GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.108.199 (zaaknummer rechtbank Utrecht 300797) arrest van de eerste kamer van 30 juli 2013 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 1], appellante, hierna: [A], advocaat: mr. J. Streefkerk, tegen: de Europese naamloze vennootschap [B] , gevestigd te [vestigingsplaats 2], als rechtsopvolgster onder algemene titel van de naamloze vennootschap [C] N.V., gevestigd te [vestigingsplaats 2], geïntimeerde, hierna: [B], advocaat: mr. H.D. Wind. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het gerechtshof verwijst naar het arrest van het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van 26 juni 2012. Bij dat arrest heeft dat hof zich onbevoegd verklaard te oordelen over het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Utrecht van 28 maart 2012, de zaak, in de stand waarin deze zich op dat moment bevond, naar dit gerechtshof verwezen en bepaald dat de zaak op de rol van 17 juli 2012 van dit gerechtshof wordt geplaatst en dat [A] alsdan het exploot tot oproeping van [B] – om op die datum te verschijnen voor het gerechtshof Arnhem – in het geding kan brengen. 1.2 Op de roldatum 17 juli 2012 heeft [A] een geldig exploot tot oproeping van [B] in het geding gebracht. Vervolgens heeft [A] een memorie van grieven genomen. Daarna heeft [B] een memorie van antwoord genomen. Vervolgens heeft [A] verzocht een akte te mogen nemen, welk verzoek het gerechtshof heeft afgewezen. 1.3 Ter zitting van 10 juni 2013 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [A] door mr. Streefkerk voornoemd, advocaat te Voorburg, en [B] door mr. Wind voornoemd en mr. G.L. Breunesse, advocaten te [vestigingsplaats 2]. Beide partijen hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Bij die gelegenheid hebben partijen in de overgelegde partijdossiers ontbrekende stukken overgelegd. 1.4 Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald. 2De vaststaande feiten 2.1 Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten. 2.2 [D] (hierna: [D]) heeft op 28 juni 2005 een ongeval gehad, waarbij hij letsel heeft opgelopen. [E] (hierna: [E]) was de WAM-verzekeraar van de auto die de schade had veroorzaakt. [B] heeft in het kader van de letselschaderegeling, op grond van een verzekeringsovereenkomst tussen [B] en [D], aan [D] rechtsbijstand verleend. [A] heeft [D] in opdracht van [E] bijgestaan in het kader van de re-integratie van [D]. [F] (hierna: [F]) was de aansprakelijkheidsverzekeraar van [A]. 2.3 [E] en [D], begeleid door [B], hebben na onderhandelingen een vaststellingsovereenkomst gesloten op 24 januari 2008. 2.4 In het kader van de re-integratie van [D] heeft [A] [D] bijgestaan bij het vinden van ander werk. Daarbij heeft [A] [D] in contact gebracht met [G]. [G] is een franchiseorganisatie. Via [A] heeft [G] cijfers over te verwachten omzetten en winsten van de beoogde franchiseonderneming aan [D] voorgelegd. Op grond van die cijfers heeft [A] een exploitatiebegroting opgesteld. Uiteindelijk is op 19 februari 2008 een franchiseovereenkomst tussen [G] als franchisegever en [D] als franchisenemer tot stand gekomen. [D] werd bij die totstandkoming bijgestaan door [B]. De door [D] gestarte franchiseonderneming is geen succes geworden. De door [G] verstrekte cijfers zijn onjuist gebleken. 2.5 [D] heeft [E] en [A] gedagvaard voor de rechtbank Utrecht (hierna ook: de hoofdzaak). [E] heeft [A] in vrijwaring gedagvaard en [A] heeft [B] en [G] in vrijwaring gedagvaard. In het kader van de hoofdzaak en de vrijwaringsprocedure tussen [E] en [A] is tussen [D], [A], [F] en [E] een vaststellingsovereenkomst gesloten, die is ondertekend in de periode mei – juli 2011. In die vaststellingsovereenkomst is, voor zover in dit geding van belang, het volgende vastgesteld: “(…) [A] voldoet aan [D] ten titel van schadevergoeding het bedrag ad € 25.000,=. Dit bedrag zal worden overgemaakt op rekeningnummer (…). Tegenover de in artikel 1 genoemde betaling draagt [D] zijn eventuele vorderingsrechten op [B] en [G] over aan zowel [A] als [F] - gelijk [A] en [F] gezamenlijk deze vorderingsrechten in volle onverdeelde eigendom aanvaarden - zulks tot aan het bedrag van de in artikel 1 genoemde vergoeding, die in het kader van de overdracht heeft te gelden als koopprijs. (…)” 2.6 [A] heeft aan [D] het bedrag van € 25.000,-- betaald. 2.7 De in 2.5 vermelde procedures in de hoofdzaak en de vrijwaringsprocedure tussen [E] en [A] zijn na de uitvoering van de in 2.5 genoemde vaststellingsovereenkomst op de rol van de rechtbank doorgehaald. 3De motivering van de beslissing in hoger beroep 3.1 De onderhavige procedure betreft de vrijwaringsprocedure tussen [A] enerzijds en [B] en [G] anderzijds. [A] heeft aanvankelijk gevorderd dat [B] en [G] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling aan [A] van hetgeen waartoe [A] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, te vermeerderen met proceskosten. [A] heeft vervolgens haar eis gewijzigd in die zin dat zij heeft gevorderd dat [B] en [G] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling aan haar van € 25.000,--, te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten. [B] heeft de vordering bestreden. Bij eindvonnis van 28 maart 2012 heeft de rechtbank de vorderingen van [A] afgewezen, met uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling van [A] in de proceskosten. 3.2 Het hoger beroep van [A] strekt ertoe dat het hof de vordering van [A] jegens [B] alsnog toewijst. De grieven van [A] zullen gezamenlijk worden besproken. 3.3 [A] heeft haar vordering gebaseerd op twee grondslagen. Primair baseert [A] haar vordering op de in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen cessie. Volgens [A] heeft [D] een vorderingsrecht op [B] doordat [B] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis uit de rechtsbijstandsverzekeringsovereenkomst van [D] en [B], waardoor [D] schade heeft geleden ad € 25.000,--. Dit vorderingsrecht is volgens [A] bij de onder 2.5 genoemde vaststellingsovereenkomst aan haar overgedragen. De subsidiaire grondslag is hoofdelijke aansprakelijkheid van [B] jegens [D] naast de veronderstellenderwijs aangenomen aansprakelijkheid van [A] jegens [D]. Die hoofdelijke aansprakelijkheid van [B] baseert [A], net als bij de primaire grondslag, op de stelling dat [B] aansprakelijk is voor de schade die [D] heeft geleden doordat [B] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis uit de rechtsbijstandsverzekerings-overeenkomst van [D] en [B]. Aan [A] komt op grond van de artikelen 6:10, 6:102 lid 1 en 6:101 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek een verhaalsrecht toe, aldus [A]. Volgens [A] valt haar bijdrage in de schade van [D] in het niet bij de bijdrage van [B] in die schade en dient [B] in de onderlinge verhouding met [A] 100% van de schade te dragen. Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft [A] toegelicht dat zij in beide gevallen betaling vordert van het aandeel van [B] in de schade van [D], welke schade volgens [A] (bij de onder 2.5 genoemde vaststellingsovereenkomst) is vastgesteld op € 25.000,--. In geval van beide grondslagen leidt dat tot een gevorderde betaling van € 25.000,--, aldus [A]. 3.4 Bij beide grondslagen dient het hof te beoordelen of [B] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis uit de verzekeringsovereenkomst met [D] en zo ja, of [D] daardoor (€ 25.000,-- aan) schade heeft geleden. 3.5 Daartoe moet het hof beoordelen of [B] in het kader van de letselschaderegeling heeft gehandeld als een redelijk bekwame en redelijk handelend rechtsbijstandverlener zou hebben gehandeld. [A] stelt dat [B] dat niet heeft gedaan. Bij memorie van grieven stelt [A] zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan het feit dat [B]:a. van meet af aan samen met [D] de activiteiten in het kader van de arbeidsre-integratie heeft moeten bespreken en met [D] heeft moeten bespreken en nagaan of hij geschikt was voor het zelfstandig ondernemerschap; b. er met betrekking tot adviezen van [A] op diende toe te zien dat [D] die adviezen daadwerkelijk uitvoerde (onder meer (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.