afdeling strafrecht parketnummer: 23-003081-22 datum uitspraak: 4 augustus 2025 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 november 2022 in de strafzaken onder parketnummers 13-242926-21 (hierna: zaak A) en 13-169791-22 (hierna: zaak B) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats ] op [geboortedag] 1982, (post)adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 juli 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging voor de in zaak A onder feit 2 tenlastegelegde belediging van de buitengewoon opsporingsambtenaren van de gemeente Amsterdam (BOA’s, hierna: verbalisanten). [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Hiertoe is – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat deze verbalisanten op het moment van de tenlastegelegde belediging niet werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, waardoor een klacht nodig is om te kunnen vervolgen voor belediging. Die klacht ontbreekt echter. De advocaat-generaal heeft betoogd dat de beide verbalisanten wel degelijk in de rechtmatige uitoefening waren van hun functie, waardoor geen klacht voor vervolging voor belediging nodig is. Het openbaar ministerie is daarom ontvankelijk in de vervolging van dit feit ten aanzien van deze verbalisanten. Het hof overweegt, met verwijzing naar hetgeen hierna wordt overwogen over het optreden van de verbalisanten en de rechtmatigheid daarvan, dat geen sprake is van onrechtmatig optreden van de betrokken verbalisanten, zodat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte voor de belediging van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Vonnis waarvan beroep Het verhandelde ter zitting heeft het hof niet gebracht tot andere overwegingen en beslissingen dan de politierechter. Om die reden verenigt het hof zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit om die reden bevestigen, behalve ten aanzien van feit 3 in zaak A, omdat het hof daar komt tot een enigszins andere bewezenverklaring en tot een andere kwalificatie en ten aanzien van de strafoplegging (en de motivering daarvan) en ten aanzien van de beslissing op de vordering benadeelde partij van [benadeelde partij] – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof zal reageren op de in hoger beroep gevoerde verweren. Het hof zal daarnaast een kennelijke verschrijving in de voorletter van [benadeelde partij] in de bewezenverklaringen van de feiten 2 en 3 van zaak A corrigeren. Het hof zal, na eventueel instellen van het beroep in cassatie, de bewijsmiddelen aanvullen en uitwerken in de op te maken aanvulling op dit arrest. Bewijsoverwegingen ten aanzien van zaak A Waren de Verbalisanten in de rechtmatige uitoefening van hun bediening? De raadsman heeft ter zitting bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de in zaak A onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde feiten. Hiertoe heeft hij ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat onvoldoende vaststaat dat de verdachte bedreigende uitlatingen heeft gedaan en, als wel, dat daardoor bij de verbalisanten niet de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. Ten aanzien van zaak A feiten 2, 3 en 4 subsidiair stelt de raadsman dat de verdachte niet veroordeeld kan worden omdat de verbalisanten niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren. Ten aanzien van zaak A feit 4 primair heeft de raadsman betoogd dat spugen geen bedreiging oplevert. Ter onderbouwing van zijn standpunt over de rechtmatigheid van het optreden van de verbalisanten heeft de raadsman aangevoerd dat de verbalisanten het identiteitsbewijs (ID-bewijs) van de verdachte hebben gevraagd in plaats van gevorderd. De verbalisanten hebben daarnaast ook geen uitvoeringshandelingen verricht in het kader van opsporing nu niet duidelijk is op welke grond het ID-bewijs van verdachte is gevraagd. Verdachte lag immers niet te slapen waardoor er geen grond was om zijn ID-bewijs te vorderen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Ook was geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld terzake van belediging en evenmin van mishandeling, nu spugen geen mishandeling betreft. Tot slot is door de raadsman in het kader van de rechtmatigheid van het optreden van de verbalisanten betoogd dat de aanleg van de nekklem door [verbalisant 2] en de overige door hen gebruikte geweldsmiddelen onrechtmatig zouden hebben plaatsgevonden nu uit het dossier niet blijkt dat de verbalisanten bevoegd waren geweld uit te oefenen bij aanhouding. Het hof komt op grond van het procesdossier tot de volgende conclusies. De verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] zagen dat de verdachte op 9 september 2021 op een bankje in Amsterdam lag te slapen, hetgeen verboden is op grond van de APV. De verbalisanten parkeerden hun dienstvoertuig, waarna de verdachte rechtop ging zitten. De verbalisanten vroegen hoe het met hem ging en vroegen om zijn ID-bewijs. Toen de verdachte weigerde zich te legitimeren, werd zijn ID-bewijs gevorderd. De verbalisanten waren gerechtigd tot het vorderen van het identiteitsbewijs van de verdachte in verband met de overtreding van de APV. Dit maakt dat sprake was van een uitvoeringshandeling in het kader van de opsporing en daarmee ook van een rechtmatige uitoefening van hun bediening. Vervolgens liep de verdachte weg en schreeuwde hij onder andere naar de verbalisanten: “vuile kankerlijer” en “vuile slet”. Hij draaide zich om, pakte een stoeptegel, liet deze vallen zodat deze in stukken brak en hield een van de stukken hiervan bedreigend - in gevechtshouding - omhoog. Dreigend met de stoeptegel heeft de verdachte [verbalisant 2] in het gezicht gespuugd, waarna de verbalisanten hem hebben aangehouden wegens mishandeling en belediging. Het hof overweegt -ten overvloede, nu de verbalisanten al in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren- dat door de verbalisanten in het proces-verbaal van aanhouding is geverbaliseerd dat zij de officier van justitie verzoeken over te gaan tot vervolging van de verdachte. Uit deze bewoordingen blijkt duidelijk dat de verbalisanten wilden dat de verdachte vervolgd zou worden, zodat gesproken kan worden van een klacht. De aanhouding betreffende de belediging is dus rechtmatig verricht. Ook was er op dat moment een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van mishandeling nu destijds het corona-virus heerste en er een 1,5-meter-maatregel gold. Dat op enig moment sprake was van een gewijzigd inzicht daarin, maakt dat niet anders in deze situatie. Ter aanhouding van de verdachte heeft [verbalisant 2] een zogenaamde ‘nekklem’ bij de verdachte aangelegd. Blijkens het proces-verbaal van aanhouding vallen de verbalisanten onder ‘domein 1’. Dit brengt met zich dat de verbalisanten mogen handhaven voor onder andere het niet opvolgen van een ambtsbevel om zich te verwijderen (in verband met, in dit geval, schending van de APV door te slapen op een openbare plek). Op basis van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar bij de gemeente Amsterdam 2015, domein 1 jo. artikel 7, eerste lid, van de Politiewet mogen de verbalisanten daartoe een geweldsmiddel gebruiken. Het aanleggen van een nekklem valt daar onder, waardoor dit rechtmatig is toegepast. Het geven van een waarschuwing is, anders dan door de raadsman betoogd, in dit verband niet verplicht en zal alleen zo mogelijk worden gegeven. [verbalisant 2] was daarmee ook op dit punt werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Het hof verwerpt de verweren van de verdediging met betrekking tot de rechtmatigheid van het optreden van de verbalisanten, stelt vast dat de verbalisanten in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren, waardoor de officier van justitie -zoals hiervoor reeds geoordeeld- ontvankelijk is in de vervolging en de bewijsverweren ten aanzien van de rechtmatigheid van de bediening worden verworpen. Ten aanzien van de overige gevoerde bewijsverweren in zaak A overweegt het hof als volgt. Was verbalisant [benadeelde partij] in de rechtmatige uitoefening van haar bediening? Verbalisant [benadeelde partij] , surveillant bij de Politie Eenheid Amsterdam, fietste in privétijd langs toen zij zag dat de verbalisanten bezig waren om de verdachte aan te houden. Omdat er tussen de verdachte en de verbalisanten een worsteling ontstond, besloot [benadeelde partij] om bijstand te verlenen. Vervolgens heeft de verdachte tijdens zijn aanhouding “kanker Chinees” naar [benadeelde partij] geroepen. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is het hof van oordeel dat [benadeelde partij] op dat moment in de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft gehandeld. Het hof verwijst in dat verband naar hetgeen reeds is opgemerkt over de aanleiding van de aanhouding van de verdachte door de verbalisanten. Voor zover het verweer is gericht op het buiten diensttijd verrichten van een aanhouding wijst het hof op artikel 3 Politiewet jo. artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering. Hieruit volgt dat [benadeelde partij] ook buiten diensttijd de aanhouding van de verdachte in de rechtmatige uitoefening van haar ambt heeft verricht. Zodoende heeft verdachte ook [benadeelde partij] beledigd in de rechtmatige uitoefening van haar bediening. Was er sprake van bedreiging? Voor een bewezenverklaring van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is onder meer vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf gepleegd zou kunnen worden en dat het opzet van verdachte daarop was gericht. Het gaat erom dat de bedreiging in het algemeen een dergelijke vrees kan opwekken. Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof vast dat de verdachte aan de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] op 9 september 2021 de volgende uitspraken heeft gericht: “ik kan je kinderen pakken en snij hun keel open”. De verdachte is tevens dreigend met een stoeptegel in zijn hand voor de verbalisanten gaan staan. Deze uitingen en gedragingen van de verdachte konden naar het oordeel van het hof redelijkerwijs in de gegeven omstandigheden vrees oproepen, waardoor sprake is van een strafbare bedreiging van de verbalisanten. De aangevers hebben verklaard dat het incident veel impact op hen heeft gehad en dat zij zich bedreigd hebben gevoeld. Feit 3 Het hof is van oordeel dat op grond van de beschikbare bewijsmiddelen, anders dan de politierechter, onvoldoende bewijs bestaat dat de verdachte [benadeelde partij] bij het geslachtsdeel heeft gepakt. Wel kan wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte het geslachtsdeel van [benadeelde partij] heeft aangeraakt. Feit 4 Het hof is, met de raadsman en de advocaat-generaal, van oordeel dat het onder 4 primair tenlastegelegde spugen niet kan worden gekwalificeerd als mishandeling, zodat de verdachte hiervan wordt vrijgesproken. Het hof acht, gelet op het voorgaande, de tenlastegelegde feiten in zaak A onder 1, 2 en 4 subsidiair conform de politierechter, en het tenlastegelegde in zaak A onder 3 zoals hierna omschreven, wettig en overtuigend bewezen. Bewezenverklaring Het hof herstelt in de bewezenverklaring van zaak A, feit 2 een kennelijke verschrijving en acht ‘ [benadeelde partij] ’ bewezen in plaats van ‘ [benadeelde partij] ’. Het hof acht in zaak A, feit 3, bewezen dat: hij op 9 september 2021 te Amsterdam zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren [verbalisant 2] , buitengewoon opsporingsambtenaar, en [verbalisant 1] , buitengewoon opsporingsambtenaar en [benadeelde partij] , surveillant bij Politie Eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door zich in een andere beweging te bewegen dan waarin voorgenoemde ambtenaren hem wilden bewegen en die [benadeelde partij] bij het geslachtsdeel aan te raken. Hetgeen in zaak A onder 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het in zaak A onder 3 bewezenverklaarde levert op: Wederspannigheid, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A onder 3 bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, waarvan drie weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand. De raadsman heeft bij eventuele strafoplegging verzocht een straf conform voorarrest op te leggen en rekening te houden met het tijdsverloop, de overschrijding van de redelijke termijn, artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft verbalisanten bedreigd en beledigd en zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid en vernieling. Hij heeft de verbalisanten in hun eer en goede naam aangetast en een angstige en intimiderende situatie geschapen, waarvan zij ook in de periode na het plegen van de feiten last hebben gehad. De verdachte heeft op deze manier er blijk van gegeven geen enkel respect te tonen voor het openbaar gezag. Zijn gedrag is des te kwalijker nu de bedreiging en belediging in het openbaar zijn gedaan, met als gevolg dat mensen in de directe omgeving aanwezig en getuige waren. Hierdoor kunnen gevoelens van onveiligheid bij het publiek ontstaan. Uit het dossier volgt ook dat het voorval door meerdere omstanders is gefilmd en gedeeld op social media, waarbij er door meerdere reageerders op denigrerende wijze werd gesproken over de verbalisanten, in het bijzonder over [benadeelde partij] . Vernieling is een hinderlijk feit dat naast overlast ook materiële schade veroorzaakt. Door het plegen van de vernieling heeft de verdachte getoond geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen. Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 juli 2025 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten. Het hof weegt dit in het nadeel van de verdachte mee. Het van toepassing zijnde artikel 63 Sr legt onvoldoende gewicht in de schaal om milder te straffen. Het hof heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsadvies van 14 juli 2025, waaruit volgt dat zij geen mogelijkheden zien om binnen een drangkader te werken aan blijvende gedragsverandering en recidivebeperking. Gelet hierop ziet het hof geen heil in het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel. Daarnaast stelt het hof vast dat, gelet op artikel 22b, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, het taakstrafverbod van toepassing is, zodat niet kan worden volstaan met enkel een taakstraf of een taakstraf in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof constateert voorts dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in hoger beroep is geschonden.. Het hof ziet geen grond om de tijd die nodig is geweest om getuigen te horen niet mee te tellen in het kader van de vraag of de redelijke termijn is overschreden. Gelet op het feit dat het in casu echter een beperkte overschrijding van de redelijke termijn betreft, volstaat het hof met de enkele constatering dat de redelijke termijn is geschonden. Het hof acht, gezien het bovenstaande en alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 955,- , bestaande uit € 870,- aan vergoeding van immateriële schade en € 85,- aan vergoeding van materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 955,-. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft de toewijzing van de vordering benadeelde partij gevorderd. De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat de verdachte dient te worden vrijgesproken, dan wel voor wat betreft de gevraagde materiële schade omdat dat geen rechtstreekse schade betreft. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren. Immateriële schade Ten aanzien van de gestelde immateriële schade overweegt het hof als volgt. Artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek houdt in dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde belediging en wederspannigheid in haar eer en goede naam is geschaad en daardoor rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, zulks gelet op de onderbouwing van de vordering. Het hof acht de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar maatstaven van billijkheid voldoende onderbouwd tot het gevorderde bedrag van € 870,-, waarbij in het bijzonder is gelet op de aard en de ernst van de aantasting van de eer en de goede naam van de benadeelde partij door de belediging en het aanraken van haar geslachtsdeel en de omstandigheden waaronder dit is geschied. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Materiële schade De vordering vergt, gelet op het verweer van de verdediging, nadere onderbouwing. Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering ten aanzien van de materiële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering ten aanzien van de materiële schade niet worden ontvangen. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 36f, 57, 63, 180, 266, 267, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van feit 3 in zaak A, ten aanzien van de strafoplegging en de motivering daarvan en ten aanzien van de beslissing op de vordering benadeelde partij van [benadeelde partij] , en doet in zoverre opnieuw recht. Herstelt in de bewezenverklaring van zaak A, feit 2 een kennelijke verschrijving en acht ‘ [benadeelde partij] ’ bewezen in plaats van ‘ [benadeelde partij] ’. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte in zaak A onder 3 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het in zaak A onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van de in zaak A bewezenverklaarde feiten 2 en 3 tot het bedrag van € 870,00 (achthonderdzeventig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van de in zaak A bewezenverklaarde feiten 2 en 3 een bedrag te betalen van € 870,00 (achthonderdzeventig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste zeventien dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 9 september 2021. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A.J. Hübel, mr. D.A.C. Koster en mr. M.T.C. de Vries, in tegenwoordigheid van mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 augustus 2025.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.