← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2025:3840

afdeling strafrecht parketnummer: 23-000619-24 datum uitspraak: 9 april 2025 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 5 maart 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-309816-23 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteland] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2003, thans gedetineerd in [detentieadres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en diens raadsman naar voren hebben gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen met dien verstande dat: - het hof de ‘bewijsmotivering’ op blad 2 van het vonnis vervangt door de navolgende bewijsmotivering; - het hof overweegt dat hetgeen in hoger beroep in het kader van de straf is aangevoerd het hof niet heeft gebracht tot andere beslissingen en overwegingen ten aanzien van die straf. Bewijsmotivering De raadsman heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, nu hij – kort gezegd – geen opzet heeft gehad op de invoer van de cocaïne. Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt. Als uitgangspunt geldt dat een passagier die per vliegtuig bagage met zich voert, met de inhoud daarvan bekend is en voor die inhoud dan ook (strafrechtelijk) verantwoordelijk is. Van dat uitgangspunt moet worden afgeweken wanneer aannemelijk is dat de passagier met die inhoud niet bekend is en er sprake is van bijzondere omstandigheden. Hiervan is in deze zaak niet gebleken. Het hof vindt de verklaring van de verdachte dat hij niet van de aanwezigheid van de verdovende middelen wist namelijk ongeloofwaardig. Het hof stelt daarbij voorop dat het zeer onaannemelijk is dat een organisatie een hoeveelheid verdovende middelen, in dit geval ruim vier kilo netto, die een grote geldwaarde vertegenwoordigt, door iemand laat vervoeren die daarvan niet op de hoogte is nu dat een niet te verwaarlozen risico op verlies van de verdovende middelen met zich brengt. Daar komt bij dat het hof vraagtekens zet bij de verklaring van de verdachte over de herkomst van de koffer waarin de verdovende middelen uiteindelijk zijn aangetroffen (hij heeft verklaard deze enkele dagen voor zijn vertrek te hebben gevonden op een verlaten plaats waar veel drugsverslaafden komen). Verder is van belang dat de verdachte op wezenlijke punten wisselend heeft verklaard, namelijk over het moment waarop hij het plan heeft gemaakt naar Nederland af te reizen en het ticket heeft gekocht. Ten aanzien van het door de verdachte nog geopperde scenario dat de verdovende middelen mogelijk na het inchecken op Aruba in zijn koffer zijn gedaan overweegt het hof als volgt. Het hof stelt vast dat het gewicht van de koffer van de verdachte bij de aankomst op Schiphol overeenkwam met het gewicht dat de koffer blijkens de claimtag had op het moment van inchecken. Voorts was de cocaïne op zeer professionele wijze in de koffer verstopt, te weten in de bodem van de koffer onder de voering en onder een houten plaat waar kleding bovenop lag, wat het zeer onwaarschijnlijk maakt dat dit in zeer korte tijd op een luchthaven is gebeurd. Al het voorgaande maakt dat het hof de verklaring van de verdachte dat hij geen wetenschap had van de verdovende middelen terzijde schuift. Nu geen andere feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die aanleiding geven om van voormeld uitgangspunt af te wijken, moet het ervoor worden gehouden dat de verdachte bekend is geweest met de aanwezigheid van de cocaïne in de koffer. Aldus acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte willens en wetens cocaïne binnen Nederland heeft gebracht en daarmee opzet heeft gehad op het invoeren van de cocaïne in Nederland. BESLISSING Het hof: Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. C.J. van der Wilt en mr. R. van der Heijden, in tegenwoordigheid van mr. S.L.D. Vriend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 april 2025. ========================================================================= […]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.