Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-003952-13 Uitspraak d.d.: 20 december 2013 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Nederland van 22 maart 2013 met parketnummer 05-700637-12 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag], Zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 december 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. R.A.C. Frijns, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat: Primair:Hij op of omstreeks 29 november 2011, te Ede, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig(personenauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Hogerhorst, roekeloos, althans zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam, terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd, en/of heeft gereden met een snelheid van 40 kilometer per uur, althans een hogere snelheid dan de voor hem aldaar geldende maximum snelheid van 30 kilometer per uur, en/of (daarbij) in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was voormeld motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, die weg, de Hogerhorst, kon overzien en waarover deze vrij was en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van die weg, Hogerhorst, en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten en/of (daarbij), ter hoogte van het kruispunt met de Hogerhorst en Arendshorst, in strijd met artikel 15 van vernoemd reglement, op een gelijkwaardig kruispunt, geen voorrang heeft verleend aan een, voor hem van rechts komende fiets(er), en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met (de bestuurder van) die fiets, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht; zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, immers heeft hij, verdachte de ter plaatse voor dat motorrijtuig toegestane maximum snelheid van 30 kilometer per uur met 11 kilometer per uur, althans 10 kilometer per uur, in elk geval aanzienlijk overschreden, en/of zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte, geen voorrang heeft verleend; Subsidiair:Hij op of omstreeks 29 november 2011 te Ede als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Hogerhorst, gaande in de richting van Bellestein, terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd, en/of heeft gereden met een snelheid van 40 kilometer per uur, althans een hogere snelheid dan de voor hem aldaar geldende maximum snelheid van 30 kilometer per uur, en/of (daarbij) in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was voormeld motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, die weg, de Hogerhorst, kon overzien en waarover deze vrij was en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van die weg, Hogerhorst, en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten en/of (daarbij), ter hoogte van het kruispunt met de Hogerhorst en Arendshorst, in strijd met artikel 15 van vernoemd reglement, op een gelijkwaardig kruispunt, geen voorrang heeft verleend aan een, voor hem van rechts komende fiets(er), en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met (de bestuurder van) die fiets, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Ter beoordeling van de vraag of verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan zal het hof achtereenvolgens ingaan op de vraag of en welke feitelijke gedragingen en omstandigheden die ten laste zijn gelegd kunnen worden bewezen en of de bewezen geachte gedragingen in het licht van de bewezen geachte omstandigheden schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 opleveren. Op grond van de in de eventueel later op te maken aanvulling gebezigde bewijsmiddelen acht het hof, de volgende feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen. Verdachte reed op 29 november 2011, een klein uur na zonsondergang terwijl het helder en droog weer was, op de Hogerhorst te Ede. Verdachte reed met een snelheid van 36 à 37 km/h over deze weg terwijl de aldaar geldende maximumsnelheid 30 km/h bedroeg. Ter hoogte van de kruising van de Hogerhorst met de Arendshorst is verdachte in aanrijding gekomen met een van rechts komende fietsster. Deze fietsster is daarbij ten val gekomen en heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De kruising van de Hogerhorst met de Arendshorst ligt in een woonwijk en betreft een gelijkwaardige kruising waarop verdachte voorrang behoorde te verlenen aan het verkeer dat van de Arendshorst af komt. Gelet op het tijdstip van het ongeval (rond half zes ’s avonds) bij schemering had verdachte rekening moeten houden met de aanwezigheid van zwakke deelnemers die niet op elk moment goed zichtbaar zijn en welke hij, wanneer deze vanaf de Arendhorst af kwamen rijden, voorrang moest verlenen. Deze omstandigheden maken dat van verdachte bij nadering van die kruising extra voorzorg en oplettendheid mocht worden verwacht. Naar het oordeel van het hof brengen de omstandigheden ter plaatse op het moment van het ongeval met zich dat verdachte, ondanks de aldaar geldende maximumsnelheid van 30 km/h, de kruising met een lagere snelheid had moeten oprijden, namelijk met een snelheid die hem in staat zou hebben geacht te stoppen voor ander verkeer op die kruising. Verdachtes snelheid was hoger dan die volgens het hof ter plaatse geëigend was. Anders dan de rechtbank en de verdediging is het hof voorts van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de fietsster die verdachte heeft aangereden vanuit de Arendshorst de kruising is opgereden en voor verdachte gezien van rechts kwam. Daartoe heeft het hof om te beginnen in aanmerking genomen de verklaring van de fietsster dat zij altijd deze route naar huis fietste en het gegeven dat het door de verdachte geschetste scenario dat de botspositie vóór de kruising plaatst, door de politie als zeer onwaarschijnlijk is aangemerkt. Daarnaast stelt het hof vast dat de fiets op het moment van de botsing zich ongeveer haaks op de rijrichting van de auto van verdachte bevond en dat bij onderzoek op de achterband van de fiets recente schuifsporen zijn aangetroffen die vrijwel haaks op de lengterichting van de fiets stonden afgetekend. Ten slotte heeft de politie op het remspoor van de auto van verdachte een lichte verdikking in de aftekening op de weg waargenomen die volgens de politie kennelijk is ontstaan doordat de massa van de bestuurster van de fiets, al dan niet met haar fiets op het moment van de botsing de voorzijde van de personenauto in verticale richting belastte. De markering van die verdikking op foto 7290 (pagina 32 van 50 van het aanvullend pv VOA), te weten tussen de twee oranje stippellijnen na de rioolput, bevindt zich midden op de kruising van de Hogerhorst en de Arendshorst (het hof leidt dat af uit de twee PC-Rect bewerkingen gevoegd bij het pv VOA van 14 januari 2012). Het hof merkt dat punt aan als de botspositie. Uit de omstandigheid dat de fietsster zich op het moment van de aanrijding ongeveer haaks op de rijrichting van de auto bevond, leidt het hof af dat de fietsster voorafgaand aan het ongeval in een min of meer rechte lijn heeft gereden. Wanneer die rechte lijn vanuit de botspositie wordt doorgetrokken kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de fietsster van rechts kwam aanrijden vanuit de Arendshorst. Dat geldt eens temeer daar dit scenario ondersteuning vindt in de verklaring van de fietsster en de door verdachte geschetste lezing als zeer onwaarschijnlijk kan worden aangemerkt. Het voorgaande brengt met zich dat verdachte de fietsster derhalve voorrang had moeten verlenen. Verdachte heeft deze voorrangsovertreding gepleegd terwijl de fietsster gedurende enige tijd zichtbaar moet zijn geweest, temeer daar zij aan de linkerkant van de auto is geraakt en zij zich – uitgaande van voornoemde rechte lijn – op de kant van het kruisingsvlak bevond welke blijkens verschillende foto’s goed verlicht was (het hof leidt dit af uit de foto’s met de nummers 7891, 7917, 7918, 7921, 7922, pagina 22/24/25 van 50 van het aanvullend pv VOA van 13 februari 2013). De vraag is vervolgens of deze feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.