de vordering voor zover het ziet op de materiële schade verlaagd en de vergoeding van de proceskosten, gelet op de procedure in hoger beroep, verhoogd. Deze aangepaste vordering is opgebouwd uit de volgende posten: - ten aanzien van de materiële schade: € 17.253,55 in totaal, bestaande uit: o € 57,49 reis- en parkeerkosten strafzaak; o € 126,87 medische reis- en parkeerkosten; o € 2.000,00 toekomstige reis- en parkeerkosten; o € 385,00 eigen risico; o € 14.684,19 brand- en bedrijfsschade, bestaande uit:  € 8.662,19 brandschade, bestaande uit:  € 3.653,00 herstel rolhek;  € 220,00 belettering;  € 475,00 terrasschermen;  € 4.300,00 zonneschermen;  € 4.230,19 herstel wanden en vloer;  € 3.800,00 installeren nieuwe camera;  minus € 8.016,00 uitkering brandverzekering;  € 6.022,00 bedrijfsschade, bestaande uit:  € 8.640,00 bedrijfsschade;  minus € 2.618,00 uitkering verzekering bedrijfsschade; ten aanzien van de immateriële schade: € 2.500,00; ten aanzien de proceskosten: € 9.565,
  19. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, met uitzondering van de posten die zien op de reis- en parkeerkosten strafzaak (die dienen te worden afgewezen) en de toekomstige reis- en parkeerkosten (ten aanzien waarvan de benadeelde niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard). De raadsman heeft gelet op de bepleite vrijspraak verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering dan wel deze als ongegrond af te wijzen. Materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 5.374,
  20. Dit ziet op de navolgende posten (minus de uitkering brandverzekering): medische reis- en parkeerkosten, eigen risico, herstel rolhek, belettering, terrasschermen, zonneschermen en herstel wanden en vloeren. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Ten aanzien van de opgevoerde reiskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt in verband met de strafzaak overweegt het hof als volgt. Een redelijke uitleg van artikel 532 Sv brengt mee dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. De artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geven, behoudens bijzondere omstandigheden, een zowel limitatieve als exclusieve regeling van de kosten waarin een in het ongelijk gestelde partij kan worden veroordeeld (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 en HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600). Uit artikel 238 Rv volgt dat (alleen) een in persoon procederende partij reis- en aanverwante kosten, gemaakt voor het bijwonen van de zitting, als (proces)kosten vergoed kan krijgen. In deze procedure heeft de benadeelde partij geprocedeerd met bijstand van een gemachtigde en dus niet in persoon. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval een uitzondering zou moeten worden gemaakt, zijn gesteld noch gebleken. Het hof zal de vordering in zoverre dan ook afwijzen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voor het overige onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Ten aanzien van de kosten die zien op de toekomstige reis- en parkeerkosten, het installeren van de nieuwe camera en de bedrijfsschade is de gestelde schade naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. De behandeling van de vordering op deze punten levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. In zoverre kan de benadeelde partij thans niet in de vordering worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Immateriële schade Artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van lichamelijk letsel of een aantasting in de eer of goede naam is in dit geval geen sprake. Voor de toewijsbaarheid van een vordering gericht op de vergoeding van het ‘op andere wijze in zijn persoon zijn aangetast’ geldt als uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de bij het schadeonderbouwingsformulier gevoegde brief van GZ-psycholoog drs. [deskundige] van Pro Insight van 24 maart 2020 volgt dat de benadeelde partij is gediagnosticeerd met PTSS. De benadeelde heeft hiervoor uiteindelijk EMDR-therapie ondergaan. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat voldoende is gebleken dat de benadeelde als gevolg van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden als hiervoor bedoeld. Het hof zal de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 1.500,
  21. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige zal het hof de vordering tot vergoeding van immateriële schade afwijzen. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Proceskosten Ten aanzien van de gevorderde proceskosten overweegt het hof dat redelijke uitleg van artikel 532 van het Wetboek van Strafvordering meebrengt dat bij de begroting daarvan dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. Daarin wordt bij vorderingen als hier aan de orde doorgaans het ‘Liquidatietarief rechtbanken en hoven’ gehanteerd. Het hof ziet geen aanleiding daar in deze zaak van af te wijken. Voor het berekenen van de te vergoeden bedragen ten aanzien van de procedure in eerste aanleg gaat het hof uit van het Liquidatietarief rechtbank en gerechtshoven (geldend vanaf 1 februari 2021) en het daarin genoemde tarief III van € 721,00 per punt. Bij de berekening gaat het hof uit van vier punten, te weten voor het indienen van de vordering, het bijwonen van de inhoudelijke behandeling op 9 september 2020 en 1 februari 2021 en het houden van pleidooi. Het hof begroot de kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg daarom op (4 x € 721,00 =) € 2.884,
  22. Voor het berekenen van de van de te vergoeden bedragen ten aanzien van de procedure in hoger beroep gaat het hof uit van het Liquidatietarief rechtbank en gerechtshoven (geldend vanaf 1 februari 2024) en het daarin genoemde tarief II van € 1.214,00 per punt. Bij de berekening gaat het hof uit van twee punten, te weten het bijwonen van de inhoudelijke behandeling en het houden van pleidooi. Het hof begroot de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep daarom op (2 x € 1.214,00 =) € 2.428,
  23. Resumerend begroot het hof de kosten van rechtsbijstand op (€ 2.884,00 + € 2.428,00 =) € 5.312,
  24. Voor het overige zal het hof de vordering tot vergoeding van proceskosten afwijzen. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 157 en 285 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde. Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden. Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd. Stelt als bijzondere voorwaarden:
  25. dat de verdachte gedurende de proeftijd geen contact zal opnemen, zoeken of hebben -in welke vorm dan ook, ook niet via derden- met [benadeelde partij] en [slachtoffer 1] ;
  26. dat de verdachte zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden op de [adres 2] vanaf de kruising [straat 1] tot aan de [straat 2] (plm 300 meter). Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
  27. STK Telefoontoestel (omschrijving: 5868227, Goudkleurig, Merk : Samsung). Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.874,06 (zesduizend achthonderdvierenzeventig euro en zes cent) bestaande uit € 5.374,06 (vijfduizend driehonderdvierenzeventig euro en zes cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 1.057,49 (duizend zevenenvijftig euro en negenenveertig cent) bestaande uit € 57,49 (zevenenvijftig euro en negenenveertig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade af. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 5.312,00 (vijfduizend driehonderdtwaalf euro). Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.874,06 (zesduizend achthonderdvierenzeventig euro en zes cent) bestaande uit € 5.374,06 (vijfduizend driehonderdvierenzeventig euro en zes cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 69 (negenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 18 januari
  28. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. W.S. Ludwig en mr. M. Iedema, in tegenwoordigheid van mr. S.L.D. Vriend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 februari
  29. Mr. H.A. van Eijk en mr. W.S. Ludwig zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen. ========================================================================= [… 2]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.