Gerechtshof Amsterdam – ECLI:NL:GHAMS:2026:186
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerken 24/3095 tot en met 24/3104 20 januari 2026 uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, tegen de uitspraak van 12 maart 2024 in de zaak met kenmerken HAA 22/5284, HAA 22/5348, HAA 22/5410, HAA 22/5414, HAA 22/5417, HAA 22/5419, HAA 22/5421, HAA 22/5426, HAA 22/5428 en HAA 22/5429 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding Zaaknummer 24/3095 1.1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2010 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.586.
Zaaknummer 24/3096 1.1.2.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2011 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.340.
Zaaknummer 24/3097 1.1.3. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2012 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.312.
Zaaknummer 24/3098 1.1.4. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2013 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.454.
Zaaknummers 24/3099 en 24/3100 1.1.5.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2014 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.842. Aan belanghebbende is voor hetzelfde jaar een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd.
Zaaknummers 24/3101 en 24/3102 1.1.6. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 94.239. Aan belanghebbende is voor hetzelfde jaar een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw opgelegd.
Zaaknummers 24/3103 en 24/3104 1.1.7. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2016 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 76.731. Aan belanghebbende is voor hetzelfde jaar een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen alle aanslagen bezwaar gemaakt.
1.3.1.
De inspecteur heeft in zijn uitspraken op bezwaar alle bezwaarschriften gericht tegen de aanslag ib/pvv deels gegrond verklaard en het belastbaar inkomen uit werk en woning verlaagd naar respectievelijk € 21.462, € 19.818, € 18.865, € 22.167, € 19.619, € 18.132 en € 19.598.
1.3.2.
De inspecteur heeft de drie aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zvw verminderd naar nihil.
1.4.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’) (aan de beroepen gericht tegen de aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zvw zijn door de rechtbank de zaaknummers HAA 22/5348, HAA 22/5426 en HAA 22/5429 toegekend): “De rechtbank: verklaart de beroepen met de zaaknummers HAA 22/5348, HAA 22/5426 en HAA 22/5429 niet-ontvankelijk; verklaart de beroepen met de zaaknummers HAA 22/5414 en HAA 22/5417 ongegrond; verklaart de beroepen me de zaaknummers HAA 22/5284, HAA 22/5410, HAA 22/5419, HAA 22/5421 en HAA 22/5428 gegrond; vernietigt de uitspraken op bezwaar; vermindert de aanslag IB/PVV voor het jaar 2010 tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.262, met dienovereenkomstige wijziging van de bij die aanslag gegeven rentebeschikking; vermindert de aanslag IB/PVV voor het jaar 2013 tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.967, met toepassing van de alleenstaande ouderenkorting en met dienovereenkomstige wijziging van de bij die aanslag gegeven rentebeschikking; vermindert de aanslag IB/PVV voor het jaar 2014 tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.419, met toepassing van de alleenstaande ouderenkorting en met dienovereenkomstige wijziging van de bij die aanslag gegeven rentebeschikking; vermindert de aanslag IB/PVV voor het jaar 2015 tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.932, met toepassing van de alleenstaande ouderenkorting en met dienovereenkomstige wijziging van de bij die aanslag gegeven rentebeschikking; vermindert de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.650, met toepassing van de alleenstaande ouderenkorting en met dienovereenkomstige wijziging van de bij die aanslag gegeven rentebeschikking; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 11, en geeft verweerder opdracht het voor de zaak HAA 22/5410 betaalde griffierecht van € 50 te vergoeden.”
1.5.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. De zaken van belanghebbende met kenmerknummer 24/3105 en 24/3106 zijn tegelijk met deze zaak behandeld.
2Feiten 2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld: “1. Eiser is geboren op 9 juni 1948 en is gehuwd geweest met [naam 1] (hierna: [naam 1] ), geboren op 19 december 1973 . Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren, namelijk [naam 2] , geboren op 5 mei 1998 , [naam 3] , geboren op 26 december 1999 en [naam 4] , geboren op 7 december 2007 . Het huwelijk is in 2009 door echtscheiding ontbonden en de echtscheiding is op 29 mei 2010 ingeschreven in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP). De echtscheiding is uitgesproken door [de instantie] in [land] (hierna: [de instantie] ).
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 uitkering UWV, pensioen e.d.
29.426 28.380 28.632 26.454 22.166 22.348 22.806 ROW Alimentatie -1.248 -1.212 levensonderhoud kinderen -2.840 -3.040 -3.320 specifieke zorgkosten -5.124 -4.274 -5.235 -4.287 -2.547 -4.216 -3.208 Inkomen werk & woning 21.462 19.818 18.865 22.167 19.619 18.132 19.598 8. Eiser heeft beroep ingesteld. De beroepschriften zijn digitaal ingediend op 31 oktober 2022. (…) 10. Naar de rechtbank begrijpt stelt eiser zich op het standpunt dat hij recht heeft op de alleenstaande-ouderkorting en de alleenstaande ouderenkorting en dat het biww waarnaar de aanslagen zijn berekend als volgt moet worden vastgesteld:
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 biww volgens uitspraak op bezwaar 21.462 19.818 18.865 22.167 19.619 18.132 19.598 af: negatief resultaat uit overige werkzaamheden -3.676 -4.642 -5.189 af: alimentatie -7.500 -6.252 -6.288 -7.500 -7.500 -7.500 -7.500 af: scholingsuitgaven -4.685 -4.630 -4.601 af: specifieke zorgkosten -748 af: giften -1.256 -502 -592 nader vast te stellen biww 8.021 8.434 7.384 14.667 8.443 5.990 6.161 ”.
2.2.
Het Hof zal ook van deze feiten uitgaan.
3Geschil in hoger beroep 3.1.
In hoger beroep is in geschil of de aanslagen ib/pvv verder verminderd dienen te worden.
3.2.
Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende de hoger beroepen gericht tegen het oordeel van de rechtbank (niet-ontvankelijk) over de drie aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zvw ingetrokken.
4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft, voor zover van belang in hoger beroep, het volgende overwogen: “Alimentatie 16. Op grond van artikel 6.3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 behoren tot de aftrekbare onderhoudsverplichtingen de periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij deze worden gedaan aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn. Op grond van de onderdelen e en f van dit artikellid behoren daartoe ook in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen die berusten op een wettelijke verplichting tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud of op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud.
Gewezen kan worden op de arresten van de Hoge Raad van 8 april 1959, Vakstudie Nieuws 1959, bladzijde 339, en van 29 oktober 1969, BNB 1969/245, waarin uitkeringen tot voorziening in het levensonderhoud tussen samenwonende gewezen echtgenoten niet in aftrek zijn toegelaten daar op grond van de feiten kon worden aangenomen dat de betalingen niet werden gedaan ter voldoening van een onderhoudsverplichting maar als bijdrage in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Het lijkt mij dat niet anders zal worden geoordeeld ten aanzien van de aftrekbaarheid van zulke periodieke uitkeringen in andere dan de in de arresten aan de orde zijnde samenlevingsverbanden. Ten einde hieromtrent iedere onzekerheid uit te sluiten, heb ik gemeend niettemin de wettekst op dit punt te moeten verduidelijken.
Daarom is het in art. I, onderdeel A (nader D), van het ontwerp van wet opgenomen art. 45, eerste lid, letter c (nader d), zodanig gewijzigd dat de aldaar bedoelde periodieke uitkeringen tot voorziening in het levensonderhoud alleen aftrekbaar zijn als persoonlijke verplichting indien de personen in wier levensonderhoud wordt voorzien niet behoren tot het huishouden van de belastingplichtige.” (MvA, wet van 30 december 1983, Stb. 1983, 689, Kamerstukken II 1983/84, nr. 16 787, p. 26) en “Ik acht het niet noodzakelijk met betrekking tot de aftrekbaarheid van periodieke uitkeringen en verstrekkingen die rechtstreeks voortvloeien uit het familierecht (het voorgestelde art. 45, eerste lid, letter c) uitdrukkelijk te bepalen dat deze alleen aftrekbaar zijn indien zij worden gedaan aan personen die niet behoren tot het huishouden van de verstrekker ervan. Voor dergelijke periodieke uitkeringen en verstrekkingen, die worden verstrekt aan wel tot het huishouden behorende personen, geldt als algemeen aanvaard beginsel dat deze niet tot de inkomenssfeer behoren. Op dit terrein bestaan naar mijn oordeel geen onduidelijkheden. [naam 5] noemt in zijn eerder aangehaald artikel van 16 september 1982 de situatie waarin gewezen echtgenoten weer gaan samenleven. Hierover merk ik op, dat in zo'n situatie krachtens de strekking van artikel 160 van het Burgerlijk Wetboek de verplichting om na echtscheiding levensonderhoud te verschaffen eindigt. Het voorzien in het levensonderhoud van de gewezen echtgenoot na hervatting van de samenleving vloeit derhalve niet meer rechtstreeks voort uit het familierecht maar uit het voeren van een gemeenschappelijke huishouding, met als gevolg dat de verstrekkingen ter zake niet meer plaatsvinden in de inkomenssfeer.” (NEV, Kamerstukken II 1983/84, 16 787, nr 11, p. 26.) 23. In het door de wetgever aangehaalde artikel 1:160 BW is het volgende bepaald: “Een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij, eindigt wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.”
De wetgever is er klaarblijkelijk vanuit gegaan dat als gewezen echtgenoten weer met elkaar gaan samenleven als waren zij gehuwd, voldaan is aan de strekking van artikel 1:160 BW, en dat dan op die grond geen sprake kan zijn van aftrekbare partneralimentatie. In casu dient dan ook de vraag te worden beantwoord of eiser en [naam 1] weer waren gaan samenwonen als waren zij gehuwd. Hierbij is gelet op de in de parlementaire geschiedenis aangehaalde jurisprudentie van belang of zij een gemeenschappelijke huishouding hadden.
In de keuken is een elektrisch fornuis en de rekeningen van het elektriciteitsbedrijf werden door eiser betaald en eiser had op de zolderverdieping zijn eigen gaspitje om voor zichzelf eten op te warmen. Op enig moment heeft [naam 1] aangifte gedaan van mishandeling en bedreiging door eiser en op 18 november 2018 heeft zij eiser gedaagd voor de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam en gevorderd dat eiser zou worden gelast binnen twee dagen na het vonnis van de kantonrechter de woning te verlaten. Eiser voerde daartegen aan dat van een duurzame gemeenschappelijke huishouding in de woning geen sprake was en dat een onhoudbare situatie was ontstaan. Daarom vorderde eiser in reconventie dat [naam 1] de woning zou verlaten op verbeurte van een dwangsom.
Bij vonnis van 9 januari 2019, dat in kopie tot de gedingstukken behoort, overwoog de kantonrechter onder meer dat op basis van de beschikbare feiten onvoldoende aannemelijk was geworden dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Uit de door [naam 1] overgelegde bewijsstukken kon volgens de kantonrechter worden afgeleid dat eiser betalingen deed ten behoeve van [naam 1] , maar dat die voor het aannemen van een gemeenschappelijke huishouding onvoldoende overtuigend waren. De kantonrechter wees de vordering van [naam 1] daarom af en wees de vordering in reconventie van eiser toe.
Scholingsuitgaven 28. Op grond van artikel 6.27 van de Wet IB 2001, zoals dat luidde in de onderhavige jaren, zijn scholingsuitgaven de uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie. In het verslag van de hoorzitting is te lezen dat het bij de door eiser in aftrek gebrachte scholingskosten gaat om kosten voor de twee oudste kinderen. Deze kinderen hebben in de jaren 2010 tot en met 2012 op een dure privéschool in [land] gezeten. Het gaat dus niet om kosten van een door eiser zelf gevolgde studie of opleiding. Verweerder heeft de scholingskosten daarom terecht niet in aftrek toegelaten.
Giften 29. Tussen partijen is niet in geschil dat de door eiser als giften in aftrek gebrachte bedragen zijn aan te merken als giften in de zin van artikel 6.32 van de Wet IB 2001. De bewijslast voor het recht op aftrek ligt bij eiser. Verweerder heeft aangevoerd dat uit de door eiser overgelegde bescheiden blijkt dat er giften zijn gedaan maar dat daaruit niet is op te maken wanneer die zijn gedaan, van welke bankrekening die zijn gedaan en of die bankrekening op naam van eiser staat of stond. In beroep heeft eiser geen bewijs bijgebracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser het recht op aftrek niet aannemelijk gemaakt. De eerst ter zitting ingenomen stelling dat eiser in beroep geen bewijsstukken kan overleggen omdat hij die stukken bij de Belastingdienst zou hebben ingeleverd en nooit zou hebben teruggekregen, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het niet kunnen beschikken over bewijsstukken om de door hem in aftrek gebrachte giften te onderbouwen is voor rekening en risico van eiser. Hetgeen eiser dienaangaande heeft aangevoerd en de stukken die hij ter zitting heeft overgelegd is te vaag en te algemeen om daaruit te kunnen concluderen dat de gestelde bewijsnood niet aan hemzelf is te wijten, en brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de giften terecht niet in aftrek toegelaten.
Resultaat uit overige werkzaamheden 30. Voor de jaren 2014, 2015 en 2016 heeft eiser een negatief resultaat uit overige werkzaamheden aangegeven. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat dit resultaat niet in aanmerking kan worden genomen omdat geen sprake is van een bron van inkomen. Verweerder heeft daartoe aangevoerd dat eiser ook voor de jaren 2017 tot en met 2021 een negatief resultaat heeft aangegeven. Voor het jaar 2021 is het aangegeven resultaat € 7.478 negatief. Eiser heeft dit niet betwist. In het verslag van de hoorzitting is vermeld dat het volgens eiser niet aan verweerder is om te stellen dat er geen bron van inkomen is en eiser zijn eerdere stelling dat hij wil stoppen met de desbetreffende activiteiten, omdat het meer een hobby is, terug nam. Eiser stelde dat hij enkel verliezen heeft geleden omdat Nederland [land] jarenlang heeft geboycot met een negatief reisadvies.
Ter zitting heeft verweerder aangetoond dat vanaf 2017 het negatieve reisadvies alleen nog gold voor twee relatief kleine regio’s in het zuiden van [land] . Het vervallen van het reisadvies voor het overgrote deel van [land] heeft voor het reisbureau in de daaropvolgende jaren kennelijk niet tot betere resultaten geleid. Verder heeft eiser verklaard dat het reisbureau vanwege financiële problemen een paar keer op een andere naam is gezet en de klanten begonnen weg te lopen. Op grond van al hetgeen eiser heeft aangevoerd en uit de stukken naar voren komt, is de rechtbank van oordeel dat redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat met de desbetreffende activiteiten duurzaam positieve voordelen waren te behalen.
Verweerder heeft het resultaat uit overige werkzaamheden daarom terecht niet in aanmerking genomen.
De alleenstaande-ouderkorting 33. De alleenstaande-ouderkorting gold tot en met het jaar 2014. Op grond van artikel 8.15, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001, zoals dit artikelonderdeel luidde tot en met 2014, geldt de alleenstaande-ouderkorting voor de belastingplichtige die een huishouding voert met geen ander dan met kinderen waarvan de jongste bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt.
De alleenstaande ouderenkorting 35. Op grond van artikel 8.18, eerste lid, van de Wet IB 2001, geldt de alleenstaande ouderenkorting voor de belastingplichtige die in aanmerking komt voor een AOW-uitkering voor alleenstaanden. Uit het onder 26 gegeven oordeel volgt dat eiser voor alle jaren als alleenstaand moet worden aangemerkt. Uit de stukken komt naar voren dat aan eiser vanaf het jaar 2013 de ouderenkorting is toegekend. De rechtbank maakt daaruit op dat eiser vanaf dat jaar recht heeft op een AOW-uitkering. Het vorenstaande heeft tot gevolg dat eiser voor de jaren 2013 tot en met 2016 recht heeft op de alleenstaande ouderenkorting. In zoverre zijn de beroepen dus gegrond.
Slotconclusies […] 37. Ter zitting heeft eiser onder meer aangevoerd dat hij voor de jaren 2010, 2011 en 2012 uitgaven in het levensonderhoud van de kinderen in aftrek heeft gebracht maar dat verweerder die niet in aftrek heeft toegelaten. Uit het onder 7 weergegeven overzicht blijkt echter dat de aftrek wel is verleend. Hetgeen eiser hiertoe heeft aangevoerd behoeft daarom geen verdere bespreking.
Proceskosten en griffierecht 42. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, vast op € 11 voor de reiskosten voor het bijwonen van de zitting. Het door eiser betaalde griffierecht dient door verweerder te worden vergoed.”
5Beoordeling van het geschil in hoger beroep 5.1.1.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat de belastbare inkomens uit werk en woning verder moet worden verminderd en dat de belastbare inkomens uit werk en woning voor de jaren 2010-2016 als volgt moeten worden vastgesteld:
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 biww volgens uitspraak op bezwaar 21.462 19.818 18.865 22.167 19.619 18.132 19.598 af: negatief resultaat uit overige werkzaamheden -3.676 -4.642 -5.189 af: alimentatie -7.500 -6.252 -6.288 -7.500 -7.500 -7.500 -7.500 af: scholingsuitgaven -4.685 -4.630 -4.601 af: specifieke zorgkosten -748 af: giften -1.256 -502 -592 nader vast te stellen biww 8.021 8.434 7.384 14.667 8.443 5.990 6.161 Nader bewijs?
5.1.2.
Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende aangevoerd dat door hem nader bewijs (originele stukken) voor de genoemde aftrekposten bij de inspecteur is ingeleverd, dat dit bewijs door de inspecteur niet is meegewogen en hij dit bewijs niet van de inspecteur heeft teruggekregen. Hij verkeert aldus, zo begrijpt het Hof belanghebbende, in bewijsnood. De inspecteur heeft, in reactie hierop, betwist dat andere (nadere) bewijsstukken van belanghebbende zijn ontvangen en verklaard dat overigens in een situatie waarin originele bewijsstukken van een belanghebbende door de inspecteur worden ontvangen deze altijd worden geretourneerd. Het Hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de inspecteur. Daar komt bij dat belanghebbende, op wie de bewijslast voor de aftrekposten rust, alsnog in het (gestelde) bewijs had kunnen voorzien door het opvragen van bankafschriften etc. De (eerst ter zitting van het Hof naar voren gebrachte) stelling van belanghebbende dat hij door het toedoen van de inspecteur in bewijsnood is komen te verkeren, wordt daarom door het Hof verworpen.
Alimentatie (alle jaren) 5.2.1.
De rechtbank heeft aannemelijk geacht dat de alimentatie die belanghebbende op grond van deze uitspraak van [de instantie] aan [naam 1] moest betalen voorziet in zowel kinderalimentatie als partneralimentatie (per maand € 105 partneralimentatie en € 551 kinderalimentatie). Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat het deel dat voorziet in kinderalimentatie niet voor aftrek in aanmerking komt op grond van artikel 6.3 van de Wet IB 2001. Voorts heeft belanghebbende voor de jaren 2013 en 2014 geen aanspraak gemaakt op de (voor die jaren) in afdeling 6.4 Wet IB 2001 opgenomen aftrek levensonderhoud kinderen. De partneralimentatie dient naar het oordeel van de rechtbank, ook voor zover die betrekking heeft op de periode waarin [naam 1] in de woning van belanghebbende woonde, in aftrek te worden gebracht.
In hoger beroep betoogt belanghebbende dat hij recht heeft op een hoger bedrag aan alimentatie dan door de rechtbank is vastgesteld (zie 5.1.1).
Ter zitting van het Hof heeft de inspecteur verklaard het niet eens te zijn met het oordeel van de rechtbank inzake de partneralimentatie; volgens hem is de alimentatie in het geheel niet aftrekbaar. De inspecteur heeft evenwel om proceseconomische redenen tegen de uitspraak van de rechtbank geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld.
5.2.2.
Nu de inspecteur geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld buigt het Hof zich niet over het oordeel van de rechtbank inzake het door haar in aftrek toegestane bedrag van partneralimentatie, doch alleen over het resterende (niet door de rechtbank in aftrek toegestane) bedragen aan gestelde partneralimentatie. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende ter zake geen aftrek toekomt nu door belanghebbende (op wie de bewijslast rust) ook in hoger beroep geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht die de conclusie rechtvaardigen dat het hier om (aftrekbare) bedragen aan partneralimentatie gaat. Al hetgeen belanghebbende in hoger beroep hieromtrent heeft aangevoerd werpt geen nieuw of ander licht op deze uitkomst.
Scholingsuitgaven (jaren 2010, 2011 en 2012) 5.3.
Ook in hoger beroep heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de door hem in aftrek gebrachte kosten scholingsuitgaven voor het door een belastingplichtige volgen van een opleiding of studie in de zin artikel 6.27 van de Wet IB 2001 betreffen. Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat de door belanghebbende opgevoerde kosten (voor het volgen van een opleiding door de twee oudste kinderen aan een privéschool in [land] ) terecht door de inspecteur niet in aftrek zijn toegelaten.
Giften (jaren 2010, 2011 en 2012) 5.4.
Ook in hoger beroep heeft belanghebbende geen nader bewijs bijgebracht waaruit volgt dat de door hem in aftrek gebrachte giften (zie 5.1.1) daadwerkelijk door hem zijn gedaan. Uit de overgelegde stukken aangaande de giften volgt niet dat de daarop vermelde overschrijvingen naar goede doelen ten laste van zijn rekening (of anderszins ten laste van hem) zijn gekomen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat bij deze stand de giften niet voor aftrek bij belanghebbende in aanmerking komen.
Resultaat uit overige werkzaamheden (jaren 2014, 2015 en 2016) 5.5.
Ook in hoger beroep is met al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd en uit de stukken naar voren komt niet aannemelijk geworden dat belanghebbende ter zake van zijn activiteiten voor het reisbureau, [bedrijf] , redelijkerwijs kon worden verwacht dat met de desbetreffende activiteiten duurzaam positieve voordelen waren te behalen. De inspecteur heeft er daarnaast in hoger beroep nog op gewezen dat in de aangiften 2022, 2023 en 2024 wederom negatief resultaten (2022, -/- € 8.980, 2023 -/- € 8.051 en 2024 -/- € 9.263) in de aangiften zijn opgenomen. Ook het Hof is van oordeel dat het in de aangiften (2014, 2015 en 2016) in aanmerking genomen negatieve resultaat uit overige werkzaamheden terecht niet in aftrek is toegelaten. Alsdan komt belanghebbende reeds om die reden niet in aanmerking voor de door hem -alsnog- geclaimde zelfstandigen– en startersaftrek. Voorts komt belanghebbende, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen (rechtsoverweging 32), op dit punt geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel toe.
De alleenstaande-ouderkorting en de alleenstaande ouderenkorting 5.6.
De rechtbank heeft terecht overwogen (rechtsoverweging 34) dat belanghebbende geen recht heeft op de alleenstaande-ouderkorting (artikel 8.15, eerste lid, aanhef en onderdeel c, (oud) van de Wet IB 2001). Het Hof neemt dit oordeel en de gebezigde gronden over.
De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende voor de jaren 2013 tot en met 2016 recht heeft op de alleenstaande ouderenkorting (artikel 8.18, eerste lid, van de Wet IB 2001). Indien en voor zover belanghebbende betoogt dat hij hier ook voor de andere jaren recht op heeft slaagt dit niet omdat belanghebbende eerst vanaf 2013 recht heeft op een AOW-uitkering.
Overige punten 5.7.
Hetgeen de rechtbank in rechtsoverwegingen 37 (inzake de uitgaven in het levensonderhoud van de kinderen voor de jaren 2010, 2011 en 2012), 39 (heffingsrente en belastingrente) en 40 (klachten van belanghebbende over onzorgvuldigheid, partijdigheid en grensoverschrijdend gedrag van de inspecteur) acht het Hof juist en maakt het Hof tot de zijne.
5.8.
Belanghebbende heeft in hoger beroep nog aangevoerd dat zijn “proceskosten vanwege inschakeling twee advocaten” hadden moeten worden vergoed. Uit de gedingstukken volgt niet dat belanghebbende voor de voorliggende zaken kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand heeft gemaakt. Belanghebbende stelt zelf de gedingstukken op en verschijnt in persoon ter zitting. Voorts valt de tot de gedingstukken behorende nota van [advocaten] van 2 november 2021 zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet te koppelen aan de voorliggende zaken. Het bestaan van in artikel 1, lid 1, onderdeel a van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is dan (voor deze zaken) ook niet aannemelijk gemaakt.
5.9.
Al hetgeen belanghebbende overigens in hoger beroep naar voren heeft gebracht leidt niet tot andere conclusies.
Slotsom De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende niet slaagt en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dient te worden.
6Kosten Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.
7Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, J-P.R. van den Berg en dr. E.A.M. Huiskers-Stoop, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 20 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: