ECLI:NL:GHAMS:2026:1358
GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummer: 200.357.461/01 zaaknummer rechtbank: C/15/359078 FA RK 24-6295 (huwelijksvermogensrecht) beschikking van de meervoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak van [de vrouw] , wonende te [plaats A] , verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. D.E. de Boer te Heerhugowaard, en [de man] , wonende te [plaats B] , verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. T. Esen te Zaandam.
1De zaak in het kort De zaak gaat over de verdeling van de echtelijke woning in het kader van de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De rechtbank heeft overwogen dat de woning in de echtscheidingsprocedure tussen de man en zijn ex-partner onverdeeld is gebleven en dat zijn ex-partner daarom nog steeds voor de helft eigenaar is van de woning. De rechtbank heeft daarom voor recht verklaard dat de vrouw gerechtigd is tot 25% van de overwaarde, zijnde de helft van het in de gemeenschap gevallen aandeel van de man in de woning. De vrouw is het hier niet mee eens en wil - kort gezegd - dat de woning aan de man wordt toebedeeld of wordt verkocht aan een derde, waarna de man de helft van de overwaarde, na aftrek van het restbedrag dat de man nog verschuldigd is aan zijn ex-partner, aan de vrouw voldoet. De man is het wel eens met deze beslissing van de rechtbank.
2De procedure in hoger beroep 2.1 De vrouw is op 25 juli 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank) van 1 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking).
2.2 De man heeft op 1 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3 Het hof heeft daarnaast het volgende stuk ontvangen:
2.4 De zitting heeft op 15 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
Partijen hebben de zaak doen toelichten door hun advocaten, die zich daarbij hebben bediend van pleitnotities, die aan het hof zijn overgelegd.
2.5 Op 10 februari 2026 heeft de man, zoals ter zitting is afgesproken, een nadere schriftelijke reactie gegeven op de vragen die het hof partijen tijdens de mondelinge behandeling heeft voorgelegd.
3De feiten 3.1 Partijen zijn [in] 2010 te [plaats B] gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen. Hun huwelijk is op 28 augustus 2025 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 1 mei 2025 in de registers van de burgerlijke stand.
3.2 Tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoort onder andere (een deel van) de woning gelegen aan de [A-straat] in [plaats B] (hierna: de woning).
4De omvang van het hoger beroep 4.1 Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, voor recht verklaard dat de vrouw gerechtigd is tot 25% van de overwaarde, zijnde de helft van het in de gemeenschap gevallen aandeel van de man in de woning.
4.2 De vrouw verzoekt primair te bepalen: de verdeling van de woning te gelasten/vast te stellen, in die zin dat:
Subsidiair verzoekt de vrouw:
Meer subsidiair verzoekt de vrouw een verklaring voor recht af te geven dat de vrouw gerechtigd is tot 50% van de overwaarde van de woning, welke de man dient te voldoen binnen 6 weken na de beschikking in hoger beroep.
In alle gevallen verzoekt de vrouw de man te bevelen op grond van artikel 843a Rv binnen een door het hof te bepalen termijn een afschrift te verstrekken van een volledig nog op te stellen taxatierapport van de woning, opgemaakt door Brantjes Makelaars, inclusief alle bijlagen en onderliggende stukken (zoals meetrapporten, foto's en onderbouwing van de waardebepaling) en onder de voorwaarden zoals geformuleerd onder punt 27/28 van het appelrekest.
4.3 De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel de verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5De motivering van de beslissing Peildatum omvang en waardering 5.1 Als peildatum voor het bepalen van de omvang van de ontbonden huwelijksgemeenschap heeft te gelden de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, te weten 18 maart 2024. Als peildatum voor de waardering de van goederen die tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoren, geldt de datum van feitelijke verdeling.
Woning en hypothecaire geldlening 5.2 De rechtbank heeft in de bestreden beschikking onder 3.8 overwogen dat de woning in de echtscheidingsprocedure tussen de man en mevrouw [naam 1] onverdeeld is gebleven en mevrouw [naam 1] daarom nog steeds voor de helft eigenaar is van de woning. De rechtbank heeft overwogen dat geen beslissing kan worden genomen over de woning, omdat mevrouw [naam 1] geen partij is in deze procedure. De rechtbank heeft voor recht verklaard dat de vrouw gerechtigd is tot 25% van de overwaarde, zijnde de helft van het in de gemeenschap gevallen aandeel van de man in de woning.
5.3 De vrouw richt haar eerste grief tegen de overweging van de rechtbank onder 3.8. Zij wijst er op dat de woning tussen de man en mevrouw [naam 1] niet onverdeeld is gebleven. De vrouw stelt dat volgens het echtscheidingsconvenant tussen de man en mevrouw [naam 1] de woning aan de man is toegedeeld en dat blijkens het Kadaster de man als enig eigenaar is geregistreerd. Daarmee valt de woning volledig in de gemeenschap. De notariële levering betreft enkel een uitvoeringshandeling en laat het toedelingskarakter onverlet.
Met haar vierde grief stelt de vrouw aan de orde dat de rechtbank ten onrechte van oordeel is geweest dat aan haar verzoeken om - kort gezegd - te komen tot verkoop van de woning niet kan worden toegekomen, nu de woning tussen de man en mevrouw [naam 1] onverdeeld is gebleven. De vrouw betoogt dat de man en mevrouw [naam 1] afspraken hebben gemaakt die zien op de toedeling van de woning, inclusief de daarmee samenhangende verplichtingen, welke afspraken hun doorwerking hebben in de tweede gemeenschap. Dat betekent dat de woning in de gemeenschap valt, inclusief de nog openstaande schuldregeling jegens mevrouw [naam 1] . Het openstaande bedrag van € 25.125,- dient, naast de hypotheekschuld, van de waarde van de woning te worden afgetrokken, waarna de vrouw aanspraak kan maken op de helft van de resterende overwaarde, aldus de vrouw.
5.4 Het hof heeft partijen ter zitting in hoger beroep voorgehouden dat het, vanwege de toelichting op deze grieven, rekening houdt met de mogelijkheid dat het tot een ander oordeel komt dan de rechtbank. Dit zou kunnen inhouden, dat naast het (goederenrechtelijk) aan de man toebehorende aandeel in de onverdeelde helft van de woning, ook de (verbintenisrechtelijke) vordering van de man op mevrouw [naam 1] , zoals voorvloeiende uit het echtscheidingsconvenant, in de gemeenschap is gevallen. Het hof heeft partijen vervolgens voorgehouden dat het hof zich in dit verband moet afvragen of het subsidiaire verzoek van de vrouw, te weten de verkoop van de woning en verdeling bij helfte van de verkoopopbrengst, na aftrek van de hypothecaire geldlening alsmede het restbedrag dat de man nog verschuldigd is aan mevrouw [naam 1] , voor toewijzing in aanmerking zou kunnen komen.
5.5 De man heeft tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld het niet eens te zijn met deze benadering, en hij heeft zijn standpunt uitgewerkt in de akte uitlaten van 10 februari 2026. De man is van mening dat het voornemen van het hof - zoals door de man begrepen - om de overwaarde bij helfte te verdelen uitgaat van een onjuiste eigendomsstructuur, omdat mevrouw [naam 1] nog steeds voor 50% eigenaar is van de woning, aangezien artikel 3:89 BW een notariële akte en inschrijving voor eigendomsoverdracht van registergoederen vereist. Het echtscheidingsconvenant creëerde een geldige titel voor eigendomsoverdracht en een verbintenis tot levering door mevrouw [naam 1] van haar aandeel in de woning aan de man, maar voor de daadwerkelijke eigendomsovergang is naast een geldige titel ook een leveringshandeling vereist. Omdat dit achterwege is gebleven, is slechts het aandeel van de man van 50% in de huwelijksgemeenschap gevallen, zodat de vrouw recht heeft op 25% van de overwaarde.
Het echtscheidingsconvenant heeft daarnaast ook een vorderingsrecht in het leven geroepen: het recht van de man jegens mevrouw [naam 1] op medewerking aan de notariële levering van haar onverdeelde helft van de woning. Het vorderingsrecht is dan ook in de gemeenschap gevallen. De waarde van het vorderingsrecht betreft 50% van de actuele woningwaarde minus de restschuld aan mevrouw [naam 1] , die € 25.125,- bedraagt. Dat vorderingsrecht dient aan de man te worden toegedeeld, waarbij de vrouw recht heeft op de helft van de waarde.
Daarnaast is de man van mening dat het hof de verkoop van de woning niet kan bevelen, omdat mevrouw [naam 1] geen partij is in deze procedure. Een bevel tot verkoop van de gehele woning zou de facto neerkomen op een beschikking over het eigendomsrecht van een niet-partij, hetgeen in strijd is met de fundamentele beginselen van procesrecht. Verkoop van de woning, zonder dat mevrouw [naam 1] in de procedure is betrokken, zou haar eigendomsrecht schenden, zoals neergelegd in artikel 1 Eerste Protocol EVRM en in strijd zijn met het beginsel van hoor en wederhoor (artikel 6 EVRM), aldus de man.
5.6 Het hof overweegt dat de man en mevrouw [naam 1] in de wettelijke gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd zijn geweest [in] 1977 tot 11 april 2007. In het echtscheidingsconvenant van 5 maart 2007 hebben zij het volgende opgenomen ten aanzien van de woning die tot deze wettelijke gemeenschap behoorde: “3.4 Aan de man worden toebedeeld de navolgende activa: (…)
3.6 De man zal het in artikel 3.5 genoemde bedrag in tien jaar aan de vrouw voldoen in gelijke maandelijkse termijnen ter hoogte van € 375,- door storting van dit bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer] (Spaarbeleg). Indien de storting niet tijdig plaatsvindt is de man zonder verdere aanmaning in verzuim en is hij aan de vrouw over het niet betaalde bedrag, zolang hij in verzuim is, een rente verschuldigd, gelijk aan de wettelijke rente.
3.7 De vrouw zal, tot meerdere zekerheid voor de terugbetaling van de uitkering wegens overbedeling van de man een recht van tweede hypotheek vestigen op de woning gelegen aan de [A-straat] te [plaats B] . Binnen 30 dagen na ondertekening van dit convenant zal de vrouw een hypotheekakte doen verlijden bij notariskantoor [naam 2] te [plaats B] . In de hypotheekakte zal een regeling omtrent de terugbetaling van de hoofdsom (conform artikel 3.6 van dit convenant), de opeisbaarheid en de overige met de uitkering van het bedrag samenhangende regelingen worden opgenomen. De kosten van deze akte zijn voor rekening van beide partijen. Partijen dragen de kosten bij helfte.
3.8 Partijen geven hierbij opdracht aan notariskantoor [naam 2] te [plaats B] om, nadat de echtscheiding tot stand gekomen is, een notariële akte te verlijden waarbij de onroerende zaak aan de [A-straat] te [plaats B] aan de man geleverd wordt en daarbij te constateren dat partijen ter zake van de verdeling (met uitzondering van artikel 3.5 en 3.6) niets meer van elkaar te vorderen hebben, over en weer kwijting hebben verleend en afstand hebben gedaan ontbinding van de overeenkomst te vorderen. De kosten van deze akte en de verdere kosten verbonden aan de inschrijving zijn voor rekening van belde partijen. Partijen dragen de kosten bij helfte.
3.9 Partijen zullen ervoor zorg dragen dat de vrouw wordt ontslagen uit haar verplichtingen uit hoofde van de lening waarvoor een hypotheek is gevestigd op de onroerende zaak gelegen aan de [A-straat] te [plaats B] .”
5.7 In het convenant is dus onder 3.4 opgenomen dat de woning aan de man wordt toebedeeld (waarbij de man ook de daaraan verbonden hypotheekschuld voor zijn rekening neemt). In het dictum van de echtscheidingsbeschikking van 27 maart 2007 is vervolgens de naleving van het convenant als verplichting van partijen opgenomen. Daarmee is in beginsel gegeven dat ook (de vordering tot levering van) het aan de man toebedeelde aandeel van mevrouw [naam 1] onderdeel vormt van de vervolgens [in] 2010 ontstane huwelijksgemeenschap met de vrouw De man en mevrouw [naam 1] hebben nog geen volledige uitvoering gegeven aan het echtscheidingsconvenant, aangezien het aan de man toebedeelde aandeel van mevrouw [naam 1] in de woning nog niet aan de man is geleverd en de man van het bedrag van € 45.000,- nog een deel aan mevrouw [naam 1] moet betalen. Mevrouw [naam 1] is ook nog steeds hoofdelijk aansprakelijk voor de hypotheek en zij heeft geen tweede hypotheek ter zekerheidsstelling op de woning gevestigd.
5.8 Het voorgaande betekent volgens het hof dat, anders dan de vrouw primair stelt, niet de volledige woning, maar slechts de onverdeelde helft van de woning in de gemeenschap is gevallen. Dat de man als enig eigenaar staat vermeld in het Kadaster is daarbij niet leidend. De woning, althans het aandeel van mevrouw [naam 1] daarin, is weliswaar verbintenisrechtelijk verdeeld, maar goederenrechtelijk nog niet overgegaan op de man, omdat mevrouw [naam 1] haar aandeel in de woning niet per notariële akte aan de man heeft geleverd en zij dus nog mede-eigenaar is van de woning.
5.9 Anders dan de rechtbank is het hof echter van oordeel dat, naast het onverdeelde aandeel van de man in de woning, ook het vorderingsrecht van de man op mevrouw [naam 1] tot medewerking aan de notariële levering van haar onverdeelde helft van de woning en de daar tegenoverstaande openstaande schuld aan mevrouw [naam 1] in de huwelijksgemeenschap zijn gevallen. Dit punt lijkt ook niet langer in geschil tussen partijen, gelet op de inhoud van de akte uitlaten van de man van 10 februari 2026. Uit de door de man in hoger beroep overgelegde verklaring van mevrouw [naam 1] volgt dat de man nog een bedrag van € 25.125,- aan haar moet betalen. De man heeft dit ter zitting in hoger beroep bevestigd. Mevrouw [naam 1] lijkt in haar brief ook de verschuldigde wettelijke rente te vorderen over dit bedrag, zoals ook volgt uit artikel 3.6 van het echtscheidingsconvenant.
5.10 Vaststaat bovendien dat de woning verkocht zal moeten worden, omdat de man zowel bij de rechtbank als in hoger beroep heeft verklaard dat hij niet in staat is de vrouw uit te kopen, ook niet als hij haar 25% van de overwaarde zou moeten betalen. Dit betekent dat het hof niet toekomt aan het primaire verzoek van de vrouw, te weten de toedeling van de woning aan de man en het verzoek ex artikel 195 van het Wetboek van Rechtsvordering ten aanzien van het verstrekken van een taxatierapport.
5.11 De man stelt dat partijen de afspraak uit het echtscheidingsconvenant hebben aangepast in die zin dat zij niet langer hebben afgesproken dat de woning wordt toebedeeld aan de man, waarna de man een bedrag aan mevrouw [naam 1] moet betalen, maar dat de man eerst het bedrag aan mevrouw [naam 1] moet betalen, voordat zij haar aandeel in de woning overdraagt aan de man. Deze impliciete stilzwijgende afspraak tussen de man en mevrouw [naam 1] moet uit hun gedragingen worden afgeleid. Het afgesproken bedrag is niet binnen tien jaar aan [naam 1] betaald, maar zij heeft haar zekerheid behouden, omdat zij voor de helft eigenaar is gebleven van de woning. Het was daarom niet nodig om een tweede hypotheek op de woning te vestigen, aldus de man.
5.12 Het hof is van oordeel dat, los van de vraag of de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze afspraak is gewijzigd, in beide gevallen sprake is van een afdwingbaar recht tegenover mevrouw [naam 1] , inhoudende dat zij dient mee te werken aan de levering van haar onverdeelde aandeel in de woning aan de man. Het bestaan van de gestelde afspraak doet niet af aan deze verplichting van mevrouw [naam 1] , nu tussen hen onderling heeft te gelden dat de woning aan de man is toebedeeld. Uitgaande van het bestaan van de door de man gestelde afspraak heeft hij zich verplicht (in ieder geval) bij gelegenheid van de uitvoering van de bestaande afspraak omtrent toedeling van de woning, i.e. de levering van het aandeel van mevrouw [naam 1] in de woning, het restant van zijn schuld aan mevrouw [naam 1] te betalen. Dit alles kan echter in een (overdrachts-)handeling bij de notaris samenvallen.
5.13 Gelet op het voorgaande is het hof dan ook van oordeel dat mevrouw [naam 1] niet in deze procedure betrokken hoeft te worden, aangezien de passerend notaris opdracht kan worden gegeven het geldbedrag voor mevrouw [naam 1] in depot te houden. Mocht mevrouw [naam 1] onverhoopt toch niet bereid zijn aan de (door-)levering van de woning mee te werken, dan zullen eventuele voor rekening van de man komende kosten die noodzakelijkerwijs gepaard gaan met het afdwingen van de medewerking aan de leveringshandeling door mevrouw [naam 1] , zoals een executiegeschil, vallen onder de kosten die drukken op de opbrengst van het aandeel, zodat deze in de rechtsverhouding tussen de man en de vrouw in mindering moeten worden gebracht op de verkoopopbrengst.
5.14 Anders dan de man is het hof, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het subsidiaire verzoek van de vrouw kan worden toegewezen, in die zin dat het hof zal bepalen dat de woning zo spoedig mogelijk zal moeten worden verkocht. Het hof zal daartoe, anders dan de vrouw verzoekt, niet Brantjes Makelaar benoemen als deskundige, maar bepalen dat de man zo spoedig mogelijk, uiterlijk binnen vier weken na heden, een opdracht tot verkoop van de woning dient te geven aan een makelaar naar zijn keuze. Na verkoop en levering van de woning aan een derde zal de overwaarde tussen partijen bij helfte dienen te worden verdeeld.
Deze overwaarde bedraagt de verkoopopbrengst van de woning verminderd met:
5.15 De vrouw richt haar tweede grief tegen de vaststelling door de rechtbank dat de vrouw niet heeft betwist dat zij is gerechtigd tot 25 procent van de overwaarde. Het hof constateert dat uit het overgelegde proces-verbaal van de mondelinge behandeling valt op te maken dat de vrouw dit onderdeel heeft betwist. De grief behoeft echter geen verdere bespreking. Hoe dan ook kan het hof vanwege het voorgaande uitgaan van de juistheid van de vaststelling door de rechtbank dat de vrouw is gerechtigd tot de helft van het aandeel van de man dat in de huwelijksgemeenschap is gevallen. In die zin is de uitgesproken verklaring voor recht juist en slaagt de derde grief van de vrouw die zich daartegen richt niet.
5.16 Gelet echter op het hiervoor onder 5.9 tot en met 5.13 is overwogen, is de vrouw daarnaast gerechtigd - onder de onder 5.14 aangegeven voorwaarden - tot haar aandeel in de waarde van het aan de man toebedeelde aandeel in de woning afkomstig van mevrouw [naam 1] .
5.17 Het hof ziet aanleiding de verzoeken van de vrouw tot - kort gezegd - het opvolgen van de adviezen van de makelaar en het veroordelen van de man om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering, enigszins aan te passen en te bepalen dat:
Het hof heeft geen aanleiding om aan te nemen dat de man niet zal meewerken aan het ondertekenen van de koopakte en zal daarom geen veroordeling tot medewerking opleggen met een daaraan gekoppelde dwangsom, zoals door de vrouw is verzocht.
5.18 Waar de vrouw in haar subsidiaire vordering onder punt 7 nog verzoekt de verdeling te bepalen van andere delen van de huwelijksgemeenschap, stelt het hof vast dat haar grieven zich slechts richten tegen hetgeen de rechtbank heeft beslist over de voormalige echtelijke woning. De verwijzing onder punt 7 naar verzoeken in eerste aanleg die niet zien op de woning zal abusievelijk zijn gedaan en het hof zal die verzoeken dan ook niet inhoudelijk bespreken, nu deze - gezien de grieven – niet toewijsbaar zijn.
5.19 Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing Het hof: vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en (in zoverre) opnieuw rechtdoende:
Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. H.A. van den Berg en mr. P.F.E Geerlings, in tegenwoordigheid van mr. A. Blijleven als griffier en is op 19 mei 2026 uitgesproken in het openbaar.