Beschikking d.d. 23 mei 2013 Zaaknummer 200.118.509 HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN Locatie Leeuwarden Beschikking in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats 1], appellant, hierna te noemen: de vader, advocaat mr. J.M. van Duursen, kantoorhoudende te Roden, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats 2], geïntimeerde, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. W.Chr. de Roos, kantoorhoudende te Groningen. Het geding in eerste aanleg Bij beschikking op grond van artikel 1:377g Burgerlijk Wetboek van 30 oktober 2012 (met zaaknummer 135345 / FA RK 12-1592) heeft de rechtbank Groningen - voor zover hier van belang - de beschikking van het gerechtshof Leeuwarden van 30 augustus 2012 (het hof leest: voor wat betreft de daarin opgenomen contactregeling) geschorst en bepaald dat de in de praktijk functionerende contactregeling tussen de vader en de minderjarigen [kind 1], geboren [in 2001], en [kind 2], geboren [in 2003], van één zondag per veertien dagen herleeft, totdat nader wordt beslist, en de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad), vestiging Groningen, verzocht met spoed een onderzoek in te stellen met betrekking tot de contactregeling tussen de man en voornoemde minderjarigen en daarin uitdrukkelijk te betrekken een onderzoek met betrekking tot eventuele blokkades bij de minderjarigen omtrent een uitbreiding van de contactregeling, en daarvan aan de rechtbank rapport en advies uit te brengen. Het geding in hoger beroep Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 14 december 2012, heeft de vader verzocht: de beschikking van 30 oktober 2012 te vernietigen en de minderjarige kinderen [kind 1] en [kind 2] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, althans hun verzoek tot wijziging van de omgangsregeling niet-ontvankelijk te verklaren, althans af te wijzen; de vrouw te veroordelen de weekendregeling zoals vastgesteld bij beschikking van de rechtbank Groningen van 29 november 2011 en bekrachtigd door het hof bij beschikking van 30 augustus 2012 en de in de beschikking van het hof van 30 augustus 2012 vastgestelde regeling tijdens de vakanties en feestdagen na te komen, de beschikking uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren voor de duur van telkens drie dagen voor iedere keer dat de vrouw de bij genoemde beschikkingen vastgestelde omgangsregeling niet nakomt, verlof te verlenen tot dadelijke tenuitvoerlegging van de lijfsdwang na betekening van de beschikking, althans een zodanig dwangmiddel op te leggen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren. Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 13 februari 2013, heeft de moeder het verzoek bestreden en verzocht primair het appel van de vader niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair de grieven en het verzoek van de vader af te wijzen. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken waaronder een brief van 17 december 2012 van mr. Van Duursen met bijlagen; een brief van 18 januari 2013 van mr. Van Duursen met bijlagen; een faxbericht van 29 januari 2013 van mr. De Roos (tevens als brief binnengekomen op 30 januari 2013) waarin mr. De Roos het hof verzoekt een uitstel te verlenen voor het indienen van een verweerschrift, welk verzoek op 29 januari 2013 aan mr. De Roos telefonisch is verleend; een faxbericht van 1 februari 2013 van mr. Van Duursen waarin hij bezwaar maakt tegen het verleende uitstel; een faxbericht van 1 februari 2013 van mr. De Roos (tevens als brief binnengekomen op 4 februari 2013) met bijlagen; een faxbericht van 5 februari 2013 van mr. Van Duursen; een faxbericht van 25 februari 2013 van mr. Van Duursen met bijlage; een faxbericht van 26 februari 2013 (tevens als brief binnengekomen op 27 februari 2013) met bijlage van mr. De Roos; een brief van 21 maart 2013 van mr. De Roos met bijlage. Ter zitting van 2 april 2013 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de vader, bijgestaan door mr. Van Duursen, en mr. De Roos. De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De raad heeft zich in het kader van zijn adviserende taak doen vertegenwoordigen door de heer J. Scholte Aalbes. Mr. Van Duursen heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van de door haar overgelegde pleitnotities. Nagekomen stuk Op 18 april 2013 is bij het hof binnengekomen een faxbrief van mr. De Roos van 18 april 2013. Nu het hof niet om dit stuk heeft verzocht zal het hof het niet in de beoordeling betrekken. Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden. De beoordeling Ontvankelijkheid van het hoger beroep 1. Aan de orde is de vraag of de vader ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Volgens de moeder is ten deze geen sprake van een nieuw vastgestelde voorlopige omgangsregeling, maar van een bevestiging van de (oude) omgangsregeling zoals die in eerdere instantie was vastgesteld door de rechtbank Groningen in afwachting van een definitieve beslissing waarvoor een raadsonderzoek is gelast. De moeder stelt, onder verwijzing naar artikel 358 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat de bestreden beschikking derhalve een tussenbeschikking is waarvan hoger beroep niet openstaat, tenzij door de rechter anders is bepaald. Nu dit laatste niet het geval is, dient de vader niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn hoger beroep, aldus de moeder. De vader heeft de stelling van de moeder betwist. Volgens de vader is sprake van een deelbeschikking waartegen hoger beroep kan worden ingesteld. 2. Het hof overweegt als volgt. In het dictum van de bestreden beschikking heeft de rechtbank de beschikking van het gerechtshof Leeuwarden van 30 augustus 2012 (het hof leest: voor wat betreft de daarin opgenomen contactregeling) geschorst en - voor zover hier van belang - bepaald dat de in de praktijk functionerende contactregeling tussen de vader en de minderjarigen [kind 1] en [kind 2] van één zondag per veertien dagen herleeft, totdat nader wordt beslist, en de raad verzocht met spoed een onderzoek in te stellen met betrekking tot de contactregeling tussen de man en voornoemde minderjarigen en daarin uitdrukkelijk te betrekken een onderzoek naar eventuele blokkades bij de minderjarigen omtrent een uitbreiding van de contactregeling, en daarvan aan de rechtbank rapport en advies uit te brengen. 3. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep doorslaggevend dat het een voorlopige beslissing betreft die een onherroepelijk karakter heeft in die zin dat de beschikking, eenmaal geëffectueerd, niet meer in haar gevolgen ongedaan kan worden gemaakt (vgl. HR 23 november 2007, LJN BB 6910). Het hof is van oordeel dat de rechtbank in de bestreden beschikking een (eigen) voorlopige beslissing heeft gegeven in bovengenoemde zin. In die beschikking is immers voor een bepaalde tijd een contactregeling vastgesteld met een - binnen die tijdsduur - definitief en onherroepelijk karakter, die, eenmaal geëffectueerd, onomkeerbaar is en niet meer in zijn gevolgen ongedaan kan worden gemaakt. Daarmee is de bestreden beschikking geen tussenbeschikking, doch een deelbeschikking. De vader is derhalve ontvankelijk in zijn hoger beroep. Onvolkomenheden van de eerste aanleg 4. De vader klaagt in de eerste grief over onvolkomenheden (feitelijke onjuistheden) in de bestreden beschikking en in grief 2 over het niet in acht nemen van de beginselen van hoor en wederhoor en meer specifiek over het feit dat de rechtbank in de beschikking van 30 oktober 2012 zich bij haar beslissing baseert op informatie die niet ter beschikking van de vader heeft gestaan, terwijl de vader ook niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op die informatie. 5. De vader heeft - daargelaten het antwoord op de vraag of de rechtbank bij de totstandkoming van die beschikkingen heeft gehandeld in strijd met enig beginsel van behoorlijk procesrecht - geen belang bij behandeling van deze klachten, nu hij de zaak in hoger beroep in zijn geheel ter beoordeling aan het hof heeft voorgelegd en in de gelegenheid is gesteld inhoudelijke bezwaren tegen de beschikking van 30 oktober 2012 kenbaar te maken. Voorts strekt de procedure in hoger beroep er mede toe eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg te verbeteren. Ontvankelijkheid van de minderjarigen in hun inleidend verzoek (grief 3) 6. Ingevolge artikel 1:377g BW kan de rechter, indien hem blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven op de voet van de artikelen 1:377a BW of 1:377b BW, dan wel een zodanige beslissing op de voet van artikel 1:377e BW wijzigen. Hetzelfde geldt indien de minderjarige die de beslissing verlangt de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. 7. De vader is -kort gezegd- van mening dat de kinderen zich in een loyaliteitsconflict bevinden en dat zowel [kind 1] van 11 jaar als [kind 2] van 8 jaar niet in staat moet worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ten aanzien van de contactregeling en daarom niet ontvankelijk had moeten worden verklaard in het verzoek ex artikel 1:377g BW. De moeder heeft de stelling van de vader betwist. 8. Hoewel in de beschikking van de rechtbank enkel de naam van [kind 2] genoemd wordt en niet die van [kind 1], gaat het hof er vanuit dat de rechtbank de minderjarigen ontvankelijk heeft geacht in hun verzoek(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.