GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.124.631/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Emmen 344669 \ CV EXPL 12-1742) arrest van de eerste kamer van 2 juli 2013 in het incident tot schorsing tenuitvoerlegging ex art. 351 Rv in de zaak van: de stichting Lefier, gevestigd te Emmen, appellante, tevens eiseres in het incident, in eerste aanleg gedaagde, hierna: Lefier, advocaat: mr. J. Dam-de Haan, kantoorhoudende te Emmen, tegen: [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats], geïntimeerde, tevens verweerder in het incident. in eerste aanleg eiser, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. M.G. Doornbos, kantoorhoudende te Assen. 1Het geding in eerste instantie 1.1 In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het tussenvonnis van de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Emmen van 10 oktober 2012 en het eindvonnis van 13 maart 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Emmen (hierna: de kantonrechter). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Bij exploot van 27 maart 2013 is door Lefier hoger beroep ingesteld van voormeld eindvonnis van 13 maart 2013 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 9 april 2013. 2.2 De conclusie van de appeldagvaarding, waarin reeds de grieven zijn opgenomen, luidt: "(…) bij arrest uitvoerbaar bij voorraad: In het incident: de tenuitvoerlegging van het vonnis van de Kantonrechter te Emmen (…) d.d. 13 maart 2013 te schorsen c.q. op te schorten totdat ten deze op de vordering van geïntimeerde, als eiser in eerste aanleg, in de hoofdzaak onherroepelijk is beslist. In de hoofdzaak: Het vonnis van de Kantonrechter d.d. 13 maart 2013 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van geïntimeerde, als eiser in eerste aanleg, te ontzeggen met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het geding." 2.3 [geïntimeerde] heeft afgezien van het nemen van een antwoordconclusie in het incident. 2.4 Lefier heeft de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest in het incident. 3De beoordeling 3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. [geïntimeerde] huurt in [adres] een woning van Lefier aan de [adres]. [geïntimeerde] ondervindt al jarenlang hinder van (onder meer) andere huurders van Lefier. Die hinder bestaat uit schelden, pesten, discriminatie, vernielingen en bedreigingen en zou te maken hebben met de homosexuele geaardheid van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft deze hinder menigmaal gemeld bij Lefier en in voorkomende gevallen ook aangifte gedaan bij de politie. 3.2 [geïntimeerde] heeft Lefier in rechte betrokken en gevorderd (samengevat) dat Lefier actie onderneemt tegen de buren die overlast veroorzaken, dan wel dat Lefier [geïntimeerde] een passende woning elders aanbiedt, één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom. 3.3 Na verweer van Lefier heeft de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep beslist als volgt: veroordeelt gedaagde (hof: Lefier) om aan eiser (hof: [geïntimeerde]) binnen twee maanden na betekening van dit vonnis een andere passende huurwoning beschikbaar te stellen op straffe van een dwangsom ter grootte van € 500,00 per dag voor iedere dag dat gedaagde in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen tot een maximum van € 35.000,00 aan dwangsommen; compenseert de kosten van deze procedure, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, wijst het meer of anders gevorderde af 3.4 [geïntimeerde] heeft het vonnis van 13 maart 2013 op 25 maart 2013 aan Lefier doen betekenen. 3.5 Lefier heeft ter onderbouwing van haar incidentele vordering (samengevat) het navolgende aangevoerd: (I) De kantonrechter heeft er geen rekening mee gehouden dat er binnen de gestelde termijn misschien geen passende woning beschikbaar is. Lefier heeft er nauwelijks invloed op of een zittende huurder de huurovereenkomst opzegt, waarna een woning vrijkomt. Bovendien huurt [geïntimeerde] een woning in het laagste huursegment, waarbinnen het verloop niet groot is. Volgens Lefier is het voorgaande, in samenhang beschouwd, een misslag. (II) De woning van [geïntimeerde] is een genus-zaak. Daar kan niet elke willekeurige woning voor in de plaats worden gesteld. Bij toekenning van een andere woning aan [geïntimeerde] zal het huidige contract moeten worden beëindigd en zal een nieuwe huurovereenkomst moeten worden gesloten. Een rechter kan hier niet toe verplichten. Het oordeel van de kantonrechter is een zodanige beperking van de contractsvrijheid dat dit als een misslag is te beschouwen. (III) Indien [geïntimeerde] aanspraak maakt op de dwangsommen, bestaat het risico dat hij die later niet kan terugbetalen indien Lefier in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld. [geïntimeerde] heeft een minimale uitkering en biedt dus geen enkel verhaal. Mede gelet op de extreem hoge dwangsom met een extreem hoog maximum is het van elke redelijkheid ontbloot dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. (IV) Het uitvoeren van de veroordeling is onomkeerbaar. Indien [geïntimeerde] een andere woning betrekt, is het praktisch onuitvoerbaar dat hij terug gaat naar de woning aan de [adres] te [woonplaats] ingeval Lefier in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld. Dusdoende wordt Lefier de mogelijkheid van een effectief appel onthouden. Het is ook niet in het belang van [geïntimeerde] dat hij dubbele verhuiskosten zou moeten maken, eventueel nog verhoogd met de kosten van het herstel in oude staat van de woning aan de [adres] te [woonplaats]. Aldus tot zover Lefier. 3.6 De vraag waar het in het onderhavige incident om gaat is of er voldoende grond bestaat voor schorsing van de executie van het vonnis van 13 maart 2013 op de voet van art. 351 Rv. 3.7 Bij de beantwoording van deze vraag stelt het hof, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 30 mei 2008 (LJN: BC5012), voorop dat bij de beoordeling van dergelijke incidentele vorderingen geldt:(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.