afdeling strafrecht parketnummer: 23-001510-24 datum uitspraak: 6 februari 2025 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-336318-22 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 1] 2007, adres: [adres 1] . Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, Sv naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman en de advocaat van de benadeelde partijen, tevens nabestaanden, naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof: - de bewijsoverweging van de rechtbank aanvult als reactie op hetgeen door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht; - de toepasselijke wettelijke voorschriften aanvult met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Aanvulling bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij pas wist van het conflict dat speelde tussen de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) en een groep jongens, onder wie [naam] die met het slachtoffer was die avond, nádat het schietincident had plaatsgevonden. Het hof hecht geen geloof aan deze verklaring en gaat ervan uit dat de verdachte al vóór het schietincident op de hoogte was van het conflict. Desgevraagd door de rechtbank heeft de verdachte immers verklaard dat hij wel wist van het betreffende conflict. Het had voor de hand gelegen voor de verdachte om reeds op dat moment te verklaren dat zijn wetenschap pas na het schietincident was ontstaan, maar dat heeft hij nagelaten. Mede gelet op het gegeven dat de verdachte zich steeds nagenoeg geheel op zijn zwijgrecht heeft beroepen en niets heeft willen uitleggen omtrent de uit de bewijsmiddelen volgende feiten en omstandigheden die evident belastend voor hem zijn, legt het hof dit in zijn nadeel uit. Oplegging van straf De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 365 dagen, waarvan 149 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het voorarrest. Aan het voorwaardelijke strafdeel heeft de rechtbank – kort gezegd – de navolgende bijzondere voorwaarden verbonden, welke dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard: meewerken aan een forensische behandeling; meewerken aan een vervolgbehandeling; een contactverbod met de nabestaanden van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), tenzij zij behoefte hebben aan contact in het kader van herstelbemiddeling; een contactverbod met [medeverdachte] ; meewerken aan ITB-HKA; zich houden aan afspraken en een weekschema, behorend bij het elektronisch toezicht tot 30 november 2024; verblijven bij [instelling] ; een avondklok, geldend tot 30 november 2024; een locatieverbod voor heel Amsterdam; meewerken aan het vinden en behouden van dagbesteding en vrijetijdsbesteding; zich houden aan aanwijzingen van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: de WSS) en alle hulpverlening die de WSS nodig acht. Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, met dien verstande dat het voorwaardelijk op te leggen deel van de jeugddetentie gelijk is aan de door het hof na te berekenen duur van het voorarrest. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat gelet op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en de WSS, het meewerken aan ITB-HKA als bijzondere voorwaarde zal komen te vervallen en dat het elektronisch toezicht en de avondklok zullen worden verlengd met de duur van drie maanden. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep in geval van een bewezenverklaring verzocht aan te sluiten bij de door de rechtbank opgelegde straf met bijzondere voorwaarden, met uitzondering van het elektronisch toezicht. Hij heeft tevens verzocht te bepalen dat de bijzondere voorwaarden gedurende een kortere termijn zullen gelden, nu deze voorwaarden in eerste aanleg dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard en de verdachte zich daaraan dus al langere tijd moet houden. Oordeel van het hof Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. [medeverdachte] heeft de toen 17-jarige [slachtoffer] doodgeschoten en de verdachte is daaraan medeplichtig geweest door het vuurwapen te leveren in de wetenschap dat [medeverdachte] een conflict had met de groep jongens waar [slachtoffer] deel van uitmaakte. De verdachte is ook aanwezig geweest bij het schietincident. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaring van de vader van [slachtoffer] en hetgeen de advocaat van de benadeelde partijen tevens namens hen naar voren heeft gebracht blijkt welke impact zijn overlijden op hun levens heeft gehad en nog steeds heeft. Het leed en verdriet dat de verdachte en [medeverdachte] aan [slachtoffer] en zijn nabestaanden hebben toegebracht is groot en onherstelbaar. De nabestaanden zullen hun leven lang het verdriet met zich moeten dragen. Een gebeurtenis als deze brengt naast de grote gevolgen voor de nabestaanden ook een schok teweeg in de maatschappij en versterkt gevoelens van angst en onveiligheid. Op medeplichtigheid aan een dergelijk levensdelict is geen andere reactie passend dan een jeugddetentie. Gelet op de leeftijd van de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten, kan aan hem maximaal een jeugddetentie voor de duur van één jaar worden opgelegd. Hoewel bij minderjarigen geen vermindering van straf plaatsvindt als zij medeplichtig zijn, houdt het hof bij het bepalen van de straf wel rekening met de beperktere rol die de verdachte als medeplichtige bij het doodschieten van [slachtoffer] heeft gehad. Daarin ziet het hof aanleiding om een deel van de in beginsel passend geachte maximale jeugddetentie in voorwaardelijke vorm aan de verdachte op te leggen. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 14 januari 2025 is hij voorafgaand aan het bewezenverklaarde eerder onherroepelijk veroordeeld ter zake van een geweldsdelict, hetgeen het hof in zijn nadeel meeweegt. Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof kennisgenomen van: het psychologisch Pro Justitia rapport, opgemaakt door O.C. van der Bent, GZ-psycholoog, op 14 januari 2024 (op het voorblad abusievelijk gedateerd op 14 januari 2023); het psychiatrisch Pro Justitia rapport, opgemaakt door drs. M. Hendriks, arts in opleiding tot psychiater, onder supervisie van drs. B.G.J. Gunnewijk, psychiater, op 12 januari 2024; het rapport van de Raad, opgemaakt op 6 juni 2024; hetgeen door de deskundigen mevrouw L. Hardenberg namens de WSS en mevrouw M.N. Menger namens de Raad op de terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht. Zowel de Raad als de WSS hebben ter terechtzitting in hoger beroep de in het rapport van de Raad opgenomen bevindingen en adviezen gehandhaafd. Zij benadrukken het belang van een strak kader en intensief toezicht voor de verdachte, temeer nu hij recent opnieuw is aangehouden voor verboden wapenbezit. Wat betreft de aan het voorwaardelijk deel te verbinden bijzondere voorwaarden hebben de deskundigen geadviseerd dat deze kunnen worden overgenomen, met uitzondering van het meewerken aan ITB-HK als bijzondere voorwaarde – die kan komen te vervallen – en met dien verstande dat de elektronische monitoring en de avondklok met de duur van drie maanden moeten worden verlengd. Het hof zal voornoemd advies met daarbij de wijziging van de bijzondere voorwaarden, zoals ter terechtzitting in hoger beroep geformuleerd door de Raad en de WSS, overnemen. Daarbij heeft het hof ook acht geslagen op het feit dat de verdachte opnieuw ervan wordt verdacht in bezit te zijn geweest van een vuurwapen, hetgeen hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft erkend. Dit is zeer zorgelijk en draagt bij aan de overtuiging dat het van belang is dat de verdachte voorlopig in een strak begeleidend kader dient te functioneren. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. Uit de hiervoor genoemde rapportages, blijkt dat het recidiverisico matig tot hoog is. Ook is de verdachte, zoals hiervoor genoemd, eerder veroordeeld voor een geweldsmisdrijf en is hij recentelijk opnieuw verdachte geworden van vuurwapenbezit. Het hof is daarom van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal het hof bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b, 36d, 36f, 47, 48, 63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 46.299,15, bestaande uit een bedrag van € 1.299,15 aan materiële schade, € 20.000,00 aan affectieschade en € 25.000,00 aan shockschade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 36.299,15. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en ter terechtzitting in hoger beroep het gevorderde bedrag aan shockschade beperkt tot een bedrag van € 15.000,00. De vordering bedraagt daarmee in totaal € 36.299,15. De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering geheel dient te worden toegewezen. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair en in geval van vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde shockschade dient te worden gematigd. Ten aanzien van de gevorderde affectieschade heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Materiële schade Vast staat dat aan de benadeelde partij [benadeelde 1] door het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is wat de materiële schade betreft niet betwist en zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de kosten zijn/worden gemaakt. Affectieschade Vast staat dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als nabestaande (ouder met thuiswonend kind) aanspraak kan maken op affectieschade, conform de forfaitair vastgestelde bedragen van het besluit vergoeding affectieschade. De gevorderde schadevergoeding voor affectieschade te weten een bedrag van € 20.000,- komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Immateriële schade (shockschade) Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat bij de benadeelde partij sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De benadeelde partij is geconfronteerd met de gruwelijke gevolgen van het schietincident op haar zoon. Zij heeft hem gereanimeerd tot de politie ter plaatse was en de reanimatie overnam. De benadeelde partij is geconfronteerd met de schotwond in de borst van haar zoon en vervolgens met zijn overlijden. De directe confrontatie met het geweld en de dodelijke gevolgen van het geweld heeft een schok teweeggebracht bij de benadeelde partij die hierdoor een trauma heeft opgelopen waarvoor zij onder behandeling is bij een psycholoog, die een posttraumatische stressstoornis (PTSS) heeft geconstateerd. Het hof zal het gevorderde bedrag aan shockschade toewijzen. Reden tot matiging, zoals door de verdediging verzocht, ziet het hof niet. Het hof zal gegeven het bovenstaande de vordering van [benadeelde 1] voor de volgende bedragen toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente: een bedrag van € 1.299.15 voor materiële schade; een bedrag van € 20.000.- voor affectieschade; een bedrag van € 15.000.- voor immateriële schade / shockschade. In het belang van [benadeelde 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. Tot slot is het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht. Het hof zal om deze reden de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen. Het hof zal verdachte hoofdelijk veroordelen tot betaling van het toe te wijzen bedrag. Dat [medeverdachte] zelf niet hoofdelijk tot betaling is veroordeeld en de omstandigheid dat de verdachte en [medeverdachte] geen contact met elkaar mogen hebben, maken niet dat van het uitgangspunt van hoofdelijke toewijzing moet worden afgeweken. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 42.500,00, bestaande uit een bedrag van € 17.500,00 aan affectieschade en € 25.000,00 aan shockschade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 15.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en ter terechtzitting in hoger beroep het gevorderde bedrag aan shockschade beperkt tot een bedrag van € 15.000,00. De vordering bedraagt daarmee in totaal € 32.500,00. De advocaat van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de gevorderde affectieschade gewezen op de ontwikkelingen met betrekking tot de Wet Affectieschade. Er is een wetsvoorstel in de maak dat de kring van gerechtigden voor affectieschade zal uitbreiden. Hierdoor zullen ook broers en zussen van een overleden of een met ernstig letsel achtergebleven slachtoffer recht krijgen op een vergoeding. De advocaat van de benadeelde partij heeft het hof verzocht hiermee alvast rekening te houden bij de beoordeling van deze schadepost. De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair en in geval van vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde shockschade dient te worden gematigd. Ten aanzien van de gevorderde affectieschade heeft de raadsman aangevoerd dat deze dient te worden afgewezen, nu geen beroep kan worden gedaan op de hardheidsclausule. Affectieschade Broers en zussen van de overledene komen volgens de wet niet voor affectieschade in aanmerking. De wetgever heeft er uitdrukkelijk voor gekozen hen in beginsel geen recht op vergoeding van affectieschade toe te kennen, tenzij zij ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staan, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 BW als naasten worden aangemerkt (artikel 6:108 lid 4 onder g BW, de zogeheten hardheidsclausule). Daarop beroept de benadeelde partij zich in zijn vordering en de namens hem ter terechtzitting gegeven toelichting. Het hof neemt als uitgangspunt dat bij de beoordeling van de hardheidsclausule zoveel mogelijk aangesloten moet worden bij de bedoeling van de wetgever. De wetgever heeft bedoeld dat broers en zussen alleen in uitzonderlijke gevallen aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. Het is onvoldoende als (enkel) wordt aangetoond dat broers en zussen een hechte band hadden of bijvoorbeeld in gezinsverband samenwoonden. Voor het bewijs van een nauwe persoonlijke betrekking, moet een bijzondere, hechte affectieve relatie worden aangetoond. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn als broers en zussen in een bepaalde zorgrelatie tot elkaar stonden of wanneer zij, als volwassenen, een langdurige gemeenschappelijke huishouding voerden. Niet is aangetoond dat daarvan in de relatie tussen de benadeelde partij en zijn overleden broer sprake is geweest. Ondanks de hechte band die zij ongetwijfeld met elkaar hadden, is door de (advocaat van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.