afdeling strafrecht parketnummer: 23-002022-22 datum uitspraak: 22 januari 2026 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 22 juli 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-171787-22 tegen: [verdachte] ( ook bekend als: [verdachte] ), geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1988, zonder bekende woon- of verblijfplaats. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de raadsman naar voren heeft gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof: de navolgende alinea uit de bewijsoverwegingen schrapt: “Zakkenrollerij is in (…) steelt wordt gepakt.” (pagina 6 van het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter); artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht aan de toepasselijke wettelijke voorschriften toevoegt; de bewijsmiddelen vervangt door de bewijsmiddelen die na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter is opgelegd. De verdediging heeft ten aanzien van de strafmaat geen verweer gevoerd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met een ander stelen van een mobiele loktelefoon van de politie. Hiermee heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van een ander. Zakkenrollerij, waaronder het handelen van de verdachte kan worden geschaard, is een hinderlijk feit dat bij slachtoffers – met name in het geval van een mobiele telefoon – ernstige overlast veroorzaakt en tot gevoelens van onveiligheid leidt, ook bij de samenleving in het algemeen. Dat de gestolen telefoon in het onderhavige geval een loktelefoon betrof, doet aan het strafrechtelijk verwijt ten aanzien van de verdachte niet af. Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en die hun weerslag vinden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierin wordt voor zakkenrollerij in georganiseerd verband een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden genoemd. Gelet hierop acht het hof de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf in beginsel passend en neemt het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 weken als uitgangspunt. Het hof heeft evenwel gelet op omstandigheid dat in hoger beroep de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden. De verdachte heeft op 28 juli 2022 hoger beroep ingesteld en het hof doet op 22 januari 2026 uitspraak. Gelet hierop is de redelijke termijn van 24 maanden met bijna 1 jaar en 6 maanden overschreden. In die omstandigheid ziet het hof aanleiding om de duur van de op te leggen gevangenisstraf met 1 week te verminderen. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 7 weken, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op artikelen 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) weken. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en mr. I.M.A. Hinfelaar, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 januari 2026. Mr. Hinfelaar is buiten staat dit arrest te ondertekenen. ========================================================================= […]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.