Gerechtshof Amsterdam – ECLI:NL:GHAMS:2026:1499
GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummer : 200.352.409/01 zaaknummer rechtbank Den Haag : C/09/572441 / HA ZA 19-416 zaaknummer hof Den Haag : 200.291.977/01 zaaknummer Hoge Raad : 23/00976 arrest van de meervoudige familiekamer van 2 juni 2026 inzake [eiser] , wonend te [plaats A] , appellant, tevens incidenteel geïntimeerde, advocaat: mr. K.G.A.C. Scheper te Den Bosch, tegen 1 [verweerder 1] , wonend te [plaats B] , geïntimeerde, tevens incidenteel appellante, en 2. [verweerder 2] , wonend te [plaats C] , geïntimeerde, advocaat: mr. J.A.J. Hendriks te Maasdijk.
Partijen worden hierna respectievelijk [eiser] , [verweerder 1] en [verweerder 2] genoemd. [verweerder 1] en [verweerder 2] worden gezamenlijk (in enkelvoud) [verweerders] . genoemd.
1Het geding na verwijzing door de Hoge Raad Bij arrest van 8 november 2024 (zaaknummer 23/00976) heeft de Hoge Raad het in deze zaak tussen [eiser] en [verweerders] . gewezen arrest van het hof Den Haag van 13 december 2022 (zaaknummer 200.291.977/01) vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof. [verweerders] . heeft op 22 april 2025 een memorie na verwijzing in cassatie genomen, waarin zij heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 december 2020 (zaaknummer C/09/572441 / HA ZA 19-416) voor zover daarin is afgewezen de vordering die [eiser] heeft gebaseerd op de stilzwijgende afspraak tussen hem en de hierna nader aan te duiden erflaatster, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. [eiser] heeft op 3 juni 2025 een antwoordmemorie na verwijzing – met producties – genomen waarin hij heeft geconcludeerd dat het hof – uitvoerbaar bij voorraad – het vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 december 2020 zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [verweerders] . zal veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van € 150.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van overlijden van erflaatster (23 januari 2019), althans vanaf de datum van de dagvaarding in eerste aanleg (9 april 2019), althans vanaf een zodanige datum als het hof juist zal achten, tot de dag der algehele voldoening, kosten rechtens. [verweerders] . heeft op 15 juli 2025 nog een akte na antwoordmemorie na verwijzing – met producties – genomen. [eiser] en [verweerder 1] zijn verschenen ter zitting van 5 februari 2026 en hebben de zaak doen bepleiten door hun advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. [verweerder 2] is niet verschenen. Partijen hebben nog producties in het geding gebracht, [eiser] productie 51 en 52 en [verweerders] . productie 24. Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.
Ten slotte is arrest gevraagd.
2Feiten Het hof zal uitgaan van de feiten die de Hoge Raad in zijn arrest van 8 november 2024 onder i tot en met vii heeft vermeld. Deze komen – samengevat en verkort weergegeven – overeen met de feitenvaststelling door de rechtbank Den Haag in het bestreden vonnis van 23 december 2020, waarvan de juistheid tussen partijen niet in geschil is. Deze feiten worden hieronder weergegeven en waar nodig aangevuld door het hof.
2.1. [in] 2019 is overleden [erflaatster] (hierna: erflaatster), geboren [in] 1958.
2.2. [eiser] had tientallen jaren een affectieve relatie met erflaatster. [verweerder 1] en [verweerder 2] zijn respectievelijk de zus en halfzus van erflaatster. Aangezien erflaatster niet bij uiterste wil over haar nalatenschap heeft beschikt, zijn [verweerder 1] en [verweerder 2] volgens het wettelijk erfrecht haar enige erfgenamen.
2.3. [eiser] en erflaatster zijn in 1994 in een woning aan de [A-straat] in [plaats B] gaan wonen, welke woning erflaatster in eigendom heeft verkregen (hierna: de woning). De aankoopsom bedroeg fl. 182.597,- (€ 82.859,-). [eiser] heeft in 1994 ten behoeve van de aankoop van de woning de eerste bouwtermijn ter hoogte van fl. 32.313,- (€ 14.663,-) en de notariskosten ter hoogte van fl. 2.596,32 (€ 1.178,-) betaald. Erflaatster heeft een hypothecaire lening van fl. 150.000,- (€ 68.067,-) afgesloten.
2.4. [eiser] en erflaatster hebben geen schriftelijke samenlevingsovereenkomst met elkaar gesloten en evenmin andere vermogensrechtelijke afspraken vastgelegd.
2.5. [eiser] is op 12 november 2018 uit de woning vertrokken; erflaatster is daarin blijven wonen tot haar overlijden [in] 2019.
2.6.
De woning is in januari 2020 verkocht (voor € 340.000,-) en geleverd aan een derde. Van de verkoopsom staat een bedrag van € 165.000,- in depot bij een notaris.
3Beoordeling Eerste aanleg 3.1.
In eerste aanleg heeft [eiser] gevorderd – samengevat – om [verweerders] . te veroordelen primair tot betaling van € 150.000,- (zijnde de helft van de overwaarde van de woning), subsidiair tot betaling van € 106.433,-, althans meer subsidiair € 98.282,-, althans een ander bedrag dat de rechtbank juist zou achten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2019. [eiser] heeft aan zijn vordering primair ten grondslag gelegd dat hij recht heeft op een substantieel deel van de overwaarde van de woning op basis van de stilzwijgende samenlevings-overeenkomst tussen hem en erflaatster en de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid die voortvloeit uit hun langdurige samenleving en de wijze waarop zij daaraan in vermogensrechtelijk opzicht invulling hebben gegeven. Subsidiair meende [eiser] recht te hebben op vergoeding van schade op grond van ongerechtvaardigde verrijking.
3.2.
Bij vonnis van 23 december 2020 heeft de rechtbank Den Haag [verweerders] . veroordeeld tot betaling van € 15.841,16 aan [eiser] op grond van ongerechtvaardigde verrijking, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 januari 2019 tot aan de dag van volledige betaling. Dit bedrag is opgebouwd uit een bedrag van fl. 32.313,- (€ 14.663,-) ter zake van de eerste bouwtermijn van de woning plus een bedrag van fl. 2.596,32 (€ 1.178,-) ter zake van notariskosten. Hetgeen [eiser] meer of anders had gevorderd, is afgewezen.
3.3.
Tegen dit vonnis hebben partijen beiden hoger beroep ingesteld.
Hoger beroep 3.4.
Het hof Den Haag heeft bij arrest van 13 december 2022 het bestreden vonnis vernietigd ten aanzien van de veroordeling van [verweerders] . tot betaling van € 15.841,16 aan [eiser] en, in zoverre opnieuw rechtdoende, deze vordering van [eiser] alsnog afgewezen. Daarnaast heeft het hof Den Haag het bestreden vonnis bekrachtigd voor zover de vordering van [eiser] voor het overige was afgewezen, daartoe oordelende dat [eiser] zijn stelling dat sprake was van een stilzwijgende afspraak tussen hem en erflaatster, op grond waarvan aan [eiser] de helft van de overwaarde toekomt, onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof heeft in dit verband het bewijsaanbod van [eiser] gepasseerd.
Cassatieberoep 3.5. [eiser] heeft cassatieberoep ingesteld. Onderdeel 1A van zijn cassatiemiddel richtte zich tegen (i) het oordeel van hof Den Haag dat [eiser] zijn stelling dat sprake is van een stilzwijgende afspraak tussen hem en erflaatster, op grond waarvan hem de helft van de overwaarde van de woning toekomt, onvoldoende heeft onderbouwd en tegen (ii) het passeren van het bewijsaanbod van [eiser] omdat dit niet zou zien op doorslag-gevende aspecten van het feitencomplex.
3.6.
De Hoge Raad heeft dit klachtonderdeel gegrond verklaard. Daarbij heeft de Hoge Raad vooropgesteld dat het hof Den Haag niet heeft overwogen dat de door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, de conclusie dat sprake is van een stilzwijgende afspraak niet kunnen dragen indien deze zouden komen vast te staan. Vervolgens heeft de Hoge Raad overwogen dat, voor zover het oordeel van het hof zo moet worden begrepen dat de door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden onvoldoende onderbouwd zijn om [eiser] tot getuigenbewijslevering toe te laten, dat oordeel onvoldoende gemotiveerd is. Voor zover het hof het bewijsaanbod van [eiser] heeft gepasseerd op de grond dat het niet ziet op doorslaggevende aspecten van het feitencomplex is het oordeel eveneens onbegrijpelijk, reeds omdat het bewijsaanbod van [eiser] om zichzelf als getuige te doen horen, ziet op alle door [eiser] gestelde aspecten van het feitencomplex en het hof niet heeft overwogen dat deze, in onderlinge samenhang bezien, de door [eiser] aangevoerde stilzwijgende afspraak niet kunnen dragen.
De Hoge Raad heeft verder geoordeeld dat de overige klachten van onderdeel 1, van de randnummers 18 en 19 van onderdeel 6, en van onderdeel 7, geen behandeling behoeven en dat de klachten van de onderdelen 2 tot en met 6, randnummer 17, niet tot cassatie kunnen leiden, waarbij de Hoge Raad heeft verwezen naar artikel 81 lid 1 RO.
Memorie na cassatie en verwijzing 3.7.
In zijn memorie na cassatie heeft [eiser] de “voornaamste en relevantste door de man aangevoerde feiten en omstandigheden” naar voren gebracht. Het hof constateert dat sprake is van enige discrepantie tussen de feiten en omstandigheden die de man in zijn memorie van grieven heeft voorgedragen, en de feiten en omstandigheden die de man in zijn memorie na verwijzing over het voetlicht brengt. Zo heeft de man in de memorie van grieven het hof Den Haag voorgehouden: “De man heeft onverplicht uit inkomen bijgedragen aan de rente en premie spaarpolis die was verschuldigd over de hypothecaire geldleningen die enkel op naam van de vrouw stonden”. In de memorie na verwijzing heeft de man zonder enige toelichting en in tegenstelling tot het voorgaande, gesteld dat zijn bijdrage “berustte op de afspraak tussen hen [hof: de man en erflaatster] om de hypotheeklasten van de woning bij helfte te verdelen en dragen”.
Het moge duidelijk zijn dat het [eiser] na verwijzing in beginsel niet is toegestaan dergelijke aanpassingen (het bestaan van een afspraak leidt op zichzelf bezien al tot een direct rechtsgevolg en kan ook voor het bestaan van een stilzwijgende afspraak een relevant rechtsgevolg in het leven roepen) te doen in zijn weergave van de feiten en omstandigheden die als onderbouwing van het bestaan van een stilzwijgende afspraak hebben te gelden. Het hof zal dan ook uitgaan van de hieronder geciteerde feiten en omstandigheden, zoals door de man in de memorie van grieven voorgedragen. Wel zal het hof acht slaan op zijn toelichting in de memorie na verwijzing. Het gaat om de volgende feiten en omstandigheden: “1) De man en de vrouw hebben sinds 1979 een affectieve relatie met elkaar gehad. De vrouw was toen 21 jaar oud en de man was toen 26 jaar oud. Zij hebben sinds plm. 1981 samengewoond als waren zij gehuwd.
De man vervolgde zijn memorie van grieven met: “Uit voornoemde feiten en omstandigheden (alsmede hetgeen verder nog door de man in zijn stukken in eerste aanleg naar voren is gebracht) in hun onderlinge samenhang bezien, kan naar mening van de man worden afgeleid dat partijen de woning aan de [A-straat] gedurende hun samenleving als gemeenschappelijk hebben beschouwd. Daarnaast werd deze stilzwijgende afspraak door de vrouw meerdere malen […] bevestigd, in diverse notities kort voor haar overlijden”.
In aanvulling op deze feiten en omstandigheden (en niet in strijd daarmee), heeft [eiser] in de memorie na verwijzing nog het volgende gesteld:
Akte na antwoordmemorie na verwijzing 3.8. [verweerders] . heeft ter weerlegging van de stellingen van [eiser] het volgende aangevoerd.
Juridisch kader na verwijzing 3.9.
Ingevolge artikel 424 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient de verwijzingsrechter de uitspraak van de Hoge Raad in acht te nemen bij zijn beoordeling van het geding na verwijzing. Het hof is als verwijzingsrechter gebonden aan alle niet of tevergeefs in cassatie bestreden beslissingen. Dat brengt in dit geval mee dat de vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking niet meer voorligt en dat het incidenteel hoger beroep van [verweerders] . geen bespreking meer behoeft.
Wat moet nog worden beslist 3.10.
De kern van de beslissing van de Hoge Raad is dat 1) voor zover het hof het door [eiser] gedane bewijsaanbod (dat sprake is van een stilzwijgende afspraak dat [eiser] en erflaatster ieder voor de helft gerechtigd zijn tot de overwaarde van de woning) heeft gepasseerd omdat een aantal van de door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden onvoldoende zouden zijn onderbouwd, dat oordeel onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is, en 2) voor zover het hof het bewijsaanbod heeft gepasseerd op de grond dat dit niet ter zake dienend is, dit oordeel eveneens onbegrijpelijk is, omdat het bewijsaanbod van [eiser] om zichzelf als getuige te doen horen, ziet op alle door hem gestelde aspecten van het feitencomplex en het hof niet heeft overwogen dat deze, in onderlinge samenhang bezien, de door [eiser] gestelde stilzwijgende afspraak niet kunnen dragen.
Oordeel hof 3.11. [eiser] heeft in zijn memorie na verwijzing een samenvatting – en op onderdelen een na verwijzing toegestane uitwerking – gegeven van de door hem in eerste aanleg en in hoger beroep voorgelegde feiten en omstandigheden. Het hof is van oordeel dat ook als de door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden - in onderlinge samenhang bezien - zouden komen vast te staan, deze niet de conclusie kunnen dragen dat sprake is van een stilzwijgende afspraak dat [eiser] en erflaatster ieder voor de helft recht hadden op de overwaarde van de woning. Het hof licht dat oordeel als volgt toe.
3.12.
Op zichzelf is voorstelbaar dat twee partijen die met elkaar (willen gaan) samenwonen onderling een regeling treffen voor de wijze waarop zij hun financiële verhouding regelen, in het bijzonder wat betreft de kosten van de gezamenlijke huishouding. In dat geval zijn zij gebonden aan de door hen gesloten overeenkomst. Met inachtneming van de zogenaamde ‘wils/vertrouwensleer’ (als bedoeld in art. 6:217 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), in verbinding met art. 3:33 en 3:35 BW), de Haviltex-maatstaf en gelet op de vormvrije wijze waarop zo’n overeenkomst tot stand kan komen, is voorstelbaar dat ‘stilzwijgende’ overeenstemming wordt aangenomen op basis van de feitelijke gedragingen van partijen (zie ook art. 3:37 BW).
3.13.
Erflaatster en [eiser] hadden ten tijde van de aankoop van de woning al een jarenlange relatie en woonden samen (in een andere woning). Ook in de aangekochte woning zouden zij gaan samenwonen, wat zij vervolgens 24 jaar hebben gedaan. De woning was eigendom van erflaatster en ook de hierop rustende hypothecaire geldlening en de hieraan gekoppelde spaarpolis stonden uitsluitend op haar naam. Tussen erflaatster en [eiser] bestond dus geen goederenrechtelijke gemeenschap.
3.14.
Volgens [eiser] is de woning alleen op naam van erflaatster gesteld zodat het vermogen veilig werd gesteld voor het geval hij een eigen zaak zou starten. Ook als dat het geval is geweest, is dit onvoldoende om de gestelde afspraak aan te nemen. Uit de wijze waarop [eiser] en erflaatster zich gedurende de samenleving jegens elkaar hebben gedragen – ook in financieel opzicht – leidt het hof, evenals de rechtbank, geen stilzwijgende afspraak af.
3.15. [eiser] heeft in dit verband gesteld dat hij en erflaatster samen gesprekken met de makelaar, de projectontwikkelaar en de bank hebben gevoerd en dat hij voorts aanwezig was bij het ondertekenen van de koopovereenkomst en het passeren van de leveringsakte. Gelet op de relatie tussen hen beiden is het niet meer dan passend dat [eiser] (als levenspartner) aanwezig was bij afspraken met de makelaar en bij het passeren van de koopakte en dat erflaatster – ook al kocht zij als enige de woning – niet als enige alle beslissingen in verband met de woning nam, maar dat [eiser] daarbij ook betrokken was.
3.16.
Daarnaast is het, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, in affectieve samenlevingsrelaties gebruikelijk dat partners naar draagkracht bijdragen in de lasten van de woning waarin zij samen wonen. Voor zover de door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden zien op de financiële bijdragen van zijn kant, is het hof van oordeel dat die alle te scharen zijn onder de lasten die samenlevers gewoon zijn te delen. Dat geldt ook voor de kosten van aankoop die [eiser] heeft betaald (in de vorm van een bouwtermijn en notariskosten). Zowel in het geval dat zou blijken dat de financiën van erflaatster niet toereikend waren om de woning te kopen, als in het geval dat [eiser] de bijdrage zonder noodzaak heeft gedaan, heeft te gelden dat die bijdrage – ook in samenhang bezien – niet een zodanige bijzondere (bijkomende) omstandigheid is dat die wijst op een stilzwijgende overeenkomst tussen erflaatster en [eiser] op grond waarvan [eiser] de helft van de overwaarde van de woning toekomt. In (duurzame) samenlevingsrelaties is het gebruikelijk dat partners elkaar over en weer financieel bijstaan zonder dat daarvoor een aanwijsbare tegenprestatie geleverd moet worden, of hooguit een vergoedingsrecht ontstaat (dat in dit stadium van de procedure niet meer aan de orde is).
3.17.
De door [eiser] gestelde investeringen in de woning passen naar het oordeel van het hof binnen het gebruik van duurzame partners om hun lasten te delen. Daarbij acht het hof van belang dat het om relatief bescheiden en in ieder geval niet om zeer aanzienlijke investeringen in de woning gaat, gezien de duur van 24 jaar die [eiser] en erflaatster daarin hebben gewoond. Ook als [eiser] zou aantonen dat hij de door hem gestelde investeringen voor zijn rekening heeft genomen, volgt daaruit naar het oordeel van het hof nog niet (ook niet in samenhang) het bestaan van een stilzwijgende afspraak op grond waarvan [eiser] gerechtigd is tot de helft van de overwaarde.
3.18. [eiser] heeft verder nog gesteld dat hij vanaf de datum van aankoop van de woning in augustus 1994 een financiële bijdrage pleegde in de vorm van een aandeel in de hypotheeklasten, welk aandeel in de loop der jaren is gestegen zodanig dat [eiser] de laatste jaren zelfs het grootste deel van de hypotheeklasten zou hebben betaald. Het hof overweegt allereerst dat het niet meer dan gebruikelijk is dat [eiser] , die (ook) in de woning woonde en daarvan het genot had, voor dat genot een bijdrage betaalde, alsook dat hij bijdroeg in de nutsvoorzieningen, de overige lasten en de kosten van de huishouding. Daarnaast stelt het hof vast dat [eiser] reeds in 1993 de door hem genoemde bijdrage van fl. 375,- per maand betaalde, derhalve al een jaar voordat de woning werd gekocht.
In het licht van dit door [verweerders] . voorgedragen en vaststaande gegeven, leveren de door [eiser] opgevoerde betalingen onvoldoende ondersteuning op voor zijn stelling dat sprake was van (specifiek) een bijdrage (van een/zijn aandeel) in de hypotheeklasten, althans voor de stelling dat deze betalingen grond vormen om een stilzwijgende afspraak tussen [eiser] en erflater aan te nemen, inhoudende dat ieder recht had op de helft van de overwaarde van de woning. Datzelfde geldt voor het door [eiser] in eerste aanleg als productie 15 overgelegde formulier van de Rabobank. Dit formulier ziet slechts op een door [eiser] aan de Rabobank gegeven opdracht om zijn automatische overboeking per 1 april 2002 te wijzigen.
Dat [eiser] vanaf enig moment (toen erflaatster haar inkomen verloor) een (groter) deel van de (hypotheek)lasten droeg, wijst evenmin op een afspraak tot verdeling van de waarde van de woning. Het is immers niet ongebruikelijk dat de ene partner (al dan niet tijdelijk) meer betaalt wanneer de andere partner over minder middelen komt te beschikken. Evenmin is ongebruikelijk tussen samenwoners dat zij ervoor kiezen als fiscaal partners te worden aangemerkt, zodat zij de hypotheekrente zo fiscaal voordelig mogelijk als aftrekpost kunnen opvoeren.
3.19.
Verder is gebleken dat [eiser] gedurende de jaren dat hij met erflaatster heeft samengewoond, in staat is geweest om een aanzienlijk vermogen op te bouwen. Ook als dat, zoals hij ter zitting heeft betoogd, mede is opgebouwd uit een erfenis en beleggingen, biedt de relatief geringe bijdrage die hij vanaf 1994 tot 2009 betaalde en waardoor hij de gelegenheid verkreeg om vermogen op te bouwen, steun voor het verweer van [verweerders] . dat het de bedoeling van [eiser] en erflaatster was dat [eiser] vermogen opbouwde door te sparen en erflaatster door de eigendom van de woning, en dat het (zeker gezien vanuit het perspectief van erflaatster) daarom niet de bedoeling was dat [eiser] zou meedelen in de waarde van de woning.
3.20.
Kortom, de door [eiser] gestelde financiële bijdragen duiden naar het oordeel van het hof dan ook geenszins op een impliciete afspraak om de overwaarde te delen bij wijze van tegenprestatie, terwijl de omstandigheid dat [eiser] zelf kapitaal opbouwde in het licht van de maatstaf beschreven onder 3.12 juist geen steun biedt voor het bestaan van een dergelijke afspraak.
3.21.
Het vorengaande overziende, komt het hof tot het oordeel dat de door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden op zichzelf én in onderlinge samenhang bezien, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door [verweerders] ., niet de conclusie kunnen dragen dat sprake was van de door [eiser] gestelde stilzwijgende afspraak dat [eiser] en erflaatster ieder voor de helft recht hadden op de overwaarde van de woning. Om die reden zal het hof het bewijsaanbod van [eiser] als niet ter zake dienend passeren.
3.22.
De briefjes en e-mails van erflater in de laatste dagen van haar leven, waarop [eiser] nog ter onderbouwing van zijn stelling wijst, leiden niet tot een andere conclusie. Volgens [eiser] valt uit deze stukken af te leiden dat erflaatster en hij de woning als gemeenschappelijk zagen, in die zin dat zij weliswaar wisten dat de woning eigendom was van erflaatster, maar dat het hun bedoeling was dat (de waarde van) de woning gemeenschappelijk was en dat zij zich daarnaar hebben gedragen. Bewijs van die bedoeling ziet [eiser] in met name de laatste berichten van erflaatster, waarin zij haar spijt uitspreekt over het feit dat zij [eiser] de toegang tot de woning had ontzegd en aangeeft dat zij de woning wil nalaten aan [eiser] dan wel die mede op zijn naam wil zetten.
3.23.
Voor de beoordeling van deze stelling acht het hof van belang de context in ogenschouw te nemen, waarbinnen de gestelde mededelingen door erflaatster zijn gedaan. Daarbij zijn de volgende feiten van belang:
3.24.
Tussen partijen is niet in geschil dat erflaatster in de bewuste periode (al dan niet als gevolg van het overlijden van haar vader in oktober 2018) mentale problemen ervoer, al verschillen partijen van mening over de duur, aard en omvang. Mogelijk hebben deze problemen hun invloed gehad op het handelen van erflaatster. Zo lijkt erflaatster naderhand spijt te hebben gekregen van haar gedrag jegens [eiser] in november/december 2018. Juist omdat onduidelijk is in welke mate erflaatster mentale problemen had en of hiervan in november/december 2018 sprake was en/of in januari 2019, kan het hof aan de brieven en notities uit januari 2019 niet de betekenis toekennen, die [eiser] hieraan toekent, namelijk dat hieruit valt af te leiden dat [eiser] en erflaatster stilzwijgend hadden afgesproken dat [eiser] recht had op de helft van de overwaarde van de woning. Integendeel, uit het gegeven dat erflaatster eigenhandig over de woning beschikte door [eiser] uit de woning te zetten en de woning te koop te zetten, blijkt immers dat zij de woning op dat moment in ieder geval niet als gemeenschappelijk beschouwde. Zij handelde bovendien eigenhandig door plannen te maken om de opbrengst van de woning aan te wenden voor een cottage in Groot-Brittannië, waartoe zij al stappen had gezet. Zij had (onder andere) een bod uitgebracht op een cottage die te koop stond voor £ 235.000,- (ruim € 260.000,-).
3.25.
In dit kader is van belang dat [eiser] erflaatster niet heeft gecorrigeerd toen zij de woning te koop zette en schreef dat zij de opbrengst nodig had. [eiser] geeft in zijn e-mail van 17 december 2018 blijk van zijn verrassing en ongenoegen over het (zonder overleg) te koop zetten van de woning, maar hij vraagt erflaatster alleen om hem de mogelijkheid te geven de woning te kopen. Hij schrijft niet dat zij toch altijd ervan zijn uitgegaan dat ieder recht had op de helft van de overwaarde. Hij heeft bovendien die maand zijn bijdrage in de woonlasten van € 315,- per maand (waarvan hij stelt dat het zijn aandeel in de hypotheeklasten betrof) stopgezet; de laatste betaling vond plaats op 1 december 2018.
3.26.
Het mag zo zijn dat erflaatster vlak voor haar overlijden te kennen heeft gegeven dat [eiser] recht had op de helft van de woning (zoals zij tegen een vriendin zou hebben gezegd), maar daar staat tegenover dat haar feitelijke gedragingen in de maanden daarvoor en de reactie van [eiser] zelf daarop op het tegendeel wezen: erflaatster beschikte over haar eigendom en had een bestemming voor de opbrengst na verkoop. Dat erflaatster in januari 2019 mogelijk meende dat [eiser] in de woning moest kunnen blijven wonen, ook na haar overlijden, is naar het oordeel van het hof dan ook, mede bezien in het licht van – en in onderlinge samenhang met – de eerder besproken feiten en omstandigheden, onvoldoende om aan te nemen dat zij en [eiser] tijdens hun relatie een (stilzwijgende) afspraak hebben gemaakt dat zij de overwaarde van de woning bij helfte wensten te delen.
Redelijkheid en billijkheid 3.27.
Voor het geval het hof zou oordelen dat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van de gestelde stilzwijgende overeenkomst, heeft [eiser] gesteld dat de woning als gemeenschappelijk moet worden beschouwd, gezien het onderlinge gedrag van erflaatster en [eiser] , althans dat ongewijzigde handhaving van de vermogensscheiding ten aanzien van de woning, die voortvloeit uit het informeel samenleven, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hetgeen [eiser] aanvoert ter onderbouwing komt overeen met hetgeen hij omtrent de gestelde stilzwijgende afspraak heeft aangevoerd. Het hof is van oordeel dat ook indien van de door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden moet worden uitgegaan, gelet op hetgeen hiervoor is besproken en gezien ook in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan van de zijde van [verweerders] ., noch op grond van de door [eiser] aangevoerde aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, noch op grond van artikel 6: 2 lid 1 BW het bestaan van de door [eiser] gestelde aanspraak jegens (de nalatenschap van) erflaatster kan worden aangenomen.
Conclusie 3.28.
De grief faalt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd voor zover aan het oordeel van dit hof – na cassatie – onderworpen. Hoewel [eiser] in hoger beroep in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof gelet op de aard van de zaak de proceskosten van het hoger beroep tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Er is onvoldoende aanleiding voor een kostenveroordeling zoals door [verweerders] . gevorderd.
4Beslissing Het hof: bekrachtigt, met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 8 november 2024, het vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 december 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. H.A. van den Berg, mr. A.R. Sturhoofd en mr. M.C. Schenkeveld en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.