← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2026:151

afdeling strafrecht parketnummer: 23-001759-23 datum uitspraak: 22 januari 2026 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 2 juni 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-109819-23 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1998, thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de raadsman naar voren heeft gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof: artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht aan de toepasselijke wettelijke voorschriften toevoegt; de bewijsmiddelen vervangt door de bewijsmiddelen die na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken, met aftrek van voorarrest. De raadsman heeft het hof verzocht in strafverminderende zin rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich op Koningsdag schuldig gemaakt aan zakkenrollerij, waarbij hij de telefoon van het slachtoffer heeft buitgemaakt. Hiermee heeft hij een inbreuk gemaakt op haar eigendomsrecht. Dergelijke diefstallen leveren veel overlast op, met name in gevallen dat een mobiele telefoon wordt gestolen. Zakkenrollerij levert bovendien gevoelens van onveiligheid op bij personen die zich in de openbare ruimte bevinden. De verdachte is blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 december 2025 eerder onherroepelijk veroordeeld voor een vermogensdelict. Dit weegt het hof in het nadeel van de verdachte mee. Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en die hun weerslag vinden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierin wordt voor zakkenrollerij, in het geval van recidive voor vermogensdelicten, een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden genoemd. Gelet hierop acht het hof de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 8 weken in beginsel passend en neemt het die straf als uitgangspunt. Het hof heeft evenwel gelet op omstandigheid dat in hoger beroep de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden. De verdachte heeft op 16 juni 2023 hoger beroep ingesteld en het hof doet op 22 januari 2026 uitspraak. Gelet hierop is de redelijke termijn van 24 maanden met ruim 7 maanden overschreden. In die omstandigheid ziet het hof aanleiding om de duur van de op te leggen gevangenisstraf met 1 week te verminderen. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 7 weken, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) weken. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en mr. I.M.A. Hinfelaar, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 januari 2026. Mr. Hinfelaar is buiten staat dit arrest te ondertekenen. [......]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.