afdeling strafrecht parketnummer: 23-001119-25 datum uitspraak: 23 februari 2026 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 7 mei 2025 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 96-358167-24 (zaak A), 96-015937-25 (zaak B) en 96-039479-25 (zaak C) en 96-057409-25 (zaak D), alsmede 96-276453-23 (TUL) tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is door politierechter vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak A is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. Bespreking van een ontvankelijkheidsverweer De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat er in zaak C sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Daartoe heeft hij aangevoerd dat uit pagina 8 van het desbetreffende procesdossier blijkt dat de verdachte niet overeenkomstig artikel 53 lid 2 Sv na aankomst op het politiebureau is voorgeleid aan de hulpofficier van justitie. De hulpofficier van justitie heeft de taak om de rechtmatigheid en aanvaardbaarheid van de aanhouding te controleren en de noodzaak tot verdere vrijheidsbeneming te beoordelen. Daarbij is de verdachte ook niet op zijn rechten gewezen zoals behoort te worden gedaan bij een voorgeleiding. Om een signaal af te geven naar verbalisanten, dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging, aldus de raadsman. Het hof overweegt als volgt. Uit het dossier blijkt dat de verdachte op 1 januari 2025 om 04:55 uur is aangehouden door verbalisant [verbalisant 1] , die tevens hulpofficier van justitie is. Na aanhouding is de verdachte de cautie gegeven en is hij op zijn recht op rechtsbijstand gewezen. Vervolgens is hij overgebracht naar het politiebureau. Daar is hij, kort na aankomst, gehoord door dezelfde verbalisant die hem nogmaals op zijn rechten wees. Onmiddellijk na het verhoor is de verdachte om 06:00, één uur en vijf minuten na zijn aanhouding, heengezonden op last van een andere hulpofficier van justitie. Gelet op dit korte tijdsbestek, het feit dat de aanhouding, het overbrengen naar een plaats van verhoor en het verhoor zelf door dezelfde verbalisant - die tevens hulpofficier van justitie is - is gebeurd en op het feit dat transparant is geverbaliseerd over de gang van zaken, blijkt naar het oordeel van het hof niet dat de verdachte enig nadeel als bedoeld in artikel 359a, tweede lid, Sv heeft geleden. Het verweer wordt daarom verworpen. Tenlasteleggingen Zaak B: 1.hij op of omstreeks 16 november 2024 te Almere een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 10 microgram THC per liter bloed bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde 2.hij op of omstreeks 16 november 2024 te Almere terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Hospitaaldreef, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; Zaak C: hij op of omstreeks 1 januari 2025 te Hilversum terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Minckelersstraat, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;Zaak D: hij op of omstreeks 7 januari 2025 te Den Hout, gemeente Oosterhout terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de rijksweg A59, als bestuurder een motorrijtuig, (bedrijfsauto (bestelauto)), van die categorie of categorieën heeft bestuurd; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Vrijspraak De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte meermalen een auto heeft bestuurd terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Door de raadsman is vrijspraak bepleit voor hetgeen in zaak B en zaak C aan de verdachte wordt verweten. Daartoe is aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het voertuig heeft bestuurd. De raadsman heeft zich wat zaak D betreft gerefereerd aan het oordeel van het hof. Het hof spreekt de verdachte vrij van hetgeen hem onder zaak B, feit 2, zaak C en zaak D (steeds kort gezegd: rijden terwijl het rijbewijs ongeldig was verklaard) ten laste is gelegd en overweegt daartoe als volgt. Besluit tot ongeldigverklaring en bekendmaking daarvan aan de verdachte Om tot een bewezenverklaring van een op artikel 9, tweede lid, eerste volzin Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, zal (allereerst) uit de bewijsvoering moeten blijken dat het rijbewijs van de verdacht ongeldig is verklaard, het desbetreffende besluit is bekend gemaakt aan de verdachte en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking (vgl. artikel 3:40 en 3:41 Algemene wet bestuursrecht respectievelijk artikel 124, derde lid, en 132, vierde lid, WVW 1994). Dat aan dit vereiste is voldaan kan bijvoorbeeld blijken uit een mededeling van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) aan de houder van het rijbewijs, waarin het besluit is weergegeven, alsmede een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en op welke wijze verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden (vgl. Hoge Raad 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:221). Het CBR heeft bij aangetekende brief van 18 maart 2024 aan de verdachte kenbaar gemaakt dat hij een cursus over drugs en verkeer moet volgen, omdat hij weigerde om mee te werken aan een bloedonderzoek. Bij die brief is tevens de factuur voor de opleggingskosten gevoegd. Deze aangetekende brief is retour afzender gegaan. Bij brief van 30 april 2024 is het rijbewijs ongeldig verklaard vanaf 7 mei 2024, omdat de opleggingskosten niet zijn voldaan. Echter, op de brief staat vermeld: “Deze brief is niet per post verzonden omdat er geen adres in de Basisregistratie Personen (BRP) staat en er bij ons geen correspondentieadres bekend is”. Het openbaar ministerie heeft op 17 januari 2025 de correspondentie van het CBR opgevraagd. Bij e-mail van 24 januari 2025 laat een medewerker van Team Mededelingen CBR Divisie Rijgeschiktheid weten: “De bekendmaking van de ongeldigverklaring is aangetekend en betekend verstuurd op 30 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.