afdeling strafrecht parketnummer: 23-003129-22 datum uitspraak: 9 april 2025 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 22 november 2022 in de strafzaak onder parketnummer 15-159042-22 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1965, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en diens raadsman en de gemachtigde van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 maart 2004 tot en met 18 maart 2009 te Zaandam, gemeente Zaanstad en/of te West-Graftdijk, gemeente Alkmaar, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2002), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(
- en)heeft gepleegd, die bestond(
- en)uit of mede bestond(
- en)uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte (telkens) - zijn, verdachtes penis in de mond van die [slachtoffer] geduwd en/of gebracht, althans zich laten pijpen door die [slachtoffer] en/of - die [slachtoffer] gepijpt. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op tijdstippen in de periode van 19 maart 2004 tot en met 18 maart 2009 te Zaandam, gemeente Zaanstad en/of te West-Graftdijk, gemeente Alkmaar, met [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2002), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] , hebbende verdachte - zich laten pijpen door [slachtoffer] en/of - [slachtoffer] gepijpt. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf en maatregel De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen voor de duur van drie jaar, inhoudende een contactverbod met aangever [slachtoffer] , welke maatregel dadelijk uitvoerbaar dient te worden verklaard. Bij iedere overtreding van deze maatregel dienen drie dagen vervangende hechtenis te worden opgelegd. De raadsman heeft -indien het hof tot een bewezenverklaring komt- verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr), gelet op het tijdsverloop, de overschrijding van de redelijke termijn, het feit dat de verdachte nadien niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen, dat hij in de afgelopen jaren een stabiel leven heeft opgebouwd en gedurende het proces blijk heeft gegeven van verantwoordelijkheidsbesef. Ten aanzien van het door de advocaat-generaal gevorderde contactverbod heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich op twee momenten schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van zijn zoon, die ten tijde van die handelingen tussen de twee en vier jaar oud was en aan zijn zorg was toevertrouwd. Het eerste incident vond plaats in de woning van de verdachte. Tijdens het douchen heeft de verdachte zich laten pijpen door zijn zoon. Het tweede incident heeft plaatsgevonden in een stapelbed op een camping. De verdachte heeft, terwijl zijn zoon bovenop hem lag, zich laten pijpen. Bij datzelfde incident heeft de verdachte zijn zoon gepijpt. Dit is een zeer ernstig feit, waarmee de verdachte telkens inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit van zijn zoon. Het hof neemt het de verdachte uiterst kwalijk dat hij misbruik heeft gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen als vader. De veiligheid die zijn nog zeer jonge kind had mogen verwachten heeft hij op buitengewoon ernstige wijze veronachtzaamd. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van seksueel misbruik hiervan langdurige psychische en emotionele gevolgen ondervinden, in het bijzonder als het misbruik in de kinderjaren heeft plaatsgevonden, terwijl het seksueel misbruik bovendien een ernstige verstoring van de seksuele ontwikkeling van het slachtoffer tot gevolg kan hebben. Uit de in hoger beroep afgelegde slachtofferverklaring blijkt dat het misbruik grote psychische gevolgen heeft gehad en nog heeft voor het slachtoffer. Daarnaast is het hof van oordeel dat de verdachte niet de (volledige) verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen en voor het leed dat hij daarmee bij zijn zoon heeft veroorzaakt, hij blijft zichzelf (ook) als slachtoffer zien. Ook dit rekent het hof de verdachte aan. Gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van enige duur. Toepassing geven aan het bepaalde in artikel 9a Sr, zoals door de verdediging is bepleit, acht het hof volstrekt niet passend. Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende. De dagvaarding is op 10 oktober 2022 betekend. De rechtbank heeft op 22 november 2022 vonnis gewezen. Op 28 november 2022 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van 9 april 2025 einduitspraak. Hieruit volgt dat in hoger beroep sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn van berechting, welke overschrijding niet in overwegende mate te wijten is aan de verdediging. Het hof zal de mate van overschrijding verdisconteren in de straftoemeting. Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 52 weken passend. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof de duur van de gevangenisstraf matigen tot 50 weken. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr Het hof zal ter voorkoming van strafbare feiten een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen in de vorm van een contactverbod met aangever [slachtoffer] voor de duur van drie jaren. Het hof zal bevelen dat die maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Daarbij neemt het hof naast de aard en ernst van het bewezenverklaarde alsmede de omstandigheden waaronder het is begaan in aanmerking dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij vorige week een deal wilde sluiten met de aangever inhoudende dat, als hij niet gedetineerd raakt, de aangever in het huis van de verdachte kan blijven wonen en geen huur/hypotheek hoeft te betalen. Gelet op het voorgaande en dit zeer recente, ongewenste contact is het hof van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens de aangever. Daarbij merkt het hof op dat voor zover zakelijk contact nodig is met betrekking tot de betreffende woning dit via de ex-partner van de verdachte/ moeder van de aangever kan verlopen. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 12.676,54, bestaande uit € 7.676,54 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering voor wat betreft de immateriële schade toe te wijzen en de benadeelde voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. De raadsman heeft verzocht de vordering voor wat betreft de materiële schade af te wijzen en ten aanzien van de immateriële schade heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Materiële schade Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de gevorderde materiële schade. Van dit gedeelte van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of en in hoeverre deze schade rechtstreeks door het bewezenverklaarde is toegebracht. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de op dit punt betwiste vordering zou een uitgebreidere nadere behandeling vereisen. Het hof is van oordeel dat behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Immateriële schade Artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Het hof is van oordeel dat is komen vast te staan dat met de door de verdachte gepleegde handelingen een ernstige inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij, waardoor hij in zijn persoon is aangetast. Het hof is verder van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de normschending, zoals die uit het vorenoverwogene blijken, aannemelijk is dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Gelet op het voorgaande en op de vergoedingen die in gelijksoortige gevallen worden opgelegd, zal het hof de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 5.000,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 38v, 38w, 57 en 244 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 50 (vijftig) weken. Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2002 te [geboorteplaats 2] . Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 3 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op. Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 60 (zestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 18 maart 2019. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. C.J. van der Wilt en mr. A.M. Kengen, in tegenwoordigheid van mr. S.L.D. Vriend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 april 2025. ========================================================================= […]