afdeling strafrecht parketnummer: 23-003242-22 datum uitspraak: 20 januari 2026 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 23 november 2022 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-063862-22 en 15-129571-22 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969, adres: [adres 1] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht. Tenlasteleggingen Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: Zaak met parketnummer 15-063862-22: hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2020 tot en met 19 juli 2021 te Purmerend (telkens) een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door (meermalen) op/tegen haar hoofd en/of haar lichaam te slaan en/of te stompen en/of (meermalen) op/tegen haar lichaam te schoppen; Zaak met parketnummer 15-129571-22: hij op of omstreeks 16 mei 2021 te Purmerend [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik zal meneer [slachtoffer 2] door zijn kop schieten en zijn ramen eruit knallen, ik heb een vuurwapen boven op zolder liggen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarin is volstaan met een opgave van bewijsmiddelen en voorts het hof ten dele tot een andere beslissing komt dan de politierechter. Bewijsoverwegingen Zaak met parketnummer 15-063862-22: De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. De verdachte ontkent, er is geen enkel medisch bewijs van letsel, de moeder van aangeefster heeft verklaard over het door aangeefster zelf aanbrengen van letsel en ten slotte kunnen vraagtekens worden gezet bij de betrouwbaarheid en objectiviteit van de afgelegde getuigenverklaringen, nu sprake was van structurele ruzie met de buurt. De verklaringen ontberen ook tijd, plaats, context en causaliteit. Oordeel van het hof Anders dan de raadsman, ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de aangifte en de getuigenverklaringen. De aangifte van [slachtoffer 1] , dat de verdachte haar vanaf 2020 meerdere keren (een blauw oog) heeft geslagen en haar heeft geschopt, is concreet en duidelijk en vindt steun in de getuigenverklaringen. Daarbij verklaren de getuigen deels ook over specifieke geweldsincidenten en gebeurtenissen die zij hebben gezien. Zo heeft getuige [getuige 1] verklaard dat zij heeft gezien dat de verdachte bij een sneeuwballengevecht begin 2021 [slachtoffer 1] een klap met zijn hand gaf, waarbij zij een beschrijving geeft van het sneeuwballengevecht dat eraan vooraf ging en de kennelijke aanleiding voor de verdachte om de klap te geven, te weten dat [slachtoffer 1] de verdachte per ongeluk raakte. Ook verklaart zij dat [slachtoffer 1] haar in juni 2021 vertelde dat ze klappen had gehad en dat buren haar toen vertelden dat zij [slachtoffer 1] een paar dagen eerder met een blauw oog hadden gezien. Getuige [getuige 2] maakt in haar verklaring van augustus 2021 melding van een blauw oog bij [slachtoffer 1] eind mei, toen ze de hond ging uitlaten en [slachtoffer 1] op de fiets was. Wederom concreet in tijd en context. De getuige [getuige 3] , eigenaar van de snackbar waar [slachtoffer 1] werkte, heeft in september 2021 verklaard dat hij al een jaar lang ziet dat [slachtoffer 1] een blauw oog heeft, dat hij in totaal 4 keer heeft gezien dat [slachtoffer 1] met een blauw oog naar het werk is gekomen en dat [slachtoffer 1] ook een keer een flinke blauwe plek op haar rechter bovenarm had en pijn in haar rug; volgens hem hebben zijn andere personeelsleden zowel de blauwe ogen, als de blauwe plek op haar bovenarm en rugpijn gezien. [slachtoffer 1] zelf heeft ook verklaard dat de buurvrouw, haar baas en andere collega’s haar met een blauw oog hebben gezien. Het meermalen schoppen wordt bevestigd door de getuige [getuige 4] , die daarbij in haar verklaring van augustus 2021 aangeeft dat de laatste keer twee maanden geleden was, op het speelveld voor haar woning, toen de verdachte en [slachtoffer 1] uit de auto kwamen, dat [slachtoffer 1] toen haar been wegtrok en aan haar reactie was te zien dat het pijn deed. De ontkenning van de verdachte biedt hiertegen onvoldoende tegenwicht, evenals de enkele stelling van de partner van de verdachte, zijnde tevens de moeder van [slachtoffer 1] , dat [slachtoffer 1] zelf het letsel zou hebben toegebracht. Gelet op het vorenoverwogene acht het hof dit feit wettig en overtuigend bewezen. Zaak met parketnummer 15-129571-22: De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen. De verdediging heeft zich op het standspunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. De verdachte ontkent en stelt die avond niet in Purmerend te zijn geweest. Oordeel van het hof De aangifte van bedreiging van [slachtoffer 2] vindt steun in de getuigenverklaringen. Zowel getuige [getuige 1] , [getuige 5] als [getuige 6] bevestigen dat zij de verdachte hoorden zeggen dat hij [slachtoffer 2] door zijn kop zou schieten en dat de blaffer/het pistool boven/op zolder zou liggen. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen. De enkele ontkenning van de verdachte kan niet tot een ander oordeel leiden. Dat de verdachte die avond niet in Purmerend zou zijn geweest, is op geen enkele wijze nader onderbouwd. Gelet op het vorenoverwogene acht het hof ook dit feit wettig en overtuigend bewezen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15-063862-22 en in de zaak met parketnummer 15-129571-22 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Zaak met parketnummer 15-063862-22: hij op tijdstippen in de periode van 01 januari 2020 tot en met 19 juli 2021 te Purmerend telkens een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door op/tegen haar hoofd en/of haar lichaam te slaan en/of te stompen en/of op/tegen haar lichaam te schoppen; Zaak met parketnummer 15-129571-22: hij op 16 mei 2021 te Purmerend [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door dreigend de woorden toe te voegen "Ik zal meneer [slachtoffer 2] door zijn kop schieten en zijn ramen eruit knallen, ik heb een vuurwapen boven op zolder liggen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; Hetgeen in de zaak met parketnummer 15-063862-22 en in de zaak met parketnummer 15-129571-22 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak met parketnummer 15-063862-22 en in de zaak met parketnummer 15-129571-22 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het in de zaak met parketnummer 15-063862-22 bewezenverklaarde levert op: mishandeling, begaan tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd. Het in de zaak met parketnummer 15-129571-22 bewezenverklaarde levert op: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 15-063862-22 en in de zaak met parketnummer 15-129571-22 bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf en maatregel De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de reclassering toezicht zal houden, om te bezien of er interventies mogelijk en raadzaam zijn. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende maatregel wordt opgelegd in de vorm van een locatie- en contactverbod voor de duur van twee jaren, en daarbij te bevelen dat twee weken hechtenis zal worden toegepast voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De raadsman heeft het hof verzocht om geen gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen. De politierechter heeft een contactverbod opgelegd voor de periode van 3 jaar. De periode is inmiddels verstreken en in die periode is er geen melding geweest van het overtreden van het contactverbod. Wanneer de gedragsbeïnvloedende maatregel wederom wordt opgelegd komt dit neer op een gedragsbeïnvloedende maatregel voor de duur van 5 jaar, en dat is buitenproportioneel. Daarnaast is het locatieverbod irrelevant omdat de verdacht geen idee heeft waar [slachtoffer 1] op dit moment verblijft. De verdachte heeft ook geen behoefte om daar naar toe te gaan. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn stiefdochter in de vorm van het gedurende een langere periode meerdere keren slaan en schoppen. Hierdoor heeft hij haar lichamelijke integriteit geschaad en haar pijn toegebracht. Het hof rekent de verdachte de inbreuk op de lichamelijke integriteit van zijn stiefkind zwaar aan, vooral ook omdat het feit heeft plaatsgevonden in de huiselijke kring, waar zij zich veilig hoort te voelen. Uit de vordering tot schadevergoeding en de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] blijkt ook dat het handelen van de verdachte een grote impact op haar heeft gehad. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de bedreiging van zijn buurman, [slachtoffer 2] . Door deze bedreiging heeft de verdachte het slachtoffer angst aangejaagd. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 2] blijkt ook dat de bedreiging veel emoties en angst heeft los gemaakt. Het hof rekent ook dit de verdachte aan. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 december 2025 is hij reeds meermalen ter zake mishandeling en bedreiging onherroepelijk veroordeeld. Hoewel deze veroordelingen niet van recente datum zijn, behoudens een veroordeling van dit hof van 30 maart 2023 ter zake waarvan artikel 63 Sr geldt, weegt het hof dit gegeven in strafverzwarende zin mee, nu daaruit volgt dat de verdachte hardleers is. Het hof heeft verder acht geslagen op het reclasseringsadvies van 24 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.