← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2025:3862

afdeling strafrecht parketnummer: 23-002377-24 datum uitspraak: 12 december 2025 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 30 september 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-103390-23 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2004, adres: [adres] ). Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 november

  1. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: dat hij op of omstreeks 23 maart 2023 te Zaandam, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland, openlijk, te weten aan de openbare weg, de Fluitekruidweg, in elk geval op of aan een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde partij] , welk geweld bestond uit het (telkens) - (met kracht) duwen tegen het lichaam van die [benadeelde partij] en/of - slaan op het gezicht, in elk geval het hoofd van die [benadeelde partij] en/of - schoppen/trappen tegen het hoofd, in elk geval het lichaam van die [benadeelde partij] terwijl dit door hem gepleegde geweld enig letsel, te weten een scheurwond in het voorhoofd en/of een hersenschudding en/of onderhuidse bloeduitstortingen voor voornoemde [benadeelde partij] ten gevolge heeft gehad; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering. Bewijsoverweging De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. De verdediging heeft aangevoerd dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, maar dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het schoppen/trappen nu het dossier niet sluitend is over de toedracht van het letsel. Het hof overweegt als volgt. Op grond van het dossier stelt het hof vast dat de verdachte zich op 23 maart 2023 schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging in vereniging tegen de aangever. Uit de aangifte volgt dat de aangever de witte bestelbus zag die eerder schade had toegebracht aan zijn voertuig. Hij was hier boos om en had een half krat bier op. De aangever sloeg tegen de autospiegel van de witte bestelbus, waarna de verdachte en zijn medeverdachten uitstapten en achter hem aan gingen. Vervolgens is hij geduwd, geslagen en geschopt waarop hij knock-out is geraakt en letsel heeft opgelopen. Hierbij is de laptoptas van de aangever meegenomen en elders achtergelaten. Uit de letselrapportage volgt dat het ontstane letsel mogelijk past bij de toedracht zoals door de aangever is verklaard. De verdachte heeft bekend dat hij geweld heeft gebruikt tegen de aangever. Het hof overweegt dat het in het kader van openlijke geweldpleging voldoende is dat wordt bewezen dat elke dader (voorwaardelijk) opzet had op het in vereniging plegen van openlijk geweld. Niet vereist is dat betrokkenheid van elke dader bij elke afzonderlijke geweldshandeling komt vast te staan. De verdachte heeft een wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld. Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de aangever omtrent het schoppen. In dat kader acht het hof van belang dat de aangifte op essentiële punten steun vindt in de overige bevindingen in het dossier en dat de verdachte zijn eigen aandeel in het ontstaan van het conflict niet schuwt , hetgeen de betrouwbaarheid van zijn verklaring eveneens ondersteunt. Het hof volgt dan ook de aangifte. Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de openlijke geweldpleging, zoals hieronder weergegeven, bewezen kan worden. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 23 maart 2023 te Zaandam, gemeente Zaanstad, openlijk, te weten aan de openbare weg, de Fluitekruidweg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde partij] , welk geweld bestond uit het (telkens) slaan tegen het hoofd van die [benadeelde partij] en schoppen/trappen tegen het lichaam van die [benadeelde partij] terwijl dit door hem gepleegde geweld enig letsel, te weten een scheurwond in het voorhoofd en een hersenschudding en onderhuidse bloeduitstortingen voor voornoemde [benadeelde partij] ten gevolge heeft gehad; Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straffen De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor openlijke geweldpleging in vereniging veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de verdachte, in het kader van rechtsgelijkheid, net als bij de medeverdachte de oplegging van een taakstraf volstaat. De raadsvrouw heeft daarbij verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte doet het goed, heeft altijd gewerkt en verwacht samen met zijn vrouw hun eerste kindje. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging in vereniging. Het slachtoffer is daarbij geschopt en geslagen en heeft een hoofdwond, een hersenschudding en verschillende bloeduitstortingen opgelopen. Dergelijke misdrijven brengen gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg in de samenleving. Het hof acht dan ook de straf zoals door de rechtbank opgelegd in beginsel passend en geboden. Het hof ziet echter in hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging naar voren is gebracht aanleiding om een andersoortige straf op te leggen. Het hof zoekt bij de strafoplegging aansluiting bij het onherroepelijke vonnis van de medeverdachte in deze zaak. Hij is voor hetzelfde feitencomplex veroordeeld tot een taakstraf van de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Het hof heeft verder bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals verhandeld ter terechtzitting in hoger beroep en acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.566,
  2. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.417,
  3. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden toegewezen tot een bedrag van € 887,26 met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering dient hoofdelijk te worden opgelegd. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de reparatie van de jas en ambulancekosten gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voor het overige deel heeft zij aangevoerd dat dit niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.566,21 ter zake van de reparatie van zijn laptop en zijn lederen jas, de gestolen laptoptas en de ambulancekosten. Deze schadeposten zijn voldoende onderbouwd. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige, het verlies van inkomen, is het hof van oordeel dat de vordering onvoldoende onderbouwd is. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. De verdachte is op grond van artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek samen met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk voor de schade en dus tot vergoeding daarvan gehouden, behalve voor zover de schade al door één of meer mededaders is vergoed. De vordering zal dus hoofdelijk worden toegewezen, met toepassing van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis. Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.566,21 (duizend vijfhonderdzesenzestig euro en eenentwintig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.566,21 (duizend vijfhonderdzesenzestig euro en eenentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het hele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 23 maart
  4. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, mr. R.A. Boon en mr. N.J.M. de Munnik, in tegenwoordigheid van mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 december
  5. De jongste raadsheer is buiten staat het arrest te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.