afdeling strafrecht parketnummer: 23-002007-24 (ontneming) datum uitspraak: 3 maart 2026 TEGENSPRAAK (279 Sv) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 maart 2020 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-728123-17 tegen de betrokkene [betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985, adres: [adres] . Procesgang Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, ter hoogte van € 308.092,10. De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 maart 2020 – kort gezegd – veroordeeld ter zake van mensenhandel van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2] ) als benadeelden. Tevens heeft de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen. Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 10 maart 2020 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 236.740,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen. De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 april 2022 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – mensenhandel van [benadeelde partij 2] en haar vordering benadeelde partij is gedeeltelijk toegewezen. Het hof heeft bij arrest van diezelfde datum het ontnemingsvonnis van de rechtbank vernietigd en de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 293.028,48. De veroordeelde heeft tegen beide arresten beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 10 september 2024 het ontnemingsarrest van het hof vernietigd, omdat het middel slaagt dat – kort gezegd – klaagt dat de door de betrokkene gemaakte, op de opbrengsten in mindering te brengen kosten niet op de juiste wijze zijn berekend door het hof. De zaak is vervolgens teruggewezen naar dit hof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht. De betrokkene is bij het strafarrest van dit hof (arrest van 25 april 2022, dat in zoverre door de Hoge Raad in stand is gelaten en onherroepelijk
- is)veroordeeld ter zake van mensenhandel met [benadeelde partij 2] als benadeelde. Verder is betrokkene bij strafarrest van heden (3 maart 2026) veroordeeld tot betaling van € 278.680,00 aan benadeelde [benadeelde partij 2] ter zake van aan haar toegebrachte materiële schade. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing door de Hoge Raad, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 januari en 3 maart 2026. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 272.680,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de kosten overeenkomstig de conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad moeten worden berekend, hetgeen volgens de advocaat-generaal leidt tot een bedrag van € 277.680,00. Daarnaast heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn de betalingsverplichting met een bedrag van € 5.000,00 moet worden verminderd. De raadsman heeft in hoger beroep bepleit dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 267.680,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, in verband met de herberekening van de kosten en omdat hij vindt dat vanwege de overschrijding van de redelijke termijn het te betalen bedrag met € 10.000,00 moet worden verminderd (dus: € 277.680,00 minus € 10.000,00). Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat de betrokkene voordeel heeft verkregen uit de mensenhandel van [benadeelde partij 2] . Bewezen is dat de betrokkene [benadeelde partij 2] gedurende een periode van in totaal 42 maanden seksueel heeft uitgebuit en de verdiensten uit haar prostitutiewerkzaamheden aan hem heeft laten afstaan. De verdiensten die [benadeelde partij 2] aan de betrokkene heeft afgestaan bedragen in totaal € 360.000,00 (€ 65.000.00 in 2009; € 65.000,00 in 2010; € 50.000,00 in 2011; € 180.000,00 in 2013 en 2014). Op basis van het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict van 3 april 2018 (verder: het ontnemingsrapport) en aan de hand van een schatting stelt het hof vast dat de betrokkene € 82.320,00 aan kosten heeft gemaakt (zie ook het heden uitgesproken arrest in de ‘strafzaak’). Het hof komt hiertoe als volgt. Het ontnemingsrapport houdt in dat de betrokkene € 117.600,00 aan kosten had in een periode van 240 weken had (dat wil zeggen: € 490,00 per week). Afgezien van het aantal weken zal het hof – schattenderwijs – uitgaan van de aan deze berekening ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden/ kosten. Dat betekent dat het hof op grond van die berekening ervan uitgaat dat de verdachte € 117.600,00 / 240 = € 490,00 per gewerkte week aan kosten heeft gemaakt. Nu het hof uitgaat van 168 gewerkte weken (het hof heeft bij de berekening – ten voordele van de verdachte – één maand gelijkgesteld aan vier weken) brengt dat het hof tot de conclusie dat de totaal gemaakte kosten € 82.320,00 (168 x € 490,00) bedragen. Aftrek van in rechte toegekende vorderingen van benadeelde derden Rekening houdend met het voor betrokkene gunstiger toepasselijke recht in (een deel van
- de)periode waarin de betrokkene het wederrechtelijke voordeel heeft verkregen, wordt bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijke voordeel wordt geschat de aan de benadeelde derde in rechte toegekende vordering voor wat betreft materiële schade in mindering gebracht (artikel 36e lid 8 (oud) Sr.). Dat deel van de vordering is door het hof in zijn arrest van heden bepaald op een bedrag van € 278.680,00 , zodat het bedrag waarop het wederrechtelijke voordeel wordt geschat met dit bedrag wordt verminderd. Het te ontnemen bedrag wordt daarmee vastgesteld op nihil. Redelijke termijn Nu het te ontnemen bedrag wordt vastgesteld op nihil zal het hof volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep, cassatie en na terugwijzing met ongeveer vijfeneenhalve maand is overschreden. Verplichting tot betaling aan de Staat De betalingsverplichting wordt gezien het voorgaande gesteld op een bedrag van € 0,00. Toepasselijk wettelijk voorschrift De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e (oud) van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 0,00 (NIHIL). Legt aan betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 0,00 (NIHIL). Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. T. de Bont en mr. D.A.C. Koster, in tegenwoordigheid van mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 maart 2026. Mr. Van Heffen is niet in de gelegenheid dit arrest mee te ondertekenen. ========================================================================= […] Het hof leest de schriftelijke vordering van de advocaat-generaal verbeterd tot dit bedrag, nu in die vordering ten onrechte een bedrag van € 1000,- voor het verwijderen van tatoeages dubbel is afgetrokken, zoals ook mondeling ter terechtzitting door de advocaat-generaal aangegeven.