GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Arnhem nummer 12/00652 uitspraakdatum: 23 juli 2013 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 4 oktober 2012, nummer AWB 11/5345, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst[te P] (hierna: de Inspecteur) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1 Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 69.
(2006)plaatsgevonden, omdat 2006 het jaar van eerste ingebruikneming was. 3Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1 In geschil is of de naheffingsaanslag omzetbelasting terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de door belanghebbende ter zake van de bouw in aftrek gebrachte omzetbelasting opnieuw verschuldigd is geworden bij de ingebruikneming van het pand in 2006. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. 3.2 Belanghebbende neemt primair het standpunt in dat de voorgenomen verhuur geen economische activiteit kon zijn, omdat (tijdelijke) verhuur van delen van de woning zou plaatsvinden aan zijn toenmalige echtgenote. Dat brengt zijns inziens mee dat de Inspecteur de in 2004 en 2005 in aftrek gebrachte omzetbelasting had moeten naheffen over de desbetreffende jaren en dat aan herziening van de omzetbelasting niet wordt toegekomen. Subsidiair meent hij dat de Nederlandse regeling, waarbij de omzetbelasting in geval van een bestemmingswijziging bij ingebruikneming van de onroerende zaak in één keer moet worden herzien, in strijd is met de Btw-richtlijn. Zijns inziens is in 2006 hooguit 1/10 deel van de afgetrokken voorbelasting verschuldigd geworden, een en ander overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 17 mei 2013, nr. 11/02666, LJN BX7168, V-N 2012/61.18. 3.3 Partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting. 3.4 Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep en vernietiging van de naheffingsaanslag. 3.5 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4Beoordeling van het geschil 4.1 Artikel 15, lid 4, eerste volzin, van de Wet bepaalt - voor zover hier van belang - dat de aftrek plaatsvindt overeenkomstig de bestemming van de goederen of diensten op het tijdstip waarop de belasting aan de ondernemer in rekening wordt gebracht. Indien op het tijdstip waarop de ondernemer goederen en diensten gaat gebruiken, blijkt, dat de belasting ter zake voor een groter of kleiner gedeelte in aftrek is gebracht dan waartoe de ondernemer op grond van het gebruik is gerechtigd, wordt hij volgens de tweede volzin van genoemde bepaling de te veel afgetrokken belasting op dat tijdstip verschuldigd. 4.2 Vaststaat dat het pand in de jaren 2004 tot en met 2006 is gebouwd en eind 2006 aan belanghebbende is (op)geleverd. Voorts staat vast dat belanghebbende de op de facturen voor de bouw vermelde omzetbelasting in aftrek heeft gebracht. 4.3 Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende tijdens de bouw, op de tijdstippen waarop de omzetbelasting ter zake van de bouw aan belanghebbende in rekening werd gebracht, het voornemen had om het pand na de oplevering deels te gaan verhuren aan de nog op te richten onderneming van zijn toenmalige echtgenote. Zowel belanghebbende als de Inspecteur zijn destijds ervan uitgegaan dat die (voorgenomen) verhuur kon worden aangemerkt als een belaste handeling (met recht op aftrek) en dat de op de bouwkosten drukkende omzetbelasting ingevolge de eerste volzin van artikel 15, lid 4, van de Wet in aftrek kon worden gebracht. Zij verschilden uitsluitend van mening over de omvang van het aftrekrecht. Evenmin is in geschil dat belanghebbende het pand in het onderwerpelijke tijdvak feitelijk is gaan bezigen voor privédoeleinden. 4.4 Het voorgaande brengt mee dat belanghebbende voor de tijdvakken waarin de bouw plaatsvond recht had op aftrek van de in rekening gebrachte omzetbelasting, aangezien hij voornemens was het pand voor belaste handelingen (met recht op aftrek) te gebruiken. Dit recht op aftrek is in stand gebleven tot aan het tijdstip waarop het pand uitsluitend voor privédoeleinden in gebruik is genomen, eind 2006. 4.5 Op basis van de in het kader van de teruggaaf omzetbelasting gepresenteerde gegevens, waaronder (
- i)de feiten die in de toelichting bij de aangiften omzetbelasting zijn vermeld, (
- ii)het bezwaarschrift van 16 mei 2006 en (iii) de brief van 12 december 2006, lag het volstrekt in de rede dat de Inspecteur belanghebbende volgde in zijn stelling dat hij voornemens was het pand voor economische activiteiten te gaan gebruiken. In die brieven wordt namelijk onder meer gesproken van de bouw van een horecapand met bovenwoning, van het voornemen het zakelijke gedeelte van het pand belast te verhuren aan belanghebbendes echtgenote en van de omstandigheid dat van de totale bebouwing ongeveer 2/3 deel een horecabestemming zal krijgen. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat voorafgaand aan het verlenen van de teruggaaf omzetbelasting gegevens aan de Inspecteur zijn verstrekt op grond waarvan de Inspecteur in redelijkheid had moeten concluderen dat de voorgenomen verhuur geen economische activiteit zou zijn. De omstandigheid dat de voorgenomen verhuur aan de nog op te richten onderneming van de echtgenote zou plaatsvinden en de stelling dat, wat daar ook van zij, de begane grond zowel voor zakelijke als voor privédoeleinden zou worden gebruikt, zijn daarvoor onvoldoende. Op grond van het voorgaande verwerpt het Hof belanghebbendes primaire stelling. 4.6 Het voorgaande brengt mee dat herziening van de in aftrek gebrachte belasting moest plaatsvinden vanwege de gewijzigde bestemming. Deze herziening wordt ingevolge artikel 20, lid 3, van de Zesde richtlijn in één keer verricht voor de resterende periode van de herziening (vgl. HR 3 april 2009, nr. 07/10582, LJN BH9183, BNB 2009/137). Belanghebbendes subsidiaire standpunt faalt derhalve eveneens. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. 5Proceskosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. 6Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Ettema, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier. De beslissing is op 23 juli 2013 in het openbaar uitgesproken. De voorzitter is verhinderd om deze uitspraak mede te ondertekenen. In haar plaats tekent mr. Van Huijgevoort. De griffier, Namens de voorzitter, (S. Darwinkel) (B.F.A. van Huijgevoort) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 23 juli 2013 Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.