GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummer gerechtshof 200.341.151 zaaknummer rechtbank Amsterdam 747978 arrest in kort geding van 4 maart 2025 in de zaak van [de man] (de man) die woont in [plaats A] advocaat: mr. K. Mohasselzadeh tegen [de vrouw] (de vrouw) die woont in [plaats B] advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri. 1Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. De man heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) op 9 april 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep (met grieven) de memorie van antwoord een akte van de man met producties een antwoord-akte van de vrouw met producties een akte van de man met producties een antwoord-akte van de vrouw. 1.2. Op 17 januari 2025 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Op 7 januari 2025 is nog een H12-formulier van mr. Mohasselzadeh met producties 39 tot en met 48 in het geding gebracht en op 16 januari 2025 ook nog een stuk per e-mail. Mr. Mohasselzadeh heeft tijdens de zitting spreekaantekeningen overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen. 2De kern van de zaak 2.1. Partijen zijn [in] 2007 in [plaats C] , Iran met elkaar getrouwd. Beiden hebben de Iraanse nationaliteit. De vrouw heeft een Engelse vertaling van de huwelijksakte ingebracht waarvan beide partijen uitgaan. Daarin de huwelijksakte is – voor zover van belang – het volgende opgenomen: “Dowry (Marriage Portion): A volume of de Holy Koran, a mirror and a pair of candlesticks submitted to the wife as per her acknowledgement plus 500 pieces of Bahar Azadi I gold coins being the husbands’s liability and payable to the wife upon her demand. Signed by the spouses.” 2.2. Met betrekking tot de mogelijkheid tot het aanvragen van een echtscheiding staat in de Engelse vertaling van de huwelijksakte het volgende: 2.3. Bij beschikking van de rechtbank van 14 november 2023 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 19 februari 2024 ingeschreven in de desbetreffende registers van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag. 2.4. De man heeft gevorderd dat de voorzieningenrechter de vrouw zal bevelen om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis haar medewerking te verlenen aan het tot stand komen van de Iraanse religieuze echtscheiding in de vorm van “Khul’a”, waaronder in ieder geval wordt verstaan het verschijnen tijdens een afspraak met een geestelijke en het inschrijven van de echtscheiding bij de Iraanse ambassade in Den Haag, op straffe van een dwangsom, verder de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis van 6 maart 2024 te schorsen totdat in hoger beroep is beslist en de religieuze echtscheiding heeft plaatsgevonden en de registratie bij de Iraanse ambassade is voltooid en de echtscheiding in de daartoe bestemde registers in Iran is ingeschreven, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 2.5. De voorzieningenrechter heeft de door de man gevorderde voorzieningen geweigerd. 2.6. De bedoeling van het hoger beroep van de man is dat het gevorderde alsnog wordt toegewezen, met dien verstande dat de man zijn vorderingen in hoger beroep heeft gewijzigd/aangevuld en vordert dat het hof: 1. primair zijn vorderingen toewijst en zal bepalen dat de vrouw binnen twee dagen na de betekening van het vonnis [het hof begrijpt: arrest] op eerste verzoek van de man dient te verschijnen bij de Imam en medewerking dient te verlenen aan het tot stand komen van de religieuze echtscheiding waarbij de vrouw niet mag weigeren te compenseren ter hoogte van afgesproken bruidsgave, onder oplegging van een dwangsom van € 1000 per dag voor elke dag dat zij weigert mee te werken en met een maximum van € 10.000; 2. subsidiair zijn vorderingen toewijst en zal bepalen dat de vrouw binnen twee dagen na de betekening van het vonnis [het hof begrijpt: arrest] op eerste verzoek van de man dient te verschijnen bij de Imam en medewerking dient te verlenen aan het tot stand komen van de religieuze echtscheiding waarbij tevens wordt bepaald dat de Imam in de akte van scheiding de kwestie rondom compensatie door de vrouw aan de man onbeslist laat en meldt in de akte dat een beslissing daaromtrent volgt zodat de religieuze scheiding tot stand komt en totdat een beslissing in bodemprocedure is genomen over deze kwestie, onder oplegging van een dwangsom van € 1000,- per dag voor elke dag dat zij weigert mee te werken en met een maximum van € 10.000,-; 3. zal bepalen dat de vrouw gehouden is te verschijnen bij de Iraanse ambassade en eveneens verzoekt om registratie van de echtscheiding in Iran, onder oplegging van een dwangsom van € 1.000 per dag voor elke dag dat zij weigert bij de ambassade te Den Haag te verschijnen en met een maximum van € 10.000; 4. de bij voorraad uitvoerbaarverklaring van het vonnis van 6 maart 2024 inzake de bruidsgave zal schorsen totdat in hoger beroep op het vonnis is beslist; 5. de vrouw zal veroordelen tot betaling aan de man van het bedrag van € 8.000 voor de kosten van de procedure in de Iraanse echtscheidingsprocedure; 6. met veroordeling van de vrouw in de werkelijke advocaatkosten van beide instanties voor een bedrag van € 29.223,67; 7. met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure in beide instanties. 2.7. Primair concludeert de vrouw tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn vorderingen, dan wel tot afwijzing daarvan, met veroordeling van de man in de proceskosten in alle instanties, subsidiair vordert zij dat het hof een onderzoek van het IJI gelast om zich uit te laten over het recht op compensatie van de bruidsgave bij een verzoek tot een Iraans religieuze echtscheiding op verzoek van de vrouw. 3Het oordeel van het hof 3.1. Het hof zal oordelen dat het hoger beroep niet slaagt. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Hieronder legt het hof uit hoe het tot dit oordeel komt. IPR: rechtsmacht en toepasselijk recht 3.2. Het hof moet in deze zaak ambtshalve beoordelen of het rechtsmacht heeft. Partijen zijn in 2007 gehuwd in Iran en hebben beide (in elk geval) de Iraanse nationaliteit. Zij hebben beide hun gewone verblijfsplaats in Nederland. De vordering van de man tot medewerking van de vrouw aan de (religieuze) Iraanse echtscheiding is gebaseerd op een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). De weigering van de vrouw, en de gestelde gevolgen daarvan doen zich gezien de woonplaats van beide partijen in elk geval voor in Nederland. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 6 aanhef en onder e Rv bevoegd van dit geschil kennis te nemen. Tegen de (impliciete) toepasselijkheid van het Nederlandse recht is geen grief geformuleerd, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen. procesrechtelijk 3.3. Het hof stelt voorop dat de grieven in beginsel niet in een later stadium dan in de memorie van grieven mogen worden aangevoerd (de zogenoemde twee-conclusie-regel, zie artikel 347 lid 1 Rv). Op deze in beginsel strakke regel zijn in de rechtspraak van de Hoge Raad uitzonderingen aanvaard. De man heeft op 7 januari 2025 nog stukken in het geding gebracht met een nadere toelichting. De vrouw maakt daartegen bezwaar. Desgevraagd verklaarde de raadsman van de man dat het stuk een reactie en toelichting is naar aanleiding van de stellingen van de vrouw in haar memorie van antwoord. Het hof oordeelt deze nieuwe en aanvullende grieven in strijd met de twee-conclusie-regel en de goede procesorde en daarom niet toelaatbaar. Dat betekent dat het hof het stuk (de toelichting en de bewijsstukken daarbij) buiten beschouwing laat. Die stukken en die tekst worden door het hof niet bij de beoordeling meegenomen. Hetzelfde geldt voor het door de man te laat ingediende stuk van 16 januari 2025. Ook dat stuk laat het hof buiten beschouwing. toetsingskader 3.4. Het hof zal zich eerst een voorlopig oordeel vormen over de feiten en het daarop toe te passen recht en zal daarna beoordelen of de gevraagde voorlopige voorziening moet worden gegeven. Het hof zal daarbij de belangen van beide partijen tegen elkaar afwegen en in ieder geval rekening houden met (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.