Beschikking d.d. 19 december 2013 Zaaknummer 200.134.013 HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN Locatie Leeuwarden Beschikking in de zaak van [appellante] , verblijvende te [plaats], appellant, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. H.M. Bakker, kantoorhoudende te Heerenveen, tegen Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland, kantoorhoudend te Leeuwarden, geïntimeerde, hierna te noemen: BJZ. Belanghebbende: [belanghebbende], verblijvende te [plaats], hierna te noemen: de vader, advocaat mr. H.M. Bakker, kantoorhoudende te Heerenveen. Het geding in eerste aanleg Bij beschikking van 14 juni 2013 (zaaknummer C/17/127194 / FJ RK 13-530) heeft de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden aan de gezinsvoogdij-instelling een machtiging verleend om de minderjarige [minderjarige], geboren [in 2013], in een voorziening voor pleegzorg te plaatsen met ingang van 14 juni 2013 tot 20 februari 2014. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het geding in hoger beroep Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 10 september 2013, heeft de moeder verzocht de beschikking van 14 juni 2013 te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat de beschikking tot verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing zoals die is afgegeven met onmiddellijke ingang eindigt. Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 18 oktober 2013, heeft BJZ het verzoek bestreden en verzocht om de bestreden beschikking te bekrachtigen. Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder de stukken uit eerste aanleg, een journaalbericht met bijlage, binnengekomen bij de griffie van het hof op 7 oktober 2013 van mr. Bakker, een journaalbericht met bijlage, binnengekomen bij de griffie van het hof op 9 oktober 2013 van mr. Bakker en een brief van 4 oktober 2013 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad), waarin de raad aangeeft niet over relevante rapportage/adviezen te beschikken. Ter zitting van 21 november 2013 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de moeder en de vader, bijgestaan door hun advocaat. Namens BJZ zijn mr. F.M. de Jong en M. Cohen (gezinsvoogd) verschenen. Mr. De Jong heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een door hem overgelegde pleitnotitie. De beoordeling De vaststaande feiten 1. Bij beschikking van 20 februari 2013 is het nog ongeboren kind van de ouders onder toezicht gesteld van BJZ. Bij beschikking van dezelfde datum is het verzoek van de raad tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing vanaf de geboorte van het dan nog ongeboren kind van de ouders, door de kinderrechter afgewezen. De raad is tegen deze beslissing niet in hoger beroep gekomen. 2. [minderjarige] is [in 2013] geboren uit de relatie tussen de ouders. De ouders zijn samenwonend. De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder is met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] belast. De vader staat onder bewind alsmede onder toezicht van de reclassering vanwege een seksueel delict gepleegd in 2010. 3. Op 29 maart 2013 heeft de gezinsvoogd een akkoordverklaring bij de moeder neergelegd met het verzoek deze samen met de vader te tekenen zodat BJZ informatie van derden (reclassering, Hoeve Boschoord, voogdij-instellingen, GGZ) kan opvragen, welke van belang wordt geacht om te beoordelen welke hulpverlening er dient te worden ingezet en om afwegingen te kunnen maken in het belang van [minderjarige]. 4. BJZ heeft op 3 april 2013 een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de moeder waarbij is aangegeven dat de ouders, teneinde de veiligheid van [minderjarige] te kunnen garanderen, zich aan het volgende dienen te houden: de opa's en oma's van beide kanten mogen niet in de woning komen en mogen geen contact met [minderjarige] hebben; de ouders moeten de akkoordverklaring tekenen voor 5 april aanstaande, 08.30 uur; er mogen geen ex-groepsgenoten van Hoeve Boschoord in de woning komen of contact hebben met [minderjarige]; de ouders dienen mee te werken aan de hulpverlening zoals BJZ die indiceert. Daarbij is aangegeven dat wanneer de ouders de akkoordverklaring niet tekenen, de samenwerking met de gezinsvoogd stopzetten, de geïndiceerde hulpverlening niet accepteren, BJZ de veiligheid van [minderjarige] niet kan waarborgen en er een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing zal worden aangevraagd. 5. De kinderrechter heeft bij beschikking van 21 juni 2013 de aanwijzing vervallen verklaard. 6. BJZ heeft de kinderrechter bij inleidend verzoekschrift van 14 mei 2013 verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling. 7. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de kinderrechter beslist als hiervoor vermeld onder 'Het geding in eerste aanleg'. Het hoger beroep van de moeder richt zich tegen deze beslissing. 8. [minderjarige] verblijft sinds 14 juni 2013 in het huidige pleeggezin. De ouders hebben eenmaal per twee weken één uur begeleide omgang met [minderjarige] op het kantoor van BJZ in Drachten. De overwegingen 9. Een machtiging tot uithuisplaatsing kan worden verleend indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of indien dit noodzakelijk is tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van de minderjarige. 10. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat er sprake is van een dusdanig zorgelijke situatie dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] (thans 9 maanden oud) noodzakelijk was en is om hem uit huis te plaatsen. 11. Er bestaan veel zorgen over de basale zorg en veiligheid van [minderjarige] in het gezin van de ouders. De ouders hebben beide een belast verleden. Zij zijn beiden zelf slachtoffer geweest van verwaarlozing en seksueel misbruik. De grootvader (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.