Gerechtshof Amsterdam – ECLI:NL:GHAMS:2026:1353
GERECHTSHOF AMSTERDAM zaaknummer : 200.367.287 zaaknummer hoofdzaak : 200.218.242/01 OK en 200.218.242/02 OK Beslissing van de wrakingskamer van 20 mei 2026 op het wrakingsverzoek ingediend door de vennootschap naar het recht van Luxemburg Conservatrix Groep S.a.r.l., gevestigd te Luxemburg, hierna: CG, bijgestaan mr. W.A. Westenbroek en mr. H.M.W. Hompesch, advocaten te Amsterdam, 1De procedure 1.1.
De hoofdzaak betreft een verzoekschriftprocedure op grond van artikel 3:159ab Wet Financieel Toezicht (oud), waarin CG bij verzoekschrift, ingediend op 26 juni 2017, een verzoek heeft gedaan tot vaststelling van een aanvullende schadeloosstelling in verband met de verkoop van de door CG gehouden aandelen in Nederlandsche Algemeene Maatschappij van Levensverzekering ‘Conservatrix’ N.V. (hierna: Conservatrix) voor € 1,-, 1.2.
CG heeft bij op 9 april 2026 ingekomen schriftelijk stuk (hierna: het klaagschrift) vergezeld van 20 bijlagen en een inventarislijst de wraking verzocht van de raadsheren mr. A.W.H. Vink en mr. J.M. de Jongh (hierna gezamenlijk: de raadsheren), leden van de Ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam (hierna: de OK).
1.3.
De raadsheren hebben op 20 april 2026 ieder schriftelijk gereageerd op het verzoek tot wraking.
1.4.
Het wrakingsverzoek is op 29 april 2026 door de wrakingskamer behandeld. Op de zitting waren aanwezig dhr. [naam 3] namens CG, bijgestaan door mr. W.A. Westenbroek en mr. H.M.W. Hompesch, en de raadsheren. Belangstellenden van de wederpartij in de hoofdzaak waren aanwezig.
1.5.
Mr. Westenbroek heeft aan de hand van spreekaantekeningen - met daaraan gehecht een nog niet overgelegde productie - het woord gevoerd. Ook de raadsheren hebben het woord gevoerd.
2Het wrakingsverzoek en de standpunten daarover 2.1.
De gronden van het wrakingsverzoek blijken uit het klaagschrift en de toelichting in de spreekaantekeningen. Samengevat legt CG aan haar verzoek ten aanzien van mr. De Jongh ten grondslag:
Aan haar verzoek ten aanzien van mr. Vink legt CG – samengevat - ten grondslag dat, nu er gegronde vrees bestaat om te twijfelen aan de onpartijdigheid en objectiviteit van mr. De Jongh , dit ook raakt aan de onpartijdigheid en objectiviteit van de voorzitter, nu deze ten aanzien van de betrokken wrakingsgronden reeds standpunten heeft ingenomen in reacties in zijn hoedanigheid als voorzitter ten aanzien van de bezwaren tegen mr. De Jongh . Hierbij moet mede in aanmerking worden genomen dat de afwijzende beslissing van de OK op het verzoek van CG, is genomen onder het voorzitterschap van mr. Vink nadat mr. De Jongh zijn bericht op LinkedIn plaatste en de voorzitter dat bericht dus kennelijk evenmin ontoelaatbaar acht, gelet op de reacties namens mr. Vink en mr. De Jongh van 2 april 2026. CG neemt verder aan dat binnen de OK al langer bekend was dat de broer van mr. De Jongh als partner was verbonden aan A&O en dat hierover onder voorzitterschap van mr. Vink binnen de combinatie zoals te doen gebruikelijk overleg is gepleegd zonder dat dit tot een wijziging van de combinatie heeft geleid. De enkele reële mogelijkheid dat hierdoor beslissingen van de OK als rechtsprekend orgaan in het verleden (mogelijk onbedoeld en onbewust) mede zouden kunnen zijn beïnvloed door mogelijke (onbedoelde en onbewuste) vooringenomenheid van mr. De Jongh , rechtvaardigt ook de objectieve vrees van partijdigheid ten aanzien van de voorzitter.
2.2.
De raadsheren hebben in hun schriftelijke reacties meegedeeld dat zij niet in het verzoek tot wraking berusten.
Samengevat voert mr. De Jongh het volgende aan naar aanleiding van de wrakingsgronden:
Mr. Vink heeft in zijn reactie vermeld:
3De beoordeling Juridisch kader 3.1.
Artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) houdt in dat op verzoek van een partij, elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren van de OK.
3.2.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als hij tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Uitgangspunt is dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van uitzonderlijke omstandigheden. Het moet dan gaan om omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.
Aanvullende wrakingsgronden 3.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft CG nog de volgende gronden aan het verzoek toegevoegd.
Ten aanzien van mr. Vink :
Ten aanzien van mr. De Jongh :
3.4.
De wrakingskamer stelt voorop dat het hier om nieuw aangevoerde omstandigheden gaat, die niet (onmiskenbaar) deel uitmaken van de in het wrakingsverzoek van 9 april 2026 aangevoerde wrakingsgronden. Om die reden kunnen deze omstandigheden niet bij de beoordeling van het wrakingsverzoek worden betrokken. Artikel 37, derde lid, Rv vereist immers dat alle wrakingsgronden tegelijk worden voorgedragen. Het doel van dit voorschrift is dat onnodige vertraging wordt voorkomen. Nieuwe omstandigheden worden alleen in de beoordeling betrokken als deze pas na indiening van het wrakingsverzoek bekend zijn geworden. Dat de beslissing op het verzoek van 9 februari 2026 (mede) is genomen door mr. Vink die ook bij de beschikking van 31 juli 2025 was betrokken, was CG reeds voor indiening van het wrakingsverzoek bekend.
Voor zover CG stelt dat de beslissing niet (gemandateerd) door mr. Vink namens de combinatie van de OK die de zaak behandelt genomen had kunnen worden, geldt bovendien dat dit een processuele beslissing betreft die – behoudens buitengewone omstandigheden die niet zijn voorgedragen - geen grond voor wraking oplevert.
Beoordeling in deze zaak Mr. De Jong h 3.5.
De eerste wrakingsgrond houdt - zoals hiervoor uiteengezet - in dat mr. De Jongh zich op sociale media (LinkedIn) suggestief heeft uitgelaten over een nog lopende zaak bij de OK, waarin CG is betrokken en waarover mr. De Jongh eerder zelf heeft geoordeeld en ook nog dient te oordelen, terwijl vlak daarna een combinatie van de OK waarin mr. De Jongh zitting heeft, afwijzend heeft beslist op het verzoek van CG om zich te mogen uitlaten over de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2026, welke beschikking naar de mening van CG van belang is voor de beoordeling van de zaak.
3.6.
Voor een goede beoordeling van deze wrakingsgrond is het nodig de context, waarbinnen de “gewraakte” mededeling door mr. De Jongh is gedaan, in ogenschouw te nemen. Daarbij zijn de volgende feiten van belang:
Op verzoek van DNB heeft de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 15 mei 2017 - kort gezegd - bepaald dat alle aandelen in Conservatrix worden overgedragen aan Trier tegen betaling van € 1,-. Het door CG ingestelde cassatieberoep tegen deze beschikking is door de Hoge Raad verworpen bij beschikking van 17 mei 2019.
In een daarop volgende procedure bij de OK (met zaaknummer 200.218.242/01) op grond van artikel 3:159ab Wet Financieel Toezicht (oud) heeft CG de OK verzocht een aanvullende schadeloosstelling vast te stellen omdat volgens haar de waarde van de aandelen in Conservatrix op 15 mei 2017 aanzienlijk hoger was dan de door Trier betaalde prijs van € 1,- (hierna ook: de schadeloosstellingsprocedure).
Bij beschikking van 24 augustus 2021 heeft de OK in de schadeloosstellingsprocedure overwogen dat zij een deskundigenonderzoek zal gelasten ter beantwoording van de vraag naar de waarde van de aandelen in Conservatrix per 15 mei 2017. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de te benoemen deskundigen en de aan deze deskundigen te stellen vragen.
Bij beschikking van 20 december 2024 heeft de OK in de schadeloosstellingsprocedure deskundigen benoemd en hen verzocht een plan van aanpak en een begroting op te stellen. Mr. De Jongh maakte deel uit van de combinatie die deze beschikking heeft gegeven.
Op 14 mei 2025 heeft de OK in de schadeloosstellingsprocedure aan (onder andere) CG een e-mailbericht van 12 mei 2025 doorgestuurd, waaruit volgde dat één van de deskundigen diende te worden vervangen en waarin een nieuwe deskundige werd voorgesteld.
Bij brief van 20 mei 2025 in de schadeloosstellingsprocedure heeft CG bezwaar gemaakt tegen benoeming van de nieuwe deskundige.
Daarnaast heeft CG bij verzoekschrift van diezelfde datum de OK verzocht de beschikkingen van de OK van 24 augustus 2021 en 20 december 2024 te herroepen, althans terug te komen op een aantal bindende eindbeslissingen in die beschikkingen en het deskundigenonderzoek met directe ingang aan te houden. Tevens is verzocht de Staat te bevelen een aantal stukken aan CG over te leggen.
CG heeft op 20 mei 2025 tevens bij de rechtbank Amsterdam een verzoekschrift ingediend strekkende tot herroeping van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2017 en daarbij overlegging van dezelfde stukken ex. artikel 195 Rv verzocht.
Bij beschikking van 4 juni 2025 (in de zaak met zaaknummer 200.218.242/01) heeft de OK in de schadeloosstellingsprocedure de bezwaren tegen de deskundige afgewezen, het voorschot op de kosten van het onderzoek door deskundigen bepaald en bepaald dat de Staat en CG ieder voor de helft het voorschot zullen dragen. Het verzoek van CG om aanhouding heeft de OK afgewezen. Daartoe heeft de OK overwogen dat de procedure bij de OK in de kern alleen de vraag betreft of de Staat aan CG een aanvullende schadeloosstelling dient te betalen en dat de OK in het kader van deze procedure vooralsnog heeft uit te gaan van de juistheid van de beschikking van de rechtbank van 15 mei 2017. Mr. De Jongh maakte deel uit van de combinatie die deze beschikking heeft gegeven.
Bij beschikking van 31 juli 2025 (met zaaknummers 200.218.242/01 en 200.218.242/02) heeft de OK het verzoek tot herroeping van CG afgewezen. Daarbij heeft de OK (onder andere) overwogen dat niet aannemelijk is dat de rechtbank Amsterdam tot een andere beslissing zou zijn gekomen als daarbij was meegewogen dat de door Trier op grond van het overdrachtsplan te verschaffen kapitaalversterking van Conservatrix om tot een solvabiliteitsratio van 135% te komen (deels) bestond uit de met CBL gesloten Herverzekering. Ook de overige verzoeken van CG zijn afgewezen, waaronder verzoeken om terug te komen op (bindende eind)beslissingen in de beschikkingen van 24 augustus 2021, 20 december 2024 of 4 juni 2025.
CG heeft de OK in de schadeloosstellingsprocedure begin september 2025 meegedeeld niet tot betaling van het voorschot over te gaan. Daarop heeft de OK bij e-mail van 8 september 2025 aan partijen meegedeeld dat zij over het verdere verloop (in de zaak met zaaknummer 200.218.242/01) bij beschikking zal beslissen. De uitspraak is vervolgens een aantal malen aangehouden.
Bij beschikking van 5 februari 2026 heeft de rechtbank Amsterdam CG niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om herroeping. Daarbij heeft de rechtbank echter, buiten de dragende overwegingen die leiden tot niet-ontvankelijkverklaring, geoordeeld dat inderdaad sprake is van “bedrog in het geding gepleegd” als bedoeld in artikel 382 onder a Rv, kort gezegd omdat de herverzekering (naast kapitaalstorting) als onderdeel van het bereiken van de benodigde solvabiliteit door Conservatrix door DNB buiten de procedure is gehouden. Daardoor heeft geen volwaardig debat kunnen plaatsvinden over de vraag of minder vergaande maatregelen (alternatieven) mogelijk waren geweest om Conservatrix te ‘redden’. DNB heeft bij beroepschrift van 18 februari 2026 hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking.
De beschikking van 5 februari 2026 heeft geleid tot Kamervragen.
In het Financieel Dagblad van 6 februari 2026 is een artikel opgenomen met de titel ‘DNB pleegde bedrog bij onteigening Conservatrix, oordeelt rechter’.
Op of omstreeks 7 februari 2026 heeft prof. [naam 4] (hierna: [naam 4] ) op zijn LinkedIn pagina (onder andere) de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2026 besproken onder de kop ´Evident onredelijk en bedrog’ met als onderkop: ‘Het is niet de maand van de toezichthouders, wel die van onze rechtspraak’, met daaronder een verwijzing naar het artikel daarover in het Financieel Dagblad. Het bericht bevat onder meer de melding “Nog opvallender is het oordeel van de rechter […] dat DNB bedrog heeft gepleegd in de procedure rondom Conservatrix”.
Op of omstreeks 7 of 8 februari 2026 heeft mr. De Jongh onder deze post op LinkedIn het volgende geschreven: “De Ondernemingskamer wees eerder een herroepingsverzoek in Conservatrix af. Oordeel zelf:”. De daarop volgende link in het bericht verwijst naar de hiervoor genoemde beschikking van de OK van 31 juli 2025 (met zaaknummers 200.218.242/01 en 200.218.242/02).
Op 9 februari 2026 heeft CG de beschikking van de rechtbank Amsterdam aan de OK toegezonden. Daarbij heeft CG verzocht zich in de schadeloosstellingsprocedure te mogen uitlaten over deze nieuwe ontwikkeling alvorens de OK (eind)uitspraak zou doen.
De secretaris van de OK heeft CG bij e-mail van 18 februari 2026 namens de OK meegedeeld dat de OK geen aanleiding zag om partijen in de bij de OK lopende procedure in de gelegenheid te stellen zich (bij akte of regiezitting) uit te laten over de voortzetting van de procedure.
De (eind)uitspraak in de schadeloosstellingsprocedure (in de zaak met zaaknummer 200.218.242/01) is daarna wederom aangehouden, laatstelijk tot 14 mei 2026.
3.7.
Wat betreft de uitlating van mr. De Jongh op LinkedIn, stelt de wrakingskamer voorop dat, zoals hiervoor onder 3.6 uiteengezet, de OK in haar beschikking van 31 juli 2025 heeft geoordeeld dat het herroepingsverzoek van CG om meerdere redenen geen kans van slagen heeft, terwijl de rechtbank Amsterdam ruim een half jaar later in haar beschikking van 5 februari 2026 heeft geoordeeld dat de beslissing van de rechtbank op het oorspronkelijke verzoek in 2017 berust op bedrog door DNB in het geding gepleegd en dat de door CG aangevoerde herroepingsgrond door de rechtbank dan ook in beginsel voor juist wordt gehouden. Van deze laatste beschikking heeft DNB hoger beroep ingesteld, aanhangig bij dit gerechtshof. Verder heeft deze laatste beschikking geleid tot (onder andere) Kamervragen, het genoemde artikel in het Financieel Dagblad en een korte bespreking van deze beschikking door [naam 4] op zijn LinkedIn pagina.
3.8.
De wrakingskamer stelt vast dat mr. De Jongh zich, met zijn post op de LinkedIn pagina van [naam 4] begin februari 2026, met de hiervoor aangehaalde uitlating “De Ondernemingskamer wees eerder een herroepingsverzoek in Conservatrix af. […]” met een link naar de beschikking van de OK van 31 juli 2025, heeft gemengd in het publieke debat over een zaak, waarin nog door een zittingscombinatie van de OK waarvan mr. De Jongh deel uitmaakt, (verder) beslist moet worden. Het betreft dan de schadeloosstellingsprocedure, waarin Conservatrix partij is.
De wrakingskamer constateert dat ten tijde van de uitlating de termijn voor het instellen van hoger beroep van de beschikking van de rechtbank van 5 februari 2026 nog liep en dat de beschikking van de OK van 31 juli 2025 nog bij de Hoge Raad voorligt.
De wrakingskamer stelt daarnaast vast dat de procedures die hebben geleid tot de uitspraken van (laatstelijk) 4 juni 2025 enerzijds en 31 juli 2025 anderzijds met elkaar verweven zijn. In de beschikking van 31 juli 2025 (die niet door een combinatie is gewezen, waarin mr. De Jongh zitting had) zijn beslissingen aan de orde die direct doorwerken in de schadeloosstellingsprocedure, in welke zaak als gezegd mr. De Jongh wel deel uitmaakt(e) van de combinatie. Bovendien betrof de (mede namens mr. De Jongh genomen) beslissing van de OK op 18 februari 2026 – dus daags na de post door mr. De Jongh op LinkedIn – de afwijzing van het verzoek van CG om het debat in de schadeloosstellingsprocedure te heropenen vanwege - kort gezegd - het in de uitspraak van de rechtbank van 5 februari 2026 geconstateerde bedrog.
3.9.
CG wijst terecht erop dat deze gang van zaken niet in overeenstemming is met de NVvR-rechterscode 2026, waarin onder 2.3 (onder andere) wordt bepaald dat rechters zich niet in het openbaar uitlaten over hun eigen zaken of over zaken van collega’s. Uitzonderingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld in het kader van onderwijs of voorlichting, maar ook dan is de rechter zich bewust van de noodzaak terughoudend te zijn.
Terughoudendheid in deze zin is (ook) vanuit wrakingsperspectief geboden, omdat een uitlating in het openbaar het gevaar in zich draagt dat zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.10.
Mr. De Jongh voert aan dat hij met zijn opmerking: “De Ondernemingskamer wees eerder een herroepingsverzoek in Conservatrix af. Oordeel zelf”, slechts de rechtspraktijk heeft willen wijzen op het verschil tussen de uitspraken van de OK en de rechtbank en heeft uitgenodigd tot inhoudelijke kritiek op rechtbank én OK. Volgens mr. De Jongh nam hij dus niet deel aan het debat, maar nodigde hij slechts uit tot debat.
CG heeft daarentegen het standpunt ingenomen dat de post een reactie vormde op het hierboven vermelde bericht van [naam 4] en het artikel in het FD. De suggestie is daarmee volgens CG gewekt dat mr. De Jongh met zijn post en de opmerking “Oordeel zelf” bedoelde tegengas te geven tegen de daarin besproken beschikking van de rechtbank.
De wrakingskamer overweegt dat mr. De Jongh een link heeft gepost naar een uitspraak van de OK, terwijl hij zelf deel uitmaakt van de OK. Ook al maakte mr. De Jongh zelf niet deel uit van de combinatie die deze uitspraak deed, is de wrakingskamer van oordeel dat met de uitnodiging van mr. De Jong , met name gelet op de sterke verwevenheid van deze uitspraak met de schadeloosstellingsprocedure waarbij hij wel betrokken is, objectief de schijn kan zijn gewekt dat hij die uitspraak onderschrijft. Daarbij acht de wrakingskamer van belang dat het bericht van [naam 4] aan de orde stelde dat toezichthouders in korte tijd twee keer (ernstig) op de vingers zijn getikt. De wijze waarop mr. De Jongh zijn bericht heeft geformuleerd, waarbij het gaat om het gebruik van de woorden “Oordeel zelf” na de opmerking dat de OK eerder een herroepingsverzoek “in Conservatrix” afwees, kan in deze context objectief gezien als tegenwicht worden opgevat en kan daarmee als niet neutraal worden geïnterpreteerd.
3.11.
Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden komt de wrakingskamer tot de vaststelling dat de vrees objectief gerechtvaardigd is dat mr. De Jongh ten aanzien van de hoofdzaak (de schadeloosstelingsprocedure) vooringenomen is. De wrakingskamer benadrukt dat hiermee niet is uitgesproken dat mr. De Jongh daadwerkelijk (subjectief) partijdig is, maar dat onder de beschreven omstandigheden voor de externe waarnemer objectief beschouwd de schijn van partijdigheid kan zijn gewekt. Het verzoek tot wraking zal daarom worden toegewezen.
3.12.
De tweede wrakingsgrond betreffende mr. De Jongh met betrekking tot het feit dat zijn broer als partner bij het advocatenkantoor A&O werkzaam is, kan daarmee buiten bespreking blijven.
Mr. Vink 3.13.
De wrakingsgrond ten aanzien van mr. Vink houdt in - zoals hiervoor onder 2.1 uiteengezet - dat, nu er gegronde vrees bestaat om te twijfelen aan de onpartijdigheid en objectiviteit van mr. De Jongh , dit ook raakt aan de onpartijdigheid en objectiviteit van mr. Vink . Mr. Vink heeft namelijk in zijn hoedanigheid van voorzitter van de combinatie omtrent de ten aanzien van mr. De Jongh naar voren gebrachte wrakingsgronden reeds standpunten ingenomen, zoals allereerst blijkt uit zijn reactie aan CG van 2 april 2026 op de klachtbrief van CG van 13 maart 2026 aan het gerechtsbestuur van het hof. Daarnaast blijkt zulks uit de e-mail van eveneens 2 april 2026, waarin namens mr. De Jongh wordt ingegaan op zijn bericht op LinkedIn en op het feit dat zijn broer als partner bij A&O werkzaam is. CG leidt uit deze berichten af dat mr. Vink het door mr. De Jongh op LinkedIn geplaatste bericht kennelijk evenmin ontoelaatbaar acht. Ook heeft het feit dat de broer van mr. De Jongh bij A&O werkzaam is, niet ertoe geleid dat mr. Vink tot een wijziging van de combinatie is overgegaan.
3.14.
Om met dat laatste te beginnen: het is niet aan mr. Vink in zijn hoedanigheid van voorzitter van de OK dan wel van de combinatie die over een zaak oordeelt, om te bepalen of leden van die combinatie zich wel of niet zouden moeten verschonen. Het is aan de individuele raadsheren zelf om te bepalen of zij vrij staan een zaak te behandelen en aldus deel uit te (blijven) maken van de combinatie die op de zaak zit.
3.15.
Wat betreft de e-mail van 2 april 2026, waarin de secretaris van de OK ingaat op de uitlatingen van mr. De Jongh op LinkedIn, stelt de wrakingkamer voorop dat deze e-mail namens mr. De Jongh is geschreven. De bedoelde passage luidt: “ Mr. De Jongh meent overigens dat het feit dat hij op LinkedIn heeft verwezen naar een herroepingsbeschikking van de Ondernemingskamer evenmin afbreuk doet aan zijn rechterlijke onpartijdigheid. Dat bericht behelsde immers niet meer dan een neutrale verwijzing naar een uitspraak in een op zichzelf staande procedure waarbij hij niet betrokken was. Mr. De Jongh geeft regelmatig voorlichting over rechtspraak van de Ondernemingskamer, onder meer in vakpublicaties, cursussen, hoorcolleges, op congressen en op social media. Dat is hier niet anders.” Uit niets blijkt dat deze e-mail van de hand van mr. Vink is geweest dan wel dat daarin het standpunt van mr. Vink wordt weergegeven.
3.16.
De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat bedoelde e-mail geen zwaarwegende reden vormt om aan te nemen dat mr. Vink vooringenomenheid koestert ten aanzien van CG of haar standpunten in de hoofdzaak, laat staan van een objectief gerechtvaardigde vrees van CG voor vooringenomenheid van mr. Vink . Bijkomende feiten en omstandigheden die een dergelijke vrees wel kunnen rechtvaardigen, zijn niet gebleken. Dat mr. Vink in het kader van zijn verweer in de wrakingsprocedure heeft aangegeven dat hij geen moeite heeft met het LinkedIn bericht van mr. De Jongh is niet zo’n bijkomende omstandigheid.
3.17.
Een en ander leidt tot de volgende beslissing.
4De beslissing De wrakingskamer:
Deze beslissing is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. A.R. Sturhoofd en mr. J.F. Aalders, in tegenwoordigheid van mr. C. van der Laan als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.