← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2025:3856

afdeling strafrecht parketnummer: 23-002907-24 datum uitspraak: 4 augustus 2025 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 5 december 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-211384-23 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 juli 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit om die reden bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de bewijsoverweging en strafmotivering aanvult zoals in het navolgende weergegeven. Bewijsoverweging De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de primair aan de verdachte tenlastegelegde poging zware mishandeling. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten eerste bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Daartoe heeft zij – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de verklaring van getuige [getuige 1] , mede door de verklaring van getuige [getuige 2] zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, niet als betrouwbaar kan worden gezien, waardoor deze niet voor het bewijs kan worden gebruikt. De waarneming van [getuige 1] is niet betrouwbaar, onder meer omdat zij 5 à 6 glazen alcohol had gedronken die avond. Daar komt bij dat de verdachte ontkent aangever te hebben geschopt terwijl hij op de grond lag. Ook de aangever verklaart niet over het schoppen in zijn aangifte. Daarmee is er onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring van poging zware mishandeling te komen. De raadsvrouw heeft ook vrijspraak bepleit van de subsidiair ten laste gelegde mishandeling. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte door het geven van een enkele duw geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van letsel. Het hof overweegt als volgt. De getuigenverklaring van getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris is gedetailleerd en consistent met de eerdere verklaringen die zij heeft afgelegd ten overstaan van de politie, zowel ter plaatse als later tijdens haar verhoor als getuige. Uit de verklaring die opgenomen is ter plaatse volgt daarnaast niet dat [getuige 1] op dat moment onder invloed van alcohol was. Het hof overweegt daarbij dat het nuttigen van 5 à 6 glazen alcohol gedurende een hele avond ook niet zonder meer tot de conclusie leidt dat een getuige niet in staat zou zijn om op juiste wijze te kunnen waarnemen en verklaren. Het hof ziet verder geen reden om aan te nemen dat [getuige 1] niet waarheidsgetrouw zou hebben verklaard omdat zij de aangever kende. Het hof merkt in dat verband op dat [getuige 1] juist ook belastend heeft verklaard ten aanzien van zijn aandeel in het (ontstaan van het) conflict en omdat haar verklaring past bij de aangifte en de letselverklaring. Dat [getuige 1] als politieagente in opleiding natuurlijk niet op haar eerdere verklaring zou zijn terugkomen is een stelling die iedere grondslag mist. Dit maakt dat het hof geen redenen heeft om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] te twijfelen. Hetgeen de meegebrachte getuige [getuige 2] ter terechtzitting heeft verklaard maakt bovenstaande naar het oordeel van het hof niet anders omdat daaruit enkel blijkt dat zij [getuige 1] heeft gesproken, maar geenszins dat de verklaring van [getuige 1] niet op waarheid berust. Dat [getuige 1] tegen [getuige 2] gezegd zou hebben dat zij zich niet alles meer kon herinneren maakt niet dat haar eerdere verklaringen onjuist zouden zijn. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte aangever onder meer tegen het hoofd heeft geschopt. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een (zeer) kwetsbaar en vitaal gedeelte van het menselijk lichaam is. Door iemand met geschoeide voet vol tegen en in de richting van het hoofd te schoppen terwijl die persoon op de grond ligt, wordt naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op (schedel- of hersen)letsel in het leven geroepen. Door op die manier geweld uit te oefenen, heeft de verdachte naar het oordeel van het hof bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat dit bij aangever tot zwaar lichamelijk letsel zou leiden. Het hof acht om die reden wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan. Oplegging van straffen De politierechter heeft de verdachte voor het primaire feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis. De raadsvrouw heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat de verdachte first offender is en met het feit dat aangever zelf een rol heeft gespeeld in het geheel. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Het hof heeft daarbij gelet op de persoon van de verdachte en daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging zware mishandeling door aangever te duwen, een klap te geven en tegen het hoofd te schoppen terwijl aangever op de grond lag. De ernst van het bewezenverklaarde feit rechtvaardigt in beginsel de oplegging van een gevangenisstraf. Het hof ziet echter, met de advocaat-generaal, aanleiding hiervan in dit specifieke geval af te wijken. Het hof weegt hierbij mee dat aangever zelf ook een aandeel heeft gehad in het incident en zelf ook geweld richting de verdachte heeft gebruikt. Daarnaast heeft het hof meegewogen dat verdachte een jongeman zonder strafblad is. Het hof ziet daarom geen aanleiding om een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen als stok achter de deur. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 45, 302 Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.T.C. de Vries, mr. D.A.C. Koster en R.A.J. Hübel, in tegenwoordigheid van mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 augustus 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.