Gerechtshof Amsterdam – ECLI:NL:GHAMS:2026:529
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 25/678 17 februari 2026 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, alsmede op het incidenteel hoger beroep van [X] , gevestigd te [Y] , belanghebbende, (gemachtigde: J.E. van Oostenbrugge MSc) tegen de uitspraak van 17 december 2024 in de zaak met kenmerk HAA 23/1580 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding 1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2016 een aanslag vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van negatief € 389.265. Bij verliesvaststellingsbeschikking is een verlies vastgesteld van € 389.265.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 19 december 2022 heeft de inspecteur het tegen de aanslag en de verliesvaststellingsbeschikking gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.4.
Bij uitspraak van 17 december 2024 heeft de rechtbank als volgt op het beroep beslist (belanghebbende en de inspecteur worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiseres’ respectievelijk ‘verweerder’) : “De rechtbank:
1.5.
Het tegen de uitspraak van de rechtbank door de inspecteur ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 24 januari 2025 en nader gemotiveerd bij brief van 13 maart 2025. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.
1.6.
Met dagtekening 23 juni 2025 heeft de inspecteur een zienswijze omtrent het incidenteel hoger beroep alsmede een conclusie van repliek in hoger beroep ingediend.
1.7.
Bij brief van 23 juli 2025 heeft belanghebbende bericht geen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het indienen van een conclusie van dupliek.
1.8.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2Feiten 2.1.
De rechtbank heeft in haar uitspraak de volgende feiten vastgesteld: “1. Eiseres is een door de rijksoverheid opgerichte stichting die toegepast onderzoek verricht op het gebied van de lucht- en ruimtevaart (ook wel genoemd een Toegepast Onderzoek Organisatie of TO2-instelling).
Soort onderzoek Omzet Aandeel totale omzet Publiek gesubsidieerd onderzoek € 24.200.000 29,62% Contractonderzoek voor (semi-)publieke partijen € 37.100.000 45,41% Contractonderzoek voor private partijen € 20.400.000 24,97% Uit deze specificatie volgt dat de totale omzet over het jaar 2016 voor (afgerond) 70% bestaat uit baten afkomstig uit het contractonderzoek en voor 30% uit subsidies.
Jaar Resultaat 2010 € - 144.000 2011 € 3.713.000 2012 € 2.255.000 2013 € 8.276.000 2014 € 3.503.000 2015 € 5.057.000 2016 € - 219.000 2017 € 17.000 2018 € 925.000 In de jaarrekeningen zijn de overschotten op ontvangen subsidies, vanwege de daarop rustende terugbetalingsverplichtingen, als kortlopende schuld verantwoord. Dit geldt niet voor overschotten die voortvloeien uit het contractonderzoek (niet-subsidies); die overschotten zijn begrepen in de winst. De instandhoudingsbijdragen werden als passiefpost geboekt. Kwalificerende investeringen werden daarop afgeboekt. Een eventueel restant moest na acht jaar worden terugbetaald.
2.2.
Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten en voegt hier nog het volgende aan toe.
2.3.
In het proces-verbaal van de zitting bij het Hof is onder meer het volgende opgenomen: “De voorzitter houdt aan belanghebbende voor dat er behoorlijk wat overschotten zijn uit publiek bekostigd contractonderzoek, waarmee 45% van de omzet wordt behaald. Zij vraagt aan belanghebbende hoe de overschotten zijn opgebouwd en hoe dit zich verhoudt tot het bekostigingsmodel.
De heer [naam 1] [Hof: namens belanghebbende]verklaart:
De tarieven worden vastgesteld op basis van een begroting, overeenkomstig de IKS (griffier: integrale kostensystematiek) van het Ministerie van Economische Zaken. Er zit geen winstopslag in de tarifering en het gaat om een sluitende begroting. Deze begroting wordt gedeeld met het Ministerie van Economische Zaken en het Ministerie van Defensie. Dan gaat het jaar lopen en kunnen afwijkingen van de begroting ontstaan vanwege de werkelijke omzet of kosten. Deze elementen leiden tot positieve of negatieve resultaten. Die komen dus voort uit een afwijking van de begroting. Belanghebbende heeft in ieder geval geen winststreven.
Voor de vraag of afwijkingen binnen een bepaalde marge moeten blijven, is van belang dat sinds de Wet NLR (griffier: Subsidieregeling NLR) is afgeschaft, belanghebbende zelfstandig moet opereren. Als voorbeeld noem ik de financiering van nieuwbouw in 2016, deels door de overheid en deels door belanghebbende. Belanghebbende moet zo’n eigen bijdrage kunnen financieren. We streven niet naar winst. Uiteindelijk worden de overschotten gebruikt voor investeringen van belanghebbende. Een ander voorbeeld waarvoor de overschotten worden gebruikt is onderhoud van gebouwen. Voor de systematiek van omzet en kosten zijn er geen verschillen per typen onderzoek. (…) Belanghebbende krijgt subsidies en verricht daarnaast contractonderzoek voor publieke en private partijen. De overschotten worden ingezet als eigen vermogen, om een buffer op te bouwen. De instandhoudingsbijdrage en programmasubsidies zijn bedoeld voor het dekken van exploitatietekorten. De onderzoeksfaciliteiten leiden bij belanghebbende tot exploitatietekorten vanwege de afschrijvingslast. De bijdragen/subsidies mogen gedurende acht jaren worden meegenomen naar volgende jaren, in afwijking van een normale subsidieregeling op grond waarvan bedragen maar één jaar mogen worden meegenomen. (…) De inspecteur verklaart:
De jongste raadsheer houdt aan mij het begrip ‘bekostiging’ voor en vraagt aan welke passage in de parlementaire geschiedenis van artikel 6b, eerste lid, aanhef en letter b, Wet Vpb ik ontleen dat er ingeval van ‘bekostiging uit publieke middelen’ geen contractuele tegenprestatie mag zijn.
Ik ben bang dat die passage niet te vinden is. Er zijn wel wat aanwijzingen in de parlementaire geschiedenis. In de Nota naar aanleiding van het Verslag van de Tweede Kamer “(…)” staat dat fundamenteel onderzoek wel onder het bereik van de vrijstelling valt maar commercieel onderzoek niet.
Voor de grammaticale uitleg van het begrip ‘bekostiging’ kijkt de rechtbank naar de [bedrijf] . Wij hebben een paar voorbeelden aangedragen waaruit blijkt dat de uitleg van de rechtbank schuurt met doel en strekking van de vrijstelling, zoals het voorbeeld van de cateraar die is ingehuurd voor een bedrijfsfeest van een overheidslichaam. De catering wordt dan betaald uit publieke middelen maar niet bekostigd.”
3Geschil in (incidenteel) hoger beroep 3.1.
In hoger beroep is in geschil of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat belanghebbende op grond van artikel 6b, eerste lid, aanhef en letter b, van de Wet Vpb is vrijgesteld van vennootschapsbelasting.
3.2.
In incidenteel hoger beroep is in geschil of belanghebbende een onderneming drijft op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en letter e, juncto artikel 4, aanhef en letter a, van de Wet Vpb.
4Overwegingen van de rechtbank De rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende overwogen en beslist: “Juridisch kader belastingplicht artikel 2, eerste lid, aanhef en letter e, van de Wet Vpb 11. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en letter e, van de Wet Vpb is een stichting belastingplichtig indien en voor zover een onderneming wordt gedreven. Van het drijven van een onderneming is sprake indien met een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid wordt deelgenomen aan het economische verkeer met het oogmerk om daarmee winst te behalen, welke winst ook redelijkerwijs te verwachten valt. Het winstoogmerk wordt aangenomen indien met de uitoefening van de activiteiten structureel overschotten worden gerealiseerd (vgl. onder meer HR 29 juni 1955, ECLI:NL:HR:1955:AY2534 en HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3485).
Drijft eiseres een onderneming als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en letter e, van de Wet Vpb?
Er is hierdoor sprake van een sterke verwevenheid tussen de exploitatieresultaten en de subsidies die eiseres ontvangt. De exploitatieresultaten worden behaald met inkomsten die verworven zijn met onderzoek dat met de instituutssubsidie wordt bekostigd, zoals bedoeld in artikel 23 van de Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek (hierna: Sivto). Dit maakt dat de subsidievoorwaarden, inclusief de investerings-, prestatie- of terugbetalingsverplichting, ook van toepassing zijn op de in de jaarrekening verantwoorde resultaten die voortvloeien uit het contractonderzoek. En dat brengt mee dat de overschotten niet vrij ter beschikking staan aan het bestuur van eiseres. Dit volgt volgens eiseres ook uit de op haar van toepassing zijnde gedragsregels (Kamerstukken II 2013/14, 32 637, nr. 123 en bijlage 240097 bij Kamerstukken II 2012/13, 32 637, nr. 68).
Verweerder heeft het voorgaande gemotiveerd weersproken. Ook voert eiseres aan dat het vormen van een algemene reserve is verbonden met de gesubsidieerde taken en dat het resultaat daarom niet vrij besteedbaar is. Dit maakt dat de aanwezigheid van die reserve geen reden is om de aanwezigheid van een winstoogmerk aan te nemen. Hiernaast geeft eiseres als verklaring voor haar vermogen dat zij vermogen heeft moeten opbouwen ter verkrijging van een subsidie. Tot slot doet eiseres een beroep op het Subsidiebesluit waaruit volgens haar volgt dat zij geen winststreven heeft.
Verder overweegt de rechtbank dat de Subsidieregeling NLR en de door eiseres aangehaalde gedragsregels geen verplichtingen bevatten ter zake van de met het contractonderzoek behaalde overschotten. De gedragsregel dat de activiteiten in het kader van het contractonderzoek synergie moeten hebben met de doelstellingen van eiseres en met het publiek gefinancierd onderzoek, is onvoldoende om hierover anders te oordelen. Dat op eiseres geen terugbetalingsverplichting rustte ter zake van de met het contractonderzoek behaalde overschotten wordt overigens bevestigd door de verwerking van die overschotten in de jaarrekening, waarin daarvoor – anders dan voor de overschotten behaald met gesubsidieerd onderzoek – geen terugbetalingsverplichting is gepassiveerd.
Is de subjectvrijstelling van artikel 6b van de Wet Vpb van toepassing?
Slotsom 27. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en de uitspraak op bezwaar vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar in stand te laten, omdat eiseres door het instellen van het beroep niet in een slechtere positie mag komen te verkeren dan zonder het instellen van het beroep het geval zou zijn geweest (het verbod van reformatio in peius). De verliesvaststellingsbeschikking is een voor eiseres gunstige beschikking aangezien het vastgestelde verlies in latere jaren verrekend kan worden met eventuele belastbare winsten. De verliesvaststellingsbeschikking dient daarom in stand te worden gelaten.
Proceskosten en griffierecht 28. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht en het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.435,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 624, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor de conclusie van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1). Daarnaast dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden.”
5Beoordeling van het geschil Ten aanzien van het drijven van een onderneming (het incidenteel hoger beroep) 5.1.
Om proceseconomische redenen zal het Hof eerst het incidenteel hoger beroep behandelen. De klacht in het incidenteel hoger beroep houdt in dat er geen sprake is van het drijven van een onderneming nu er een terugbetalings- en bestedingsverplichting rust op de met het contractonderzoek behaalde exploitatieoverschotten. Deze overschotten zijn derhalve nooit vrij besteedbaar en van een winststreven kan dan geen sprake zijn, aldus belanghebbende.
De inspecteur meent dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat belanghebbende een geobjectiveerd winststreven heeft en een onderneming drijft (zie ro. 19 rechtbankuitspraak).
5.2.
De klacht van belanghebbende faalt. Het Hof onderschrijft hetgeen de rechtbank heeft geoordeeld onder 13, 14, 16 en 17 van haar uitspraak en neemt die rechtsoverwegingen over. Hetgeen belanghebbende hierover in haar incidenteel hoger beroep nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Ter zake van belanghebbendes beroep op het Subsidiebesluit 2005 onderschrijft het Hof voorts de overweging van de rechtbank, zoals opgenomen in de slotzin van rechtsoverweging 18, namelijk dat dit beroep niet kan slagen reeds omdat – ook met hetgeen belanghebbende hieromtrent in hoger beroep heeft aangevoerd – niet aannemelijk is geworden dat de met het contractonderzoek behaalde exploitatieoverschotten dienen te worden aangewend overeenkomstig de subsidiedoeleinden of terugbetaald dienen te worden aan de subsidieverstrekker.
Ten aanzien van de onderzoeksvrijstelling van artikel 6b van de Wet Vpb (het principaal hoger beroep) Standpunten van partijen 5.3.1.
De klacht van de inspecteur in hoger beroep houdt in dat de rechtbank een onjuiste uitleg geeft aan artikel 6b, eerste lid, aanhef en letter b, van de Wet Vpb, in het bijzonder aan de daarin vervatte zinsnede “bekostigd uit publieke middelen”. De inspecteur betoogt dat de gelijkstelling door de rechtbank van de term ‘bekostiging’ aan betaling uit publieke middelen niet strookt met het spraakgebruik. Bovendien wordt met de uitleg die de rechtbank hanteert geen recht gedaan aan de betekenis die deze zinsnede heeft binnen de wettelijke en juridische context en aan de positie van belanghebbende in het bijzonder. Aanwijzingen daarvoor kunnen worden gevonden in de Rijksbegrotingsvoorschriften 2016, waaruit naar de mening van de inspecteur volgt dat het begrip ‘bekostiging’ binnen het domein van overheidsbestedingen een eigen, meer vakinhoudelijke of technische betekenis heeft dan die welke de [bedrijf] daaraan toekent.
Niet iedere betaling uit publieke middelen is een vorm van bekostiging. Bij de beoordeling van een betaling uit publieke middelen als bekostiging of niet, zijn tevens van belang het oogmerk waarmee en de hoedanigheid waarin de betaling wordt gedaan, aldus de inspecteur. De rechtbank heeft deze aspecten onvoldoende meegewogen en haar uitleg waarbij alleen acht wordt geslagen op de herkomst van de gelden zou ertoe leiden dat ook door marktpartijen verricht onderzoek dat in opdracht van een publiekrechtelijk lichaam wordt uitgevoerd binnen de reikwijdte van de vrijstelling wordt gebracht. Dit is echter niet de bedoeling, aldus de inspecteur, gelet op de parlementaire geschiedenis bij artikel 6b waarin naar voren komt dat de vrijstelling juist is bedoeld voor bijdragen aan fundamenteel onderzoek dat niet door marktpartijen wordt opgepakt.
Een aanwijzing hiervoor ziet de inspecteur ook in de tekst van leden 1 en 4 van artikel 4:21 Awb.
5.3.2.
De inspecteur betoogt meer specifiek dat de 45,41 percent van belanghebbendes omzet behaald in het jaar 2016 die afkomstig is uit contractonderzoek voor (semi-)publieke partijen niet onderzoek betreft dat is bekostigd uit publieke middelen en derhalve niet meetelt voor de hoofdzakelijkheidstoets van artikel 6b, eerste lid, aanhef en letter b, van de Wet Vpb. Een hierop toepassen van de vrijstelling zou in strijd zijn met haar doel en strekking. Het ligt zijns inziens in de rede het begrip “bekostiging” op te vatten als het “verschaffen” of het “voorzien van” publieke middelen met als doel het stimuleren van niet winstgevend c.q. niet te vermarkten onderzoek. Ook dient in zijn optiek voor het begrip “bekostigen uit publieke middelen” mede acht te worden geslagen op het staatssteunrecht, in het bijzonder artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan belanghebbende het contractonderzoek jegens de overheid dient te verrichten tegen een marktconform tarief.
Geen sprake kan zijn van “bekostiging” in de zin van artikel 6b in situaties waarin de overheid een dienst afneemt en als tegenprestatie een marktconforme vergoeding betaalt, aldus de inspecteur. Hierbij is ook het overkoepelende doel van de Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen van belang, te weten het bewerkstelligen dat overheidsondernemingen die economische activiteiten ontplooien op dezelfde wijze aan de vennootschapsbelasting worden onderworpen als private ondernemingen (Kamerstukken II 2014/15, 34 003, nr. 6, blz. 2). Gelet op dat doel van het creëren van een gelijk fiscaal speelveld past het niet om private onderzoeksinstellingen vrij te stellen van vennootschapsbelasting naar gelang het percentage publiekrechtelijke opdrachtgevers, aldus de inspecteur.
5.3.3.
De inspecteur komt tot de slotsom dat de onderzoeksvrijstelling van artikel 6b, eerste lid, aanhef en letter b, van de Wet Vpb niet op belanghebbende van toepassing is. De inspecteur verzoekt het Hof om de andersluidende beslissing van de rechtbank te vernietigen (inclusief de beslissingen omtrent proceskosten en griffierecht) en om het beroep ongegrond te verklaren.
5.4.1.
Belanghebbende onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Voor een kwalificatie als onderzoek bekostigd uit publieke middelen in de zin van voormeld artikel 6b is haars inziens niet vereist dat een contractuele tegenprestatie ontbreekt. De term ‘bekostigen’ heeft slechts betrekking op de herkomst van de gelden en houdt niets in over het al dan niet bestaan van een tegenprestatie. Het oogmerk waarmee en de hoedanigheid waarin de betaling wordt gedaan zijn relevant bij de activiteitentoets, maar zijn voor de bekostigingstoets niet van belang. Voor een andersluidende uitleg is haars inziens in de wettekst en de parlementaire geschiedenis geen steun te vinden. Voor bekostiging door ANBI’s is wel expliciet in de wet geregeld dat die tegenprestatie behoort te ontbreken; voor bekostiging uit (andere) (semi-) publieke middelen is dat niet relevant, aldus belanghebbende. De voornoemde 45,41 percent van de omzet dient mee te tellen voor de onderzoeksvrijstelling. De vrijstelling is aldus op belanghebbende van toepassing.
5.4.2.
Belanghebbende meent verder dat als voor de uitlegging van het begrip “bekostiging” zou moeten worden aangesloten bij de Rijksbegrotingsvoorschriften 2016 hier op zijn minst een duidelijke aanwijzing voor had moeten zijn in de parlementaire geschiedenis bij bedoeld artikel 6b, wat ook in de literatuur hierover is betoogd. Die aanwijzing is er echter niet. Daarbij merkt belanghebbende nog op dat, zoals ook in de literatuur is opgemerkt, het voor de rechtszekerheid van belastingplichtigen – specifiek voor belanghebbende – van wezenlijk belang is dat aan de wettekst een groot gewicht toegekend dient te worden. Dit geldt temeer als de parlementaire geschiedenis de grammaticale interpretatie van deze wettekst ondersteunt wat in casu haars inziens zo is.
5.4.3.
Belanghebbende verzoekt het Hof daarom het gelijkluidende oordeel hierover van de rechtbank in stand te laten en het hoger beroep van de inspecteur ongegrond te verklaren.
Wettelijk toetsingskader en relevante parlementaire geschiedenis 5.5.1.
Het Hof onderschrijft het wettelijk toetsingskader zoals geciteerd door de rechtbank onder rechtsoverweging 21 van de uitspraak, en maakt dit kader derhalve tot de zijne.
5.5.2.
In de parlementaire geschiedenis van de Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen is een toelichting gegeven op de onderwijs- en onderzoeks-vrijstelling zoals neergelegd in het eerste lid, aanhef en letter b, van artikel 6b van de Wet Vpb. Het Hof citeert de volgende relevante passages (Kamerstukken II 2014/15, 34 003, nr. 3, blz. 25-31 en 40): “5.2. Bekostigd onderwijs en onderzoek Door de modernisering van de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen zullen bijvoorbeeld publiekrechtelijke universiteiten (maar bijvoorbeeld ook onderwijsinstellingen die deel uitmaken van een gemeente) niet langer zonder meer buiten de belastingplicht blijven. Publiekrechtelijke universiteiten zijn namelijk publiekrechtelijke rechtspersonen en worden als gevolg van dit wetsvoorstel belastingplichtig voor zover zij een onderneming drijven. Dit geeft aanleiding te bezien of een onderwijsvrijstelling gewenst is. Het kabinet beantwoordt die vraag bevestigend, mede gezien de omstandigheid dat onderwijs volgens het Europese recht geen economische activiteit, maar een dienst van algemeen (niet-economisch) belang is (DAB).
Het verzorgen van bekostigd onderwijs zal op zichzelf bezien geen winstgevende activiteit zijn, maar doordat de bekostiging niet steeds synchroon loopt met de uitgaven waarvoor de bekostiging dient, kunnen wel tijdelijk overschotten ontstaan. Dit leidt ook nu al tot knelpunten in de uitvoeringspraktijk. Derhalve acht het kabinet het wenselijk dat een brede, niet alleen voor universitair onderwijs geldende, onderwijs- en onderzoeksvrijstelling (...) wordt geïntroduceerd voor met publieke middelen of door wettelijk collegegeld en instellingscollegegeld bekostigde onderwijs- en onderzoeksactiviteiten. Door aan te sluiten bij bekostiging met publieke middelen valt in ieder geval de bekostiging door de Staat, de medeoverheden, de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), de Europese Unie en centrale en decentrale overheden in andere EU-lidstaten binnen de bekostigingseis.
Deze vrijstelling is van rechtswege van toepassing als de activiteiten van de belastingplichtige uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (voor 90% of meer) bestaan uit bekostigde onderwijs- of onderzoeksactiviteiten. Van vrij te stellen bekostigde onderwijs- of onderzoeksactiviteiten is sprake als het onderwijs of het onderzoek hoofdzakelijk (voor 70% of meer) wordt bekostigd door publieke middelen, uit wettelijk collegegeld of instellings- collegegeld, uit wettelijk lesgeld of uit bijdragen die worden ontvangen van algemeen nut beogende instellingen waarvoor geen dan wel marginale contractuele tegenprestatie wordt gevraagd. In dit geval is het subject van heffing vrijgesteld, waardoor de gehele winst van de belastingplichtige is vrijgesteld (ook de resultaten die worden behaald door middel van andere activiteiten, zoals onderwijs- en onderzoeksactiviteiten die niet voor ten minste 70% worden bekostigd met publieke middelen, uit wettelijk collegegeld of instellingscollegegeld, uit wettelijk lesgeld of uit bijdragen die worden ontvangen van algemeen nut beogende instellingen waarvoor geen dan wel een marginale contractuele tegenprestatie wordt gevraagd).
Op deze manier kunnen de administratieve lasten van de betreffende belastingplichtige en de uitvoeringskosten voor de Belastingdienst worden beperkt. Immers, in dat geval behoeft geen aangifte voor de vennootschapsbelasting te worden gedaan. In het wetsvoorstel wordt voor bepaalde lichamen die onderwijs geven of onderzoek verrichten, de mogelijkheid opengehouden om – net als bij de zorgvrijstelling en de in dit wetsvoorstel voorgestelde vrijstelling voor academische ziekenhuizen – een zogenoemde winstklem in te voeren. Het kabinet gaat ervan uit dat het gros van de in een stichting of vereniging ondergebrachte onderwijsinstellingen die basisonderwijs of voortgezet onderwijs aanbieden ofwel geen onderneming drijven en zodoende niet vennootschapsbelastingplichtig zijn ofwel van deze subjectvrijstelling gebruik kunnen maken. (…) 6.1.
Reacties op de internetconsultatie 6.3.
Herzieningen naar aanleiding van de consultatie Mede naar aanleiding van de reacties op de internetconsultatie en de consultatiegesprekken is het wetsvoorstel aanzienlijk gewijzigd. Al deze wijzigingen beperken de toename van de administratieve lasten en uitvoeringskosten ten opzichte van het geconsulteerde conceptwetsvoorstel. Daarnaast is de toelichting aangevuld en verduidelijkt. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste wijzigingen die in het wetsvoorstel zijn doorgevoerd ten opzichte van het conceptwetsvoorstel dat ter consultatie op internet is aangeboden. (…) De onderwijsvrijstelling is aangepast. Ten eerste is de bekostigingseis verruimd tot publieke bekostiging zodat nu ook de bekostiging door de EU, de gemeenten, het NWO en vergelijkbare bekostigingen kwalificeert. Ten tweede is de vrije bekostigingsruimte verhoogd van 10% naar 30%. Daarnaast is expliciet opgenomen dat wettelijk inschrijvings- en collegegeld, lesgeld en van algemeen nut beogende instellingen ontvangen bijdragen waarvoor geen dan wel een marginale contractuele tegenprestatie wordt gevraagd buiten de vrije ruimte vallen. Verder is in de memorie van toelichting aangegeven dat kennisvalorisatie een onlosmakelijk deel vormt van de onderzoeksactiviteiten (dit heeft ook relevantie voor de vrijstelling voor academische ziekenhuizen). (…) Artikel I, onderdeel D (artikelen 6b en 6c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969) Artikel 6b (…) Het voorgestelde artikel 6b, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet Vpb 1969 bevat een subjectieve vrijstelling voor lichamen die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend, dat wil zeggen voor 90% of meer, onderwijs of onderzoek verrichten, mits dat onderwijs en dat onderzoek hoofdzakelijk, dat wil zeggen voor 70% of meer, direct of indirect worden bekostigd uit publieke middelen, uit wettelijk collegegeld of instellingscollegegeld (als bedoeld in hoofdstuk 7, titel 3, paragraaf 2, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek), uit lesgeld als bedoeld in de Les- en cursusgeldwet, uit buitenlandse bijdragen die naar aard en strekking overeenkomen met de genoemde college- en lesgelden of uit van algemeen nut beogende instellingen ontvangen bijdragen waarvoor geen contractuele tegenprestatie wordt gevraagd.
Met de voorwaarde dat voor laatstgenoemde bijdrage geen contractuele tegenprestatie mag worden gevraagd, wordt voorkomen dat elke bijdrage van een algemeen nut beogende instelling tot de kwalificerende bekostiging kan worden gerekend. Het zou immers ook kunnen zijn dat een universiteit tegen betaling (bijdrage) een commercieel marktonderzoek verricht voor een algemeen nut beogende instelling. Van een contractuele tegenprestatie is evenwel geen sprake indien tegenover de bijdrage slechts een verplichting staat tot het geven van verantwoording over het gebruik van de bijdrage of over de daarmee bereikte resultaten. Voorgaande betekent dat als er sprake is van een marginale tegenprestatie de bijdrage niet meetelt voor de bekostigingseis.
Door voor de vrijstelling aan te sluiten bij de bekostiging uit, kort gezegd, publieke middelen kan voor het aanbieden van commercieel onderwijs geen aanspraak worden gemaakt op de vrijstelling. Onder de bekostiging uit publieke middelen valt niet alleen de bekostiging vanuit de rijksoverheid, maar bijvoorbeeld ook bekostiging vanuit een gemeente of een provincie. Daarbij kan worden gedacht aan het ter beschikking stellen van een schoolgebouw door de gemeente. Tevens vallen in ieder geval bijdragen van de NWO onder de bekostiging uit publieke middelen alsook bijdragen van de Europese Unie, bepaalde internationale instellingen en centrale en decentrale overheden in de lidstaten van de Europese Unie.
Door de 70%-eis met betrekking tot de bekostiging blijft ruimte bestaan voor bijvoorbeeld een vrijwillige eigen bijdrage van scholieren zonder dat dit meteen het verlies van de vrijstelling tot gevolg heeft. De overige activiteiten van onderwijsinstellingen mogen om gebruik te kunnen maken van de subjectvrijstelling slechts bijkomstig van aard zijn en moeten dan vallen binnen de marge van 10% die het «nagenoeg uitsluitend»-criterium met zich brengt. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het aanbieden van bijscholingscursussen, waarvoor geen bekostiging uit publieke middelen wordt ontvangen.”
5.5.3.
Naar aanleiding van vragen van de leden van de [naam 2] -fractie is de volgende passage opgenomen in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2014/15, 34 003, nr. 6, blz. 31): “Bekostigd onderwijs en onderzoek De leden van de fractie van de [naam 2] vragen wat onder onderwijs en onderzoek moet worden verstaan en of onder onderwijs ook nauw daarmee samenhangende activiteiten kunnen worden begrepen. De Orde stelt een vergelijkbare vraag. Voor een groot deel van de publiekrechtelijke onderwijsinstellingen in Nederland zal vermoedelijk gelden dat zij met hun activiteiten geen onderneming drijven. Echter, in die gevallen waarin, bijvoorbeeld als gevolg van het niet synchroon lopen van uitgaven en inkomsten, wel sprake is van een onderneming, acht het kabinet het – onder voorwaarden – niet wenselijk dat vennootschapsbelasting wordt geheven. Onder het begrip onderwijs vallen in ieder geval de bekostigde scholingsactiviteiten van basisscholen, middelbare scholen, beroepsopleidingen en universiteiten.
Bij onderzoek moet met name worden gedacht aan fundamenteel onderzoek dat niet door marktpartijen wordt opgepakt. Dergelijk onderzoek wordt voornamelijk door universiteiten verricht die daarvoor in de regel ook bekostiging ontvangen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap respectievelijk van het Ministerie van Economische Zaken (bijvoorbeeld de universiteit [naam 3] ). Ook het niet-commerciële onderzoek dat toegepaste onderzoeksinstellingen zoals TNO verrichten, valt bijvoorbeeld onder het bereik van deze vrijstelling. Om gebruik te kunnen maken van deze vrijstelling geldt voor zowel onderzoek als onderwijs dat sprake moet zijn van minimaal 70% bekostiging uit publieke middelen.
Hiermee wordt materieel bereikt dat bijvoorbeeld commercieel onderwijs van universiteiten en commercieel onderzoek van universiteiten en toegepaste onderzoeksinstellingen in beginsel buiten het toepassingsbereik van de vrijstelling vallen, behoudens voor zover, gelet op de omvang van – kort gezegd – de commerciële activiteiten ten opzichte van het totaal aan activiteiten, de subjectvrijstelling van toepassing is. Dergelijk onderwijs en onderzoek wordt in de regel namelijk niet voor minimaal 70% bekostigd uit publieke middelen. Het is niet de bedoeling dat nevenactiviteiten, zoals het detacheren van personeel of het commercieel verhuren van ruimten, onder het bereik van de vrijstelling vallen.
Voordat echter aan deze vrijstelling kan worden toegekomen, dient, in geval van een publiekrechtelijke instelling, een stichting of een vereniging, eerst bezien te worden of met deze activiteiten sprake is van het drijven van een onderneming.”
5.5.4.
Naar aanleiding van vragen van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs staat de volgende passage in diezelfde nota (Kamerstukken II 2014/15, 34 003, nr. 6, blz. 42-43): “De Orde vraagt wat bedoeld wordt met kennisvalorisatie. Kennisvalorisatie laat zich niet omschrijven in een voor de vennootschapsbelasting bruikbare definitie. Ten aanzien van de reikwijdte van de relevante vrijstelling met betrekking tot kennisvalorisatie merk ik het volgende op. Het is de bedoeling om de kennisvalorisatie die in het publieke domein plaatsvindt onder het toepassingsbereik van de onderwijsvrijstelling en de vrijstelling voor academische ziekenhuizen te brengen. Daarbij kan gedacht worden aan het beschikbaar maken van onderzoeksresultaten aan het publiek. Uitdrukkelijk is het niet de bedoeling onderzoeksresultaten die commercieel worden benut onder het toepassingsbereik van de vrijstellingen te brengen.
In het kader van de onderwijsvrijstelling wordt door de Orde gevraagd of middelen die indirect worden verkregen van een publiekrechtelijke rechtspersoon ook kunnen worden aangemerkt als publieke middelen. Dit is inderdaad mogelijk. Indien bijvoorbeeld een gemeente de verdeling van de gelden die zij ter beschikking heeft voor de bekostiging van huisvesting van basisonderwijs verricht vanuit een door haar voor dat doel beheerste stichting, kunnen de gelden die van deze stichting worden verkregen nog steeds worden aangemerkt als publieke middelen. Daarnaast vraagt de Orde of gelden die van indirecte overheidsondernemingen zijn verkregen, zijn aan te merken als publieke middelen. Dit hangt af van de omstandig heden van het geval.
De hierboven geschetste situatie van de gemeente- lijke stichting betreft ook een indirecte overheidsonderneming waarbij de gelden nog steeds zijn aan te merken als publieke middelen. Omdat de Orde geen voorbeelden geeft, staat mij – afgezien van de hierboven bedoelde casus – niet voor ogen op welke casussen gedoeld kan zijn. In het algemeen geldt dat middelen van een publiekrechtelijke rechtspersoon of een privaatrechtelijk overheidslichaam die niet zijn voortgekomen uit een commerciële activiteit aangemerkt kunnen worden als publieke middelen. Bovendien, wanneer publieke middelen voor onderwijs of onderzoeksactiviteiten aan derden ter beschikking wordt gesteld om het te verdelen over eindbegunstigden, tast die verdeling het publieke karakter van die middelen in beginsel niet aan.
Ter illustratie, de toekenning door NWO van onderzoeksbudgetten valt onder de reikwijdte van de vrijstelling.”
Oordeel Hof 5.6.
Het Hof stelt voorop dat, net als in de beroepsfase, tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbende gedurende het onderhavige jaar 2016 uitsluitend of nagenoeg uitsluitend onderzoek heeft verricht in de zin van artikel 6b, eerste lid, aanhef en letter b, van de Wet Vpb. Partijen houdt ook thans verdeeld of wordt voldaan aan het vereiste dat de onderzoeks- activiteiten hoofdzakelijk (namelijk voor minstens 70 percent) worden bekostigd uit publieke middelen. Als de door belanghebbende voorgestane interpretatie wordt gevolgd, is niet in geschil dat belanghebbende voor het onderhavige jaar voldoet aan alle voorwaarden voor de toepassing van de onderzoeksvrijstelling van artikel 6b, eerste lid, aanhef en letter b, van de Wet Vpb.
5.7.1.
Voor de beoordeling is allereerst het volgende van belang (zie onder ro. 5 van de rechtbankuitspraak). Belanghebbende behaalde in het onderhavige jaar 2016 een omzet van in totaal € 81.700.000. Deze omzet is voor 29,62 percent afkomstig uit publiek gesubsidieerd onderzoek, voor 45,41 percent afkomstig uit contractonderzoek voor (semi-)publieke partijen en voor 24,97 percent afkomstig uit contractonderzoek uitgevoerd voor private partijen.
5.7.2.
Belanghebbende meent dat is voldaan aan de eis dat ten minste 70 percent van haar onderzoeksactiviteiten wordt bekostigd uit publieke middelen. De inspecteur betwist dit en meent dat de genoemde 45,41 percent aan contractonderzoek niet mag worden meegerekend.
Waar het op aankomt is het antwoord op de vraag of de 45,41 percent aan omzet afkomstig uit contractonderzoek voor (semi-)publieke partijen kwalificeert als onderzoek ‘bekostigd uit publieke middelen’. In het bijzonder ligt voor of met de uitdrukking ‘bekostigen uit publieke middelen’ wordt uitgesloten dat een contractuele tegenprestatie bestaat. Gelet op dit verschil in visie heeft de rechtbank terecht de uitlegging van de zinsnede ‘bekostigd uit publieke middelen’, zoals opgenomen in artikel 6b, eerste lid, aanhef en letter b, van de Wet Vpb bij haar beoordeling tot uitgangspunt genomen (zie ro. 22 en 25 van de uitspraak van de rechtbank). Hiertoe dient in de eerste plaats te worden gekeken naar de van toepassing zijnde wettekst.
5.8.1.
Het Hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat de omzet afkomstig uit onderzoek bekostigd uit (semi-)publieke middelen waarbij een contractuele tegenprestatie bestaat, op grond van de tekst van het eerste lid, aanhef en letter b, van artikel 6b van de Wet Vpb niet wordt uitgesloten voor toepassing van de onderzoeksvrijstelling. Aangezien de Wet Vpb en de wetsgeschiedenis geen definitie of nadere omschrijving bevatten van de bewoordingen ‘bekostigd uit publieke middelen’, heeft de rechtbank terecht een grammaticale interpretatie van deze bewoordingen voorop gesteld. Evenals de rechtbank is het Hof van oordeel dat de term ‘bekostigen’, uitgelegd naar spraakgebruik, de betekenis van ‘de kosten dragen van’ heeft en daarmee slechts betrekking heeft op de herkomst van gelden (de wijze van financieren). Met deze bewoordingen wordt het bestaan van een tegenprestatie dus niet uitgesloten. De context van de wet waarin deze terminologie is opgenomen, leidt niet tot de door de inspecteur voorgestane uitleg. De voorwaarde dat een contractuele tegenprestatie ontbreekt, is in de tekst van artikel 6b immers alleen gesteld voor onderwijs en onderzoek dat is bekostigd uit bijdragen van algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s).
Aan dat vereiste liggen, zo volgt helder uit de parlementaire geschiedenis, specifieke beweegredenen ten grondslag (te weten: voorkomen dat iedere bijdrage van een ANBI tot een kwalificerende bekostiging kan worden gerekend, zie de onder 5.5.2 geciteerde artikelsgewijze toelichting) die met betrekking tot het contractonderzoek bekostigd uit (andere) (semi-)publieke middelen niet hebben gespeeld.
5.8.2.
De relevante passages uit de parlementaire geschiedenis, zoals geciteerd onder 5.5.2 tot en met 5.5.4, leiden niet tot een andere uitleg van de termen ‘bekostigd uit publieke middelen’. Weliswaar kan op grond van die passages, zoals de inspecteur heeft betoogd, worden gesteld dat de wetgever, voorafgaande aan de invoering van de onderzoeksvrijstelling, ernaar heeft gestreefd dat alleen fundamenteel onderzoek dat niet door marktpartijen wordt opgepakt onder het toepassingsbereik van de vrijstelling valt. Diezelfde passages wettigen echter nog niet de daaraan door de inspecteur verbonden conclusie dat hiermede onderzoek van Vpb-belastingplichtigen bekostigd uit (semi-)publieke middelen en waarbij een contractuele tegenprestatie bestaat dient te worden uitgesloten van de toepassing van de onderzoeksvrijstelling.
Dergelijk contractonderzoek is in de parlementaire geschiedenis niet expliciet aan de orde geweest. Voorts vermag het Hof in die geschiedenis, en in het bijzonder in de daarin opgenomen uitlating van de wetgever dat met de onderzoeksvrijstelling ”materieel [wordt] bereikt dat bijvoorbeeld (…) commercieel onderzoek van universiteiten en toegepaste onderzoeksinstellingen in beginsel buiten het toepassingsbereik van de vrijstelling vallen” (zie 5.5.2) slechts een aanwijzing hiervoor te lezen, maar niet de beperking dat uit publieke middelen bekostigd contractonderzoek waarbij een contractuele tegenprestatie bestaat van de vrijstelling wordt uitgesloten. Daarbij wijst het Hof er ook op dat de wetgever van een ‘in beginsel’ buiten toepassing blijven van de vrijstelling rept.
De wetsgeschiedenis bevat evenmin aanknopingspunten voor de door de inspecteur bepleite interpretatie (zie 5.3.1) op grond van de Rijksbegrotingsvoorschriften 2016 en/of de in artikel 4:21 Awb opgenomen definities. De wetsgeschiedenis bevat derhalve onvoldoende aanknopingspunten voor de door de inspecteur bepleite uitleg van de bewoordingen ‘bekostigd uit publieke middelen’, in afwijking van de hiervoor besproken grammaticale interpretatie van deze bewoordingen.
5.8.3.
Daarbij heeft het Hof mede in aanmerking genomen dat de begrippen “commercieel onderzoek”, “commerciële activiteit”, “bekostigd” en “tegenprestatie” in de parlementaire geschiedenis van deze bepaling niet nader zijn geduid. De inspecteur heeft ter zitting van het Hof overigens verklaard dat er geen passage in de parlementaire geschiedenis van artikel 6b, eerste lid, aanhef en letter b, Wet Vpb is te vinden waaraan hij ontleent dat bij ‘bekostiging uit publieke middelen’ er geen contractuele tegenprestatie mag zijn, doch alleen – vrij impliciete – aanwijzingen hiervoor (zie 2.3). Voor zover het standpunt van de inspecteur berust op het uitgangspunt dat de wetgever geacht dient te worden voornoemde uitsluiting te hebben beoogd, kan het Hof hem daarin niet volgen. Naar 's Hofs oordeel kan niet worden uitgegaan van een zodanige ruime duiding van deze parlementaire geschiedenis.
5.8.4.
Het overkoepelende doel van de Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen biedt evenmin voldoende aanknopingspunten om, conform de door de inspecteur gestelde uitleg, het uit publieke middelen gefinancierd contractonderzoek uit te sluiten. Dit doel is het creëren van een gelijk speelveld op het gebied van de vennootschapsbelasting tussen enerzijds overheidsondernemingen en anderzijds private ondernemingen. Uit de tekst van artikel 6b Wet Vpb volgt dat ook private aanbieders een beroep kunnen doen op de onderwijs- en onderzoeksvrijstelling, mits daarbij is voldaan aan alle daaraan in artikel 6b gestelde voorwaarden, zodat het beoogde gelijke speelveld kan worden bereikt.
5.8.5.
De omstandigheid dat belanghebbende met het contractonderzoek voor de (semi)publieke sector een dienst verricht en zij hiervoor als tegenprestatie een marktconforme vergoeding vraagt, heeft derhalve niet tot gevolg dat de ermee gemoeide omzet niet meetelt bij de bekostigingstoets. Zoals overwogen onder 5.8.1 en 5.8.2 is het begrip ‘bekostiging’ in artikel 6b, eerste lid, aanhef en letter b, van de Wet Vpb en in de parlementaire geschiedenis op dit punt niet c.q. onvoldoende geduid. Om die reden hoeft dit vragen van een markconforme vergoeding niet in de weg te staan aan toepassing van de vrijstelling.
5.9.
Al hetgeen de inspecteur overigens nog in zijn hoger beroep naar voren heeft gebracht, leidt het Hof niet tot een ander oordeel.
Slotsom 5.10.
Het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep zijn ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
6Kosten In de omstandigheid dat het principale hoger beroep van de inspecteur ongegrond is, ziet het Hof aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit hoger beroep. Het Hof stelt de op grond van artikel 8:75 juncto artikel 8:108 Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht te vergoeden kosten (voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand door een derde) vast op: 2 (proceshandelingen: verweerschrift in hoger beroep en verschijnen ter zitting) x € 934 x 1 (wegingsfactor) = € 1.868.
7Beslissing Het Hof:
De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, voorzitter, H.E. Kostense en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier.
De beslissing is op 17 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
De uitspraak is, bij verhindering van de voorzitter, ondertekend door de oudste raadsheer.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op