ECLI:NL:GHAMS:2026:1337
GERECHTSHOF AMSTERDAM Kenmerk 25/1821 23 april 2026 uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , wonende te [Y] , belanghebbende, tegen de uitspraak van 3 juli 2025 in de zaak met kenmerk HAA 24/1973 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding 1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.698.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen voornoemde aanslag bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de aanslag ib/pvv gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.4.
De rechtbank heeft als volgt beslist: “De rechtbank:
1.5.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2Feiten 2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (belanghebbende en de inspecteur worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’ respectievelijk ‘verweerder’): “1. Eiser is geboren op [datum] en is woonachtig op het adres [straat] te [Y] .
4.Verweerder heeft conform de ingediende aangifte een voorlopige aanslag ib/pvv opgelegd met een dagtekening van 16 oktober 2020. De teruggaaf is vastgesteld op € 1.382.
2.2.
Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten en vult deze als volgt aan.
2.3.
Tot de gedingstukken behoort een hoorverslag waarin onder andere is vermeld: “Verslag van het gesprek op 20 februari 2025 om 10 uur in het Belastingkantoor [Y] Aanwezigen:
2.4.
Tot de gedingstukken behoort de volgende e-mail van belanghebbende van 11 maart 2025 aan de inspecteur met de aanhef “Hoorverslag 20.02.2025”: “TER ATTENTIE VAN MR. [naam 2] , GEACHTE HEER [naam 2] , HERHALING STANDPUNT !!!
IN DE ZITTING VAN 28.12.2021 IN HET BIJZIJN VAN MRS. [naam 3] + MRS. [naam 4] [bedrijf 1] NEDERLAND HEBBEN WLIDE TOEZEGGING VAN MR. [naam 5] & MRS. [naam 6] GEKREGEN DAT DE BEHANDELING VAN DE LOPENDE BEZWAREN FLEXIBEL + COULANT ZULLEN GESCHIEDEN. ******************************************************************* DEEL IK U MEDE DAT 1K AKKOORD GA MET DE DOOR U OPGESTELDE HOORVERLAG MITS DE DOOR MIJ GEDANE OPMERKING(EN) OP DE DOOR U INGEDIENDE VERTOOGSCHRIFT ALSMEDE DE OPGEVOERDE AFTREKPOSTEN WORDEN GEHONOREERD.”
2.5.
Op 13 maart 2025 heeft de inspecteur de rechtbank als volgt geïnformeerd. “In de procedure ten name van de heer [X] , i.v.m. de aanslag IB 2019, heeft de rechtbank tijdens de zitting partijen in de gelegenheid gesteld om alsnog een hoorgesprek te houden. De zitting is geschorst en de zaak wordt aangehouden.
Op 20 februari jl. heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.
Van het gesprek is op 25 februari jl. een verslag gemaakt en dit is aan de heer [X] per email en per post verstuurd.
Op 11 maart jl. heeft de heer [X] per email gereageerd op het verslag.
Het hoorverslag van 25 februari jl. en de reactie van de heer [X] van 11 maart jl. heb ik als bijlage opgenomen.”
3Geschil in hoger beroep In hoger beroep is in geschil of de aanslag ib/pvv voor het jaar 2019 verder verminderd dient te worden.
4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft, voor zover van belang in hoger beroep, het volgende overwogen: “Bron van inkomen 7. Eiser heeft een negatief resultaat uit overige werkzaamheden aangegeven. Ter zitting heeft eiser verklaard dat het geen resultaat uit overige werkzaamheden betreft, maar winst uit onderneming. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat dit resultaat/deze winst niet in aanmerking kan worden genomen, omdat geen sprake is van een bron van inkomen. Voordat de rechtbank aan de vraag toekomt of er sprake is van winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden, dient de vraag te worden beantwoord of er sprake is van een bron van inkomen.
Alimentatie 10. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij in 2009 in [land] echtscheiding heeft aangevraagd. De ex-echtgenote heeft eiser in 2010 in [land] aangeklaagd voor alimentatie.
In 201 1 heeft hij zijn ex-echtgenote - naar eigen zeggen - weer “teruggenomen” op aandringen van een [land] rechter en is de situatie feitelijk teruggedraaid. Hij is op 26 juni 201 1 opnieuw met haar in het huwelijk getreden. De ex-echtgenote is in 2012 samen met de kinderen weer bij eiser gaan wonen. In 2019 moest de ex-echtgenote de woning, in verband met een kort geding vonnis, verlaten. Dat heeft zij op 13 mei 2019 gedaan met medeneming van het jongste kind. Eiser heeft dat kind zeven jaar niet gezien. De ex-echtgenote heeft in een opvanghuis gewoond tot februari 2024, toen zij een woning toegewezen kreeg. Eiser is op 29 november 2019 een echtscheidingsprocedure gestart. De echtscheiding is uitgesproken op 9 november 2023. De ex-echtgenote is in 2019 een nieuwe alimentatieprocedure gestart in [land] , waarbij zij het deed voorkomen dat zij in [land] woonde, aldus nog steeds eiser.
BW) verplicht waren elkaar te onderhouden. Eiser stelt echter dat zij duurzaam gescheiden leefden en dat hij daarom - althans zo begrijpt de rechtbank zijn nadere standpunt - in 2019 een alimentatieverplichting jegens zijn ex-echtgenote had. Dat eiser en zijn ex-echtgenote in ieder geval vanaf het begin van 2019 niet meer met elkaar op goede voet stonden, acht de rechtbank aannemelijk gelet op wat eiser heeft gesteld over het indertijd gevoerde kort geding, gevolgd door het vertrek uit de woning van de ex-echtgenote met hun jongste dochter op 13 mei 2019. Daarbij acht de rechtbank aannemelijk hetgeen eiser naar voren heeft gebracht over hun vertrek uit de woning gevolgd door hun verblijf in een opvanghuis.
Verweerder heeft weliswaar gesteld dat de ex-echtgenote het gehele jaar 2019 in de Basisregistratie personen stond ingeschreven op het woonadres van eiser, maar de rechtbank acht aannemelijk dat de ex-echtgenote - ondanks haar vertrek uit de echtelijke woning - haar inschrijving niet heeft gewijzigd, waarbij de rechtbank mede in aanmerking neemt dat de jongste dochter sinds 13 mei 2019 haar briefadres bij de gemeente had.
Studiekosten en scholingsuitgaven 15. Op grond van artikel 6.27 van de Wet IB 2001 zijn scholingsuitgaven de uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie. In het hoorverslag staat - en eiser heeft dit ter zitting bevestigd - dat de door eiser in aftrek gebrachte scholingskosten niet zien op scholingskosten van eiser zelf, maar op kosten in verband met de studies van zijn kinderen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder de scholingskosten terecht niet in aftrek heeft toegelaten.
Specifieke zorgkosten 16. Eiser heeft in zijn aangifte ib/pvv 2019 een bedrag van € 4.462 in aftrek gebracht voor specifieke zorgkosten. Dit bedrag is volgens eiser opgebouwd uit tandartskosten, zorgverzekeringskosten, medicijnen die eiser heeft gekocht in Nederland en [land] , dieetkosten en extra uitgaven voor kleding en beddengoed. Eiser heeft ter onderbouwing van de door hem geclaimde tandartskosten een aanmaning overgelegd waarin enkel een notabedrag staat vermeld. Hij heeft echter niet de betreffende facturen overgelegd. Uit deze aanmaning is niet af te leiden of de daarin vermelde bedragen zien op het jaar 2019. Deze kosten komen dan ook niet voor aftrek in aanmerking. Dit geldt ook voor het bedrag van € 408,16, dat is betaald aan ‘ [bedrijf 3] ’. De rechtbank kan uit dit stuk niet opmaken wat voor kosten dit zijn. Voorts merkt de rechtbank op dat de incassokosten van € 40 op de aanmaning niet voor aftrek van specifieke zorgkosten in aanmerking komen; dit zijn namelijk kosten die zien op de inning en niet op de zorgkosten zelf. De premie die eiser heeft betaald voor zijn zorgverzekering is evenmin aftrekbaar. Dit volgt uit artikel 6.18 van de Wet 1B 2001 De kosten voor de aanschaf van hulpmiddelen ter ondersteuning van het gezichtsvermogen zijn sinds 2009 niet meer aftrekbaar, reeds daarom heeft verweerder terecht de kosten die eiser heeft gemaakt voor de aanschaf van een bril niet in aanmerking genomen. De medicijnkosten die eiser in [land] zou hebben gemaakt, zijn ook niet aftrekbaar, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze medicijnen door een arts zijn voorgeschreven. Eiser heeft gesteld in Nederland medicijnkosten ten bedrage van € 17,75 te hebben gemaakt. Hiervan komt uitsluitend een bedrag van € 11,75 voor aftrek in aanmerking. Dit bedrag is vermeld op de door eiser overgelegde factuur van een apotheek van 17 juli 2019. Uit die factuur kan worden afgeleid dat het middel is verstrekt op voorschrift van de huisarts. Van andere Nederlandse medicijnkosten heeft eiser geen bewijs geleverd.
De alleenstaande ouderenkorting 21. Op grond van artikel 8.18, lid 1, van de Wet IB 2001 geldt de alleenstaande ouderenkorting voor de belastingplichtige die in aanmerking komt voor een AOW-uitkering als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a, van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Uit dit artikelonderdeel volgt dat het moet gaan om een ongehuwde pensioengerechtigde. In artikel 1, lid 3, onder b, van de AOW is bepaald dat als ongehuwde mede wordt aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Zoals de rechtbank in rechtsoverweging 14 heeft overwogen, heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij en zijn ex-partner sinds 13 mei 2019 duurzaam gescheiden leefden. Dit betekent dus dat eiser in het kalenderjaar 2019 in aanmerking kwam voor een AOW-uitkering voor ongehuwden. Het vorenstaande heeft tot gevolg dat eiser recht heeft op de alleenstaande ouderenkorting. Voor de toekenning van de alleenstaande ouderenkorting is niet vereist dat eiser ook daadwerkelijk een AOW-uitkering voor ongehuwden heeft aangevraagd en ontvangen (vgl. gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21-07-2005, ECLI:NL:GHSHE:2005:AU2476).
Schending hoorrecht 22. Tijdens de zitting van 11 februari 2025 is komen vast te staan dat verweerder het hoorrecht had geschonden. De rechtbank heeft partijen daarop in de gelegenheid gesteld alsnog een hoorgesprek te laten plaatsvinden.
Slotsom 23. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond moet worden verklaard. Het belastbaar inkomen uit werk en woning dient te worden vastgesteld op € 18.359 en de aanslag ib/pvv 2019 en de beschikking belastingrente dienen dienovereenkomstig verminderd te worden.
Proceskosten en griffierecht 24. Eiser heeft verzocht om een vergoeding van de kosten die hij heeft gemaakt omdat hij zich door twee advocaten heeft laten bijstaan in gesprekken met de Belastingdienst. Die gesprekken waren volgens eiser nodig om de diverse procedures weer goed op gang te krijgen. Voor die bijstand heeft eiser in november 2021 een factuur ontvangen van € 2.000.
Kosten voor juridische rechtsbijstand komen enkel in aanmerking voor vergoeding indien deze rechtsbijstand is verleend in het kader van het geschil dat bij de rechtbank voorligt. Uit de declaratie die eiser heeft overgelegd, blijkt niet dat de kosten zien op werkzaamheden in verband met het onderhavige geschil. De rechtbank is daarom van oordeel dat de advocaatkosten die eiser heeft gemaakt, niet door verweerder aan eiser vergoed hoeven te worden. Nu eiser geen griffierecht heeft betaald, bestaat er evenmin aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding daarvan.”
5Beoordeling van het geschil in hoger beroep Hoorgesprek 5.1.
Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende aangevoerd dat, in weerwil van hetgeen in de rechtbankuitspraak onder het procesverloop is opgenomen, te weten dat op 20 februari 2025 een hoorgesprek heeft plaatsgevonden, er geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden over de voorliggende aanslag; daarom wil hij dat de zaak wordt teruggewezen naar de inspecteur. De inspecteur heeft verklaard dat wel een hoorgesprek op 20 februari 2025 heeft plaatsgevonden.
Nu uit de stukken van het geding (zie 2.3 tot en met 2.5) onmiskenbaar volgt dat op 20 februari 2025 een hoorgesprek heeft plaatsgevonden slaagt deze klacht van belanghebbende niet.
Hoogte inkomen 5. 2. Belanghebbende betoogt voorts in hoger beroep dat het belastbare inkomen uit werk en woning voor het jaar 2019 verder moet worden verminderd tot op € 1.351.
Hij heeft daartoe de volgende opstelling gemaakt: “VASTGESTELDE INKOMEN UIT WERK & WONING EUR 18.359 AF: RESULTAAT UIT OVERIGE WERKZAAMHEDEN --- 5.388 BETAALDE ALIMENTATIE AAN EX-PARTNER 7.500 -/- 758 --- 6.742 SPECIFIEKE ZORGKOSTEN 4.562 -/- 2.581 --- 1.981 STUDIE'S / SCHOLINGSUITGAVEN --- 2.897 BELASTBAAR INKOMEN MOET ZIJN EUR. 1.351”
Ook claimt belanghebbende (alsnog) starters- en zelfstandigenaftrek en “alleenstaande ouder (en) korting”.
Alimentatie 5.3.1.
De alimentatie die belanghebbende op grond van een uitspraak van [de instantie] in [land] aan [naam 7] moest betalen voorziet in zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. Belanghebbende heeft volgens de rechtbank aannemelijk gemaakt dat er voor de periode vanaf 13 mei 2019 sprake is van een situatie waarin belanghebbende en zijn ex-echtgenote duurzaam gescheiden leefden en dat vanaf dat moment recht op aftrek van partneralimentatie van € 100 per maand bestaat. Een hoger bedrag aan partneralimentatie acht de rechtbank niet aannemelijk (alsdan bestaat in 2019 recht op aftrek voor een bedrag van € 758, te weten € 58 voor de maand mei en € 100 voor elke volgende maand).
5.3.2.
In hoger beroep betoogt belanghebbende dat hij recht heeft op een hoger bedrag aan alimentatie dan door de rechtbank is vastgesteld (zie 5.2).
De inspecteur is het eens met het oordeel van de rechtbank.
5.3.3.
Nu de inspecteur geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld buigt het Hof zich niet over het oordeel van de rechtbank inzake het door haar in aftrek toegestane bedrag van partneralimentatie, doch alleen over het resterende (niet door de rechtbank in aftrek toegestane) bedrag aan gestelde partneralimentatie. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende ter zake geen aftrek toekomt nu door belanghebbende (op wie de bewijslast rust) ook in hoger beroep geen feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat het hier om een (aftrekbaar) bedrag aan partneralimentatie gaat. Al hetgeen belanghebbende in hoger beroep hieromtrent heeft aangevoerd werpt geen nieuw of ander licht op deze uitkomst.
Resultaat uit overige werkzaamheden 5.4. . Ook in hoger beroep is met al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd en uit de stukken naar voren komt niet aannemelijk geworden dat redelijkerwijs kon worden verwacht dat door belanghebbende duurzaam positieve voordelen waren te behalen ter zake van zijn activiteiten voor het reisbureau, [bedrijf 4] . De inspecteur heeft er daarnaast in hoger beroep nog op gewezen dat vanaf de start van de activiteiten in 2014 tot en met het jaar 2024 de resultaten negatief zijn. Ook het Hof is van oordeel dat het in de aangifte in aanmerking genomen negatieve resultaat uit overige werkzaamheden terecht niet in aftrek is toegelaten. Alsdan komt belanghebbende reeds om die reden niet in aanmerking voor de door hem -alsnog- geclaimde zelfstandigen– en startersaftrek. Voorts komt belanghebbende, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen (rechtsoverweging 9), op dit punt geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel toe.
De alleenstaande ouderenkorting en de alleenstaande ouderkorting 5.5.
De rechtbank heeft al terecht overwogen (rechtsoverweging 21) dat belanghebbende recht heeft op de alleenstaande ouderenkorting.
Nu de alleenstaande ouderkorting gold tot en met het jaar 2014 heeft belanghebbende voor het jaar 2019 hier geen recht op.
Specifiek zorgkosten 5.6.
Belanghebbende heeft in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat een hoger bedrag aan specifieke zorgkosten in aanmerking dient te worden genomen. Het Hof merkt op dat hetgeen in belanghebbende in hoger beroep aanvoert geen nieuw of ander licht op dit punt werpt.
Studiekosten en scholingsuitgaven 5.7.
Ook in hoger beroep heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de door hem in aftrek gebrachte kosten scholingsuitgaven voor het door een belastingplichtige volgen van een opleiding of studie in de zin artikel 6.27 van de Wet IB 2001 betreffen. Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat de door belanghebbende opgevoerde kosten (voor het volgen van een opleiding door de twee oudste kinderen aan een privéschool in [land] ) terecht door de inspecteur niet in aftrek zijn toegelaten.
Overig 5.8.
Belanghebbende heeft nog – samengevat – aangevoerd dat bij het opleggen van de aanslag en de behandeling van het bezwaar sprake is geweest van onzorgvuldigheid, partijdigheid en grensoverschrijdend gedrag van de inspecteur met als doel belanghebbende zijn rechten te ontnemen en ter bescherming van belastingambtenaren die zich schuldig zouden hebben gemaakt aan criminele activiteiten. Daarvan is echter niets gebleken.
5.9.
Belanghebbende heeft in hoger beroep nog aangevoerd dat zijn “proceskosten wegens inschakeling twee advocaten” hadden moeten worden vergoed. Uit de gedingstukken volgt niet dat belanghebbende voor de voorliggende zaak kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand heeft gemaakt. Belanghebbende stelt zelf de gedingstukken op en verschijnt in persoon ter zitting. Voorts valt de tot de gedingstukken behorende nota van [bedrijf 1] van 2 november 2021 zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet te koppelen aan de voorliggende zaak. Het bestaan van voor vergoeding in aanmerking komende kosten is (ook anderszins) niet aannemelijk gemaakt.
5.10.
Al hetgeen belanghebbende overigens in hoger beroep naar voren heeft gebracht leidt niet tot een andere conclusie.
Slotsom 5.11.
De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende niet slaagt en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dient te worden.
6Kosten Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.
7Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, F.J.P.M. Haas en J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 23 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: