← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2026:395

beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling strafrecht rekestnummer hoger beroep: 000561-25 rekestnummer eerste aanleg: 24-030799 parketnummer strafzaak: 96/285553-24 Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Noord-Holland van 16 juni 2025 op het verzoekschrift op de voet van de artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993, domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. C.Y. Kekik, Heemraadssingel 165, 3022 CG Rotterdam. 1Procesverloop Het hoger beroep is op 30 juni 2025 ingesteld door verzoeker (hierna appellant). Op 7 januari 2026 is het standpunt van de advocaat-generaal kenbaar gemaakt. Op 13 januari 2026 is een e-mail van de raadsman ontvangen. Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de straf- en beklagzaak en heeft op 13 januari 2026 de advocaat-generaal ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant en de raadsman van appellant zijn met kennisgeving niet in raadkamer verschenen. 2Inhoud van het verzoek Het verzoek - zoals aangevuld in raadkamer in hoger beroep met het verzoek onder c - strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van: kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de beklagzaak met voormeld rekestnummer ten bedrage van € 544,50; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 680,

  1. kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 340,
  2. 3Beoordeling Het hoger beroep is tijdig ingesteld. Het inleidende verzoek is tijdig ingediend. Het hof stelt het volgende vast. Op 9 augustus 2024 is onder appellant een personenauto is beslag genomen. Na eerdere verzoeken per email om teruggave van de auto, gedaan door de raadsman van appellant, waarbij tevens aan het Openbaar Ministerie is laten weten dat ook de moeder van de beslagene (appellant) en eigenaar van de auto instemt met de teruggave, heeft -omdat geen reactie volgde- de raadsman van appellant op 5 september 2024 een klaagschrift ex artikel 552a Sv ingediend. Bij email van 10 september 2024 is aan appellant laten weten dat de officier van justitie voornemens was de personenauto aan zijn moeder terug te geven en dat appellant hiertegen binnen 14 dagen hierover kon klagen. Bij email van 11 september 2024 is door het Openbaar Ministerie aan appellant laten weten dat indien hij het klaagschrift zou intrekken, het voertuig zou worden teruggegeven aan zijn moeder. Op 12 september 2025 is een volmacht tot intrekking van het klaagschrift gegeven, zodat het beslag zo spoedig mogelijk en zonder omhaal kon worden teruggegeven. Na intrekking van het klaagschrift is de auto aan de moeder van appellant teruggegeven. Gezien voornoemde zeer specifieke gang van zaken acht het hof gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de beklagzaak ten bedrage van € 544,
  3. Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure: - in eerste aanleg ten bedrage van € 680,00; - in hoger beroep ten bedrage van € 340,
  4. Het hof zal de beschikking waarvan beroep vernietigen en opnieuw recht doen. 4Beslissing Het hof: Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht. Wijst het verzochte toe. Kent aan appellant een vergoeding toe van € 1.564,50 (duizend vijfhonderdvierenzestig euro en vijftig cent). Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.W.T. Klappe, H.A. van Eijk en A.M.P. Geelhoed, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is -bij ontstentenis van de voorzitter- ondertekend door de oudste raadsheer en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 11 februari
  5. De oudste raadsheer beveelt: de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 1.564,50 (duizend vijfhonderdvierenzestig euro en vijftig cent) op bankrekeningnummer [iban] t.n.v. Stichting Derdengelden advocatenkantoor Kekik o.v.v. [verzoeker] . Amsterdam, 11 februari 2026, mr. H.A. van Eijk, oudste raadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.