GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.104.829 (zaaknummer rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen 727578) arrest van de derde kamer van 23 juli 2013 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, hierna: [A], advocaat: mr. R.J. Verweij, tegen: [B] , wonende te [woonplaats], geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellante in het incidenteel hoger beroep, hierna: [B], advocaat: mr. H.J. Stehouwer. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 21 januari 2011, 4 maart 2011 en 14 oktober 2011 die de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen) tussen [B] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [A] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie heeft gewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 [A] heeft bij exploot van 13 januari 2012 [B] aangezegd van de vonnissen van 4 maart 2011 en 14 oktober 2011 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [B] voor dit hof. 2.2 Bij memorie van grieven heeft [A] drie grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd, heeft zij bewijs aangeboden en een nieuwe productie in het geding gebracht. Zij heeft gevorderd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, [B] in haar vordering alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren, althans de vordering van [B] zal afwijzen, dan wel deze alsnog zal ontzeggen, met veroordeling van [B] in de kosten van beide instanties. 2.3 Bij memorie van antwoord heeft [B] verweer gevoerd en heeft zij bewijs aangeboden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof de vordering van [A] in hoger beroep zal afwijzen, met veroordeling van [A] in de kosten van (bedoeld zal zijn:) het hoger beroep. 2.4 Bij dezelfde memorie heeft [B] incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter van 14 oktober 2011, en heeft zij daartegen twee grieven aangevoerd, heeft zij bewijs aangeboden en een tweetal producties in het geding gebracht. [B] heeft gevorderd dat het hof dat vonnis zal vernietigen, voor zover de kantonrechter in overweging 2.6 heeft overwogen: “Het salaris voor de werkzaamheden die [B] bij [C] heeft verricht, wordt wel in mindering gebracht. Gedurende die uren was zij immers niet beschikbaar voor [A].” en voor zover de kantonrechter in overweging 2.7 heeft overwogen: “In de omstandigheden van het geval wordt aanleiding gezien om de wettelijke verhoging op 10% te stellen.” en voor zover de kantonrechter in het dictum de wettelijke verhoging heeft vastgesteld op 10%. Voorts vordert [B] dat het hof, opnieuw recht doende, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest, zal bepalen dat slechts het salaris dat [B] van [C] heeft ontvangen voor werkzaamheden op de werkdagen van maandag tot en met vrijdag, in mindering zal komen op de door [A] aan [B] te betalen loonbedragen en [A] zal veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging van 50% boven de bedragen voor salaris, vergoeding zorgverzekering en vakantiegeld, althans een door het hof naar billijkheid te bepalen percentage voor wettelijke verhoging, met veroordeling van [A] in de proceskosten. 2.5 Bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep heeft [A] verweer gevoerd, twee nadere producties overgelegd en geconcludeerd dat het hof [B] in haar vorderingen in incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, althans het incidenteel hoger beroep zal verwerpen, met bekrachtiging, zo nodig onder verbetering van de gronden, van het door de kantonrechter op 14 oktober 2011 gewezen vonnis op de onderdelen waarop het incidenteel hoger beroep ziet, een en ander met veroordeling van [B] in de kosten van het incidenteel hoger beroep. 2.6 Ter terechtzitting van 7 juni 2013 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [A] door mr. R.J. Verweij, advocaat te Nijmegen, en [B] door mr. H.J. Stehouwer, advocaat te Amersfoort. Beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. 2.7 Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald (op één dossier). 3De vaststaande feiten Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van het bestreden vonnis van 4 maart 2011, nu de vaststelling van die feiten door de kantonrechter in hoger beroep niet is bestreden. 4De motivering van de beslissing in hoger beroep 4.1 In de kern gaat het geschil tussen partijen in hoger beroep over de vraag of de tussen partijen op 7 juni 2010 gesloten vaststellingsovereenkomst omtrent beëindiging van de arbeidsrelatie (hierna: de vaststellingsovereenkomst) vernietigd dient te worden op grond van een wilsgebrek aan de zijde van [B]. De kantonrechter heeft – voor zover relevant voor de beoordeling van het hoger beroep – voor recht verklaard dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen heeft bestaan tot 21 juni 2011, onder vernietiging van de vaststellingsovereenkomst wegens misbruik van omstandigheden aan de kant van [A], met veroordeling van [A] tot betaling aan [B] van, samengevat weergegeven, het contractueel overeengekomen salaris met emolumenten, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 10% en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf opeisbaarheid tot aan de dag der voldoening. De kantonrechter heeft overwogen dat op de betalingsverplichting van [A] in mindering kan worden gebracht hetgeen [B] als salaris heeft ontvangen in dienstbetrekking bij [C], in de periode tussen 7 juni 2010 en 21 juni 2011. [A] is voorts veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie. 4.2 Met haar grieven in het principaal hoger beroep komt [A] op tegen het hiervoor samengevatte oordeel van de kantonrechter, voor zover daarin de vaststellingsovereenkomst wordt vernietigd, voor recht wordt verklaard dat de arbeidsovereenkomst heeft bestaan tot 21 juni 2011 en [A] wordt veroordeeld tot betaling aan [B] van het salaris met emolumenten, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 10% alsmede de wettelijke rente. Met haar grieven in het incidenteel hoger beroep formuleert [B] haar bezwaar tegen de vermindering van de betalingsverplichting van [A] met het salaris dat [B] bij [C] heeft verdiend, voor zover dit salaris betrekking heeft op gewerkte zaterdagen, alsmede tegen het percentage dat de kantonrechter heeft vastgesteld als de wettelijke verhoging. In het principaal hoger beroep 4.3 [A] stelt zich primair op het standpunt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake was van een wilsgebrek aan de zijde van [B] bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst. [A] stelt dat niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan zij wist of had moeten weten dat [B] door bijzondere omstandigheden zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen werd tot het verrichten van een rechtshandeling, terwijl hetgeen [A] wist of moest begrijpen haar daarvan zou behoren te weerhouden. Zij voert daartoe aan dat, anders dan de kantonrechter heeft overwogen, [B] op 2 juni 2010 heel goed wist welke gedragingen (met name de afwezigheid op de middag van 16 april 2010) haar werden verweten, en dat [B] om die reden weloverwogen de keuze heeft gemaakt door middel van de vaststellingsovereenkomst haar dienstverband te laten eindigen. [B] heeft, aldus [A], bovendien erkend dat er op haar verzoek wijzigingen in de concept-overeenkomst werden aangebracht. [A] handhaaft haar standpunt dat het verstandig was van [B] dat zij in onderling overleg heeft ingestemd de arbeidsovereenkomst te laten eindigen. [A] stelt voorts dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat zij [B] heeft voorgehouden met ondertekening van de vaststellingsovereenkomst beter af te zijn. 4.4 [B] betwist dat [A] aan haar heeft duidelijk gemaakt welke gedraging haar werd verweten, en stelt dat [A] dit desgevraagd heeft geweigerd toe te lichten. [B] stelt voorts dat zij op de litigieuze middag, op 16 april 2010, wel degelijk aanwezig is geweest op het werk. Was zij niet verschenen op een dag dat zij was ingeroosterd, dan zou dit immers onvermijdelijk en al veel eerder tot consequenties hebben geleid, aldus [B]. [B] stelt bovendien dat geen grond bestond voor een ontslag op staande voet. Dit blijkt uit het feit dat zij op 3 en op 4 juni 2010 gewoon is toegelaten tot haar werkzaamheden. In ieder geval is haar niet onverwijld mededeling gedaan van de reden van een ontslag op staande voet, zodat daarom een op die grondslag verleend ontslag in rechte geen stand zou hebben gehouden. Dat [A] haar wel heeft voorgehouden dat zij door ondertekening van de vaststellingsovereenkomst beter af zou zijn, onder meer in verband met het recht op een WW-uitkering, blijkt uit de tekst van de overeenkomst, zo stelt [B]. 4.5 Naar het voorlopig oordeel van het hof is niet voldoende aannemelijk dat een bodemrechter tot het oordeel zal komen dat er voor [A] op 2 juni 2010 grond was [B] op staande voet te ontslaan. De omstandigheden die [A] in dat kader naar voren heeft gebracht kunnen in ieder geval niet leiden tot de conclusie dat een dringende reden bestond de arbeidsovereenkomst met [B] onverwijld op te zeggen. [A] heeft in dit verband aangevoerd dat [B] op 2 juni 2010 bekend was met de inhoud van de constateringen dat fraude was gepleegd met de opgave van de gewerkte uren en dat [B] wist dat de consequentie hiervan was dat zij op staande voet zou worden ontslagen. [B] heeft dit gemotiveerd betwist. Ook de verdere gang van zaken wijst erop dat [A] er niet van kon uitgaan dat er gronden aanwezig waren [B] op staande voet te ontslaan. Dit volgt onder meer uit het feit dat [B] na het gesprek op 2 juni 2010, zowel op 3 als op 4 juni 2010, nog voor [A] heeft gewerkt, en ook uit de belangenafweging tussen enerzijds de aard en de ernst van de gedragingen die [B] worden verweten – als de juistheid van deze verwijten al zou komen vast te staan – en anderzijds de persoonlijke omstandigheden van [B], waaronder de gevolgen van het ontslag voor haar. 4.6 Ter beantwoording van de vraag of de omstandigheden waaronder [B] haar instemming heeft gegeven tot beëindiging van haar arbeidsovereenkomst meebrengen dat zij zich op vernietigbaarheid van deze rechtshandeling kan beroepen wegens misbruik van omstandigheden door [A], moet worden bezien of (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.