GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 24/155 28 januari 2025 uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , woonachtig te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. R. van der Weide) tegen de uitspraak van 14 december 2023 in de zaak met kenmerk HAA 23/944 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente [Y] , de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking als bedoeld in artikel 22 van de Wet Waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat] 15 te [Z] (hierna: de woning) op de waardepeildatum 1 januari 2021 voor het belastingjaar 2022 vastgesteld op € 630.000. 1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard en de waarde van de woning gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 14 december 2023 het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Het door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 29 december 2023 en aangevuld bij brief van 4 april 2024. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het Hof heeft op 12 juni 2024 en 13 januari 2025 nadere stukken ontvangen van belanghebbende. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2Feiten 2.1. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (belanghebbende is in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als “eiser” en de heffingsambtenaar als “verweerder”): “Feiten 1. Eiser is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning. De woning is een twee-onder-een-kapwoning, gebouwd in 2004. De oppervlakte van de woning is 181 m2 en de oppervlakte van het perceel is 369 m2. De woning is voorzien van een dakopbouw en een vrijstaande garage.” 2.2. Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof vult deze feiten als volgt aan. 2.3. Belanghebbende heeft bij zijn hoger beroepschrift een matrix gevoegd waarin, naast gegevens van de woning, gegevens zijn opgenomen van [a-straat] 13, [a-straat] 17, [a-straat] 19 en [a-straat] 31, alle gelegen te [Z] . 2.4. De heffingsambtenaar verwijst in hoger beroep onder meer naar de bij zijn in hoger beroep ingediende verweerschrift gevoegde matrix, plattegronden en foto’s. Daarin zijn, naast gegevens van de woning, gegevens opgenomen van [b-straat] 36, [c-straat] 57, [d-straat] 11, [e-straat] 8 en [f-straat] 19, alle gelegen te [Z] . 3Geschil in hoger beroep Ook in hoger beroep is in geschil of de heffingsambtenaar de waarde van de woning te hoog heeft vastgesteld. 4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil als volgt overwogen: “Beoordeling van het geschil 6. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. 7. De rechtbank stelt vast dat verweerder de waarde van de woning heeft onderbouwd aan de hand van de vergelijkingsmethode. De rechtbank acht de referentieobjecten voldoende vergelijkbaar met de woning. Daartoe overweegt zij dat het allemaal in [Z] gelegen twee-onder-één-kapwoningen zijn uit een nagenoeg gelijk bouwjaar (tussen 2004 en 2008) waarvan de woon- en perceeloppervlaktes niet al te zeer afwijken van die van de woning. De verkoopprijzen van de referentieobjecten kunnen derhalve worden gebruikt ter onderbouwing van de waarde van de woning. Dat er verschillen zijn tussen de woning en de referentieobjecten maakt dit niet anders. Het gaat er om dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met die verschillen. 8. Dat laatste heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank gedaan. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder met de op 30 juli 2023 overgelegde matrix een afdoende toelichting heeft gegeven op de vastgestelde waarde aan de hand van de voor de woning en de vergelijkingsobjecten gehanteerde vierkante meterprijzen. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat voldoende rekening is gehouden met de verschillen in grootte van de opstal en van het perceel, de kwaliteit en de staat van onderhoud alsmede met de aanwezigheid van bijgebouwen. 9. Eiser heeft gewezen op de verkopen van [a-straat] 13, [a-straat] 19 en[g-straat] 20. Deze objecten acht de rechtbank minder goed bruikbaar daar de transactiedata van de eerste twee objecten meer dan een jaar van de waardepeildatum zijn gelegen en [g-straat] 20 anders dan de woning een geschakelde woning betreft. De door verweerder gehanteerde vergelijkingsobjecten zijn goed vergelijkbaar met de woning en zijn wel alle rond de waardepeildatum verkocht. De rechtbank neemt bovendien in aanmerking dat verweerder vrij is in de keuze van de vergelijkingsobjecten. In het belastingrecht is immers sprake van een vrije bewijsleer en daarbij past niet het voorschrijven van het gebruik van vergelijkingsobjecten die door eiser als voldoende dan wel beter vergelijkbaar worden gekwalificeerd, ook niet indien de door verweerder bij beschikking vastgestelde waarde wordt betwist. 10. Eiser stelt dat er onvoldoende rekening is gehouden met de gedateerdheid van de woning en heeft bij zijn beroepschrift foto’s overgelegd, waaruit zou blijken dat de woning gedateerd is. In de matrix is af te lezen dat de dat het onderhoud als ‘2’ is gekwalificeerd en de voorzieningen als ‘3’. Daarnaast ligt de vierkantemeterprijs van de woning lager dan de vierkantemeterprijs van de vergelijkingsobjecten. De rechtbank ziet op basis van de foto’s van eiser of de enkele omstandigheid dat de Cv-ketel 15 jaar oud is, geen reden om het onderhoud of de voorzieningen naar beneden bij te stellen. 11. Met betrekking tot eisers stelling dat naastgelegen panden met uitbouw een lagere WOZ-waarde hebben dan de woning die niet over een uitbouw beschikt, oordeelt de rechtbank als volgt. Voor een uitbouw tot vier meter diep geldt geen vergunnings- of meldingsplicht. Hierdoor is voor verweerder sprake van onbekendheid inzake de aanwezigheid van aan- en/of uitbouwen, zodat hij hiermee geen rekening kon houden. Dat is onder meer het geval bij [a-straat] 13. Doel en strekking van de Wet WOZ brengen voorts mee dat de waarde van een onroerende zaak voor elk tijdvak opnieuw wordt bepaald. Voor de beoordeling van de juistheid van de vastgestelde waarde voor 2021 [Hof: 2022] is daarom slechts van belang of de waarde die aan de woning is toegekend in overeenstemming is met het wettelijk waardebegrip, zoals onder punt 6 weergegeven. Aan de WOZ-waardes van in de zelfde straat gelegen objecten komt in dat kader geen zelfstandige betekenis toe. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat verweerder onweersproken heeft gesteld dat het door eiser bedoelde verschil in WOZ-waardes ook (deels) kan worden verklaard door de verschillende perceelgroottes van de door eiser benoemde objecten en de woning. 12. Eiser stelt voorts dat verweerder de ligging van de woning onterecht als ‘4’ heeft gekwalificeerd vanwege de ligging nabij een drukke, doorgaande weg. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht rekening heeft gehouden met het verschil in ligging tussen de woning en de vergelijkingsobjecten [b-straat] 36 en [c-straat] 57, waarvan de ligging met een ‘3’ is beoordeeld. Uit de door verweerder overgelegde luchtfoto leidt de rechtbank af dat de twee laatstgenoemde objecten niet aan het water zijn gelegen en ook geen vrij uitzicht aan de achterzijde hebben. De door eiser gestelde, maar niet nader onderbouwde of geobjectiveerde, overlast van de weg acht de rechtbank niet zodanig dat de ligging van de woning ook als ‘3’ had moeten worden gekwalificeerd. Tussen de woning en de weg ligt immers nog water, en bovendien heeft de woning een vrij uitzicht over de achter die weg gelegen weilanden. De rechtbank volgt dan ook de door verweerder gehanteerde kwalificaties. Eisers stelling kan niet slagen. 13. Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat de waarde van de woning in een onjuiste verhouding staat tot de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten. Proceskosten 14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.” 5Beoordeling van het geschil 5.1. Het Hof stelt in aanvulling op het door de rechtbank gehanteerde toetsingskader (zie onder 6), bij zijn beoordeling voorop dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.