Beschikking d.d. 18 juli 2013 Zaaknummer 200.121.835 HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN Locatie Arnhem Beschikking in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats], appellante, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. L.V.S. Cassese, kantoorhoudende te Almelo, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: de vader. Belanghebbende: de Stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel, kantoorhoudende te Hengelo, hierna te noemen: BJZ. Het geding in eerste aanleg Bij beschikking van 14 november 2012 (zaaknummers: 129218 FA RK 12-638 en 129221 FA RK 12-639) heeft de rechtbank Almelo de volgende verzoeken van de moeder met betrekking tot de minderjarige [kind], geboren [in 2008] (hierna: [kind]), afgewezen: wijziging van de hoofdverblijfplaats; vervangende toestemming voor onderzoek, observatie en behandeling van [kind] door een kindertherapeute; vervangende toestemming voor de aanvraag en afgifte van een paspoort voor [kind]; veroordeling van de vader tot nakoming van de omgangsregeling, waarbij de gezinsvoogd [kind] haalt en brengt, onder verbeurte van een dwangsom. Het geding in hoger beroep Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 12 februari 2013, heeft de moeder verzocht de beschikking van 14 november 2012 zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden te vernietigen waar het betreft de afwijzingen van haar verzoeken en opnieuw beslissende: I primair: de bij beschikking van de rechtbank van 29 juni 2010 vastgestelde hoofdverblijfplaats van [kind] in die zin te wijzigen dat de hoofdverblijfplaats van [kind] met onmiddellijke ingang bij de moeder zal zijn, alsmede een zodanige omgangsregeling tussen de vader en [kind] vast te stellen als het hof juist acht, dan wel een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) te laten verrichten ter beantwoording van de vraag welke hoofdverblijfplaats en omgangsregeling thans in het belang zijn van [kind], gezien de gewijzigde omstandigheden; subsidiair: een reguliere omgangsregeling vast te stellen tussen de moeder en [kind], inhoudende dat [kind] in de oneven weken van vrijdag 18.00 uur na het eten tot zondag 18.00 uur na het eten, alsmede gedurende de helft van de feestdagen en schoolvakanties bij de moeder verblijft, waarbij de gezingsvoogdes zorg draagt voor het halen en brengen van [kind], dan wel waarbij het halen en brengen op een dusdanige wijze wordt geregeld en vastgelegd als het hof juist acht en waarbij de schoolvakanties en feestdagen als volgt worden verdeeld: [kind] verblijft in de oneven jaren gedurende de laatste drie weken van de zomervakantie, de volledige herfstvakantie, de volledige voorjaarsvakantie, de tweede week van de kerstvakantie, op eerste kerstdag, op tweede pinksterdag, op eerste paasdag, op Moederdag, op de verjaardag van de moeder en op oudjaarsdag bij de moeder. In de even jaren verblijft [kind] gedurende de eerste drie weken van de zomervakantie, de volledige herfstvakantie, de volledige voorjaarsvakantie, de eerste week van de kerstvakantie, op tweede kerstdag, op eerste pinksterdag, op tweede paasdag, op Koninginnedag, op Hemelvaartsdag. op Moederdag, op de verjaardag van de moeder en op nieuwjaarsdag bij de moeder; meer subsidiair: een zodanige omgangsregeling vast te stellen tussen de moeder en [kind] en het halen en brengen op een dusdanige wijze te regelen en vast te leggen als het hof juist acht en dienaangaande zo nodig onderzoek te laten verrichten door de raad; II vervangende toestemming te verlenen voor observatie en indien nodig behandeling van [kind] door een onafhankelijke kindertherapeute in de persoon van mevrouw [kindertherapeute], dan wel een andere onafhankelijke kinderpsychologe, ter beantwoording van de vraag of [kind] vanwege genoemde, in zijn bijzijn, gepleegde zware mishandelingen en drankmisbruik, behandeling nodig heeft door een kinderpsycholoog, om te voorkomen dat [kind] een jeugdtrauma oploopt of er zich bij hem een angststoornis ontwikkelt; III vervangende toestemming te verlenen voor onderzoek van [kind] door een onafhankelijke kindertherapeute in de persoon van mevrouw [kindertherapeute], dan wel een andere onafhankelijke kinderpsychologe, naar de uitlatingen van [kind] dat hij niet naar zijn vader wil en dat hij bij zijn moeder wil wonen, ter beantwoording van de vraag welke hoofdverblijfplaats in het belang is van [kind]; IV vervangende toestemming te verlenen voor de aanvraag en afgifte van een paspoort dan wel een identiteitskaart ten behoeve van [kind]. Een en ander met veroordeling van de vader in de kosten van de procedure. Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 27 maart 2013, heeft BJZ het verzoek bestreden en verzocht het hoger beroep van de moeder strekkende tot vernietiging van de bestreden beschikking, te verwerpen. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld is er van de zijde van de vader geen verweerschrift binnengekomen. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken. Ter zitting van 20 juni 2013 is de zaak behandeld (te Zwolle). Verschenen zijn de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en de vader. Namens BJZ zijn verschenen mevrouw [namens BJZ 1] en de heer [namens BJZ 2]. Namens de raad is - in het kader van zijn adviserende taak - verschenen mevrouw [namens de raad]. De beoordeling De vaststaande feiten 1. Uit de - inmiddels verbroken - affectieve relatie tussen de vader en de moeder is [kind] geboren. De vader heeft [kind] erkend. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [kind]. Bij beschikking van 1 maart 2010 van de kinderrechter in de rechtbank Almelo is [kind] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is sindsdien telkens verlengd, laatstelijk bij beschikking van de kinderrechter van 9 juli 2012. 2. [kind] verbleef aanvankelijk bij zijn moeder. Sinds 29 juli 2010 is de hoofdverblijfplaats van [kind] gewijzigd en woont hij bij zijn vader. 3. Bij verzoekschrift van 25 mei 2012 heeft de moeder verzocht om wijziging van de hoofdverblijfplaats van [kind], vervangende toestemming voor onderzoek, observatie en behandeling van [kind] door een kindertherapeute, alsmede om vervangende toestemming voor de aanvraag en afgifte van een paspoort voor [kind]. Bij afzonderlijk verzoekschrift van dezelfde datum, 25 mei 2012, heeft de moeder verzocht de vader te veroordelen tot nakoming van de omgangsregeling, waarbij de gezinsvoogd [kind] haalt en brengt, onder verbeurte van een dwangsom. 4. Bij beschikking waarvan beroep heeft de kinderrechter beslist als vermeld onder "Het geding in eerste aanleg". De moeder is van deze beschikking in hoger beroep gekomen. De overwegingen De procedure in eerste aanleg 5. Voor zover de moeder klaagt over de wijze van tot stand komen van de bestreden beschikking - in het bijzonder over de overweging van de rechtbank dat de man gemotiveerd verweer heeft gevoerd en over de onvolledigheid van het proces-verbaal - heeft de moeder geen belang bij behandeling van de klacht. Immers, de moeder heeft thans in hoger beroep de zaak in zijn geheel ter beoordeling aan het hof voorgelegd en is in de gelegenheid gesteld haar inhoudelijke bezwaren tegen de beschikking van 14 november 2012 kenbaar te maken. Voorts strekt de procedure in hoger beroep er mede toe eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg te verbeteren. Bewijsrecht, artikel 149 lid 1 Rv 6. De moeder heeft in hoger beroep - onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 149 lid 1 Rv - zich op het standpunt gesteld dat de vader alle stellingen die door haar naar voren zijn gebracht en met bewijsstukken zijn onderbouwd, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, hetgeen er volgens de moeder toe moet leiden dat alle verzoeken worden toegewezen. 7. Het hof volgt de moeder niet in dit standpunt. In zaken als de onderhavige staat het belang van het kind centraal. Het hof neemt dan ook na eigen onderzoek op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting een beslissing die het meest in het belang van het kind wordt geacht. Onderzoek door de raad 8. De moeder heeft het hof verzocht de raad onderzoek te laten verrichten ter beantwoording van de vraag welke hoofdverblijfplaats en omgangsregeling thans in het belang zijn van [kind], gezien de gewijzigde omstandigheden. Het hof wijst dit verzoek af. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting acht het hof zich voldoende ingelicht om een beslissing te nemen omtrent de hoofdverblijfplaats van [kind] en een omgangsregeling. Het hof is van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat een onderzoek door de raad in het onderhavige geval van toegevoegde waarde zal zijn. De hoofdverblijfplaats 9. Het hof is van oordeel dat de rechtbank de door de moeder in eerste aanleg aangevoerde stellingen en weren op toereikende gronden heeft verworpen, met welke gronden het hof zich, na eigen onderzoek, verenigt en die het hof tot de zijne maakt. Het hof voegt hieraan het volgende toe. 10. In beginsel is het in het belang van een kind dat diens gewone verblijfplaats niet meermalen en/of zonder noodzaak wordt gewijzigd. Slechts wanneer zwaarwegende belangen van het kind zich verzetten tegen een langer (hoofd)verblijf bij de betreffende ouder, kan er aanleiding zijn de gewone verblijfplaats te wijzigen. Van zodanige zwaarwegende belangen is met name sprake, wanneer blijkt dat de ouder bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats heeft ernstig tekort schiet in de verzorging en opvoeding van dit kind. 11. Naar het oordeel van het hof is uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet gebleken dat de vader ernstig tekort schiet in de verzorging en opvoeding van [kind]. Het hof volgt de moeder niet in haar standpunt dat uit de door haar overgelegde medische stukken blijkt dat [kind] verwaarloosd wordt door de vader. Ook is hof van oordeel dat niet gebleken is dat [kind] belemmerd wordt in zijn ontwikkeling. Met betrekking tot de stelling van de moeder dat [kind] zes nachten per week bij zijn grootouders (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.