afdeling strafrecht parketnummer: 23-003112-22 datum uitspraak: 22 januari 2026 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 november 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-291806-22 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1998, thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de raadsman naar voren heeft gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht aan de toepasselijke wettelijke voorschriften toevoegt. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 weken. De raadsman heeft aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden en dat de verdachte inmiddels naar Algerije is uitgezet. Gelet hierop dient geen straf opgelegd te worden van een langere duur dan de tijd die de verdachte reeds in detentie heeft doorgebracht, te weten 6 weken, en heeft een voorwaardelijk strafdeel geen meerwaarde. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de diefstal van twee broeken uit een winkel, door die in een geprepareerde tas met aluminiumfolie te stoppen en de winkel te verlaten. Hiermee heeft hij een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de winkel. Dergelijke diefstallen veroorzaken daarnaast een grote mate van overlast en onkosten. Blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 december 2025 is de verdachte eerder onherroepelijk voor een winkeldiefstal veroordeeld. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en die hun weerslag vinden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierin wordt voor een winkeldiefstal, waarbij in georganiseerd verband en geraffineerd te werk wordt gegaan (bijvoorbeeld door middel van een geprepareerde tas), een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden genoemd. Deze straf neemt het hof dan ook als uitgangspunt. Het hof heeft evenwel gelet op omstandigheid dat in hoger beroep de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden. De verdachte heeft op 25 november 2022 hoger beroep ingesteld en het hof doet op 22 januari 2026 uitspraak. Gelet hierop is de redelijke termijn van 24 maanden met bijna 1 jaar en 2 maanden overschreden. In die omstandigheid ziet het hof aanleiding om de duur van de op te leggen gevangenisstraf met 2 weken te verminderen. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en mr. I.M.A. Hinfelaar, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 januari 2026. Mr. Hinfelaar is buiten staat dit arrest te ondertekenen. [......]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.