GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.111.452/01 (zaaknummer rechtbank Assen 84943/ HA ZA 11-112) arrest van de tweede kamer van 30 juli 2013 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats], appellante, in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie, hierna: [appellante], advocaat: mr. E.A.C. Nijhof-Top, kantoorhoudend te Zeewolde, tegen Regiobank N.V., gevestigd te Utrecht, geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie, hierna: de bank, advocaat: mr. D.L.A. van Voskuilen, kantoorhoudend te Rotterdam. 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 13 april 2011, 2 november 2011 en 1 februari 2012 van de rechtbank Assen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 1 mei 2012, - de memorie van grieven (met producties), - de memorie van antwoord (met producties). 2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2.3 De vordering van [appellante] luidt: "het vonnis op 1 februari 2012 door de rechtbank te Assen gewezen onder zaaknummer/rolnummer 84943 / HA ZA 11-112 tussen [appellante] als gedaagde in conventie en Regiobank als eiseres in conventie te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad A. De vorderingen van Regiobank alsnog af te wijzen B. Regiobank te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen door [appellante] onverschuldigd is voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat door [appellante] onverschuldigd is betaald, nader op te maken bij staat C. Regiobank te veroordelen in de kosten van de beide instanties." 2.4 De ontvankelijkheid van de vordering in reconventie 2.4.1 [appellante] vordert in hoger beroep dat de bank wordt veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen reeds is voldaan ter zake van op het overbruggingskrediet. Het gaat haar daarbij niet om terugbetaling van hetgeen is voldaan ter voldoening aan het bestreden vonnis maar om hetgeen al eerder aan de bank was voldaan ter zake het overbruggingskrediet. Volgens [appellante] heeft zij die bedragen onverschuldigd betaald omdat zij daarmee voldeed aan een (nog) niet opeisbare verplichting. 2.4.2 In eerste aanleg had [appellante] ook een reconventionele vordering ingesteld (zoals omschreven onder 3.2.2). De afwijzing van die vordering is in hoger beroep niet bestreden. Die vordering staat naar grondslag, aard en omvang echter los van de thans (in hoger beroep) zojuist omschreven reconventionele vordering. Het voor het eerst in hoger beroep instellen van een dergelijke vordering is niet mogelijk (art. 353 lid 1 Rv). Overigens zou de vordering op de thans aangevoerde grond ook inhoudelijk niet slagen, omdat betaling voor de vervaldag niet geldt als onverschuldigd (artikel 6:39 lid 2 BW). 3De beoordeling 3.1 De feiten 3.1.1 In haar tussenvonnis van 2 november 2011 heeft de rechtbank de feiten vastgesteld. Tegen die vaststelling zijn geen grieven gericht. Het gaat, samen met hetgeen verder is komen vast te staan en voor zover in hoger beroep nog van belang, om het volgende. 3.1.2 [appellante] en haar voormalig echtgenoot [X] hebben een woning in eigendom aan het [adres 2] te [woonplaats]. Het huwelijk is ontbonden. [appellante] heeft de woning te koop aangeboden maar nog niet verkocht. 3.1.3 In januari 2008 heeft [appellante] een woonhuis gekocht aan [adres 1] te [woonplaats]. Dit woonhuis is (onder meer) gefinancierd door middel van een overbruggingskrediet (nummer [nummer]) van € 110.000,-. 3.1.4 In een brief van 27 september 2007 schrijft de bank aan [appellante] onder meer het volgende:"Hierbij delen wij u mede dat wij bereid zijn u, onder voorbehoud van ons recht tot dagelijkse opzegging, een krediet in rekening-courant te verlenen van € 110.000,- (zegge: eenhonderdtienduizend euro). Dit krediet zal in principe worden aangewend voor de financiering van de aankoop van een woonhuis met aanbehoren te [woonplaats], [adres 1]. (…)Het krediet zal worden afgelost uit de verkoopopbrengst van het woonhuis te [woonplaats], [adres 2]. Het onderpand is voorbelast met een 1e hypothecaire lening bij Avero hypotheken onder nummer pro resto € 177.000,00, welke zal worden afgelost na verkoop. Tot meerdere zekerheid voor de betaling van al hetgeen wij nu of te eniger tijd, en uit welken hoofde dan ook van u te vorderen hebben of zullen krijgen, ontvangen wij een positieve-negatieve hypotheekverklaring op het woonhuis te [woonplaats], [adres 2]. (…)" 3.1.7 Door [appellante] is op 28 december 2007 een zogenoemde "Positieve/negatieve hypotheekverklaring" ondertekend, waarin onder meer het volgende is vermeld: "… krediet heeft verleend en/of zal verlenen onder voorwaarden zoals tussen de bank en de kredietnemer zijn overeengekomen volgens een onderhandse akte van geldlening, groot € 110.000,00 gedateerd 28-12-2007. dat de voorwaarden, waarop de bank krediet heeft verleend of zal verlenen onder andere zijn, dat de ondergetekende de hieronder te vermelden onroerende zaak niet zal vervreemden of ten behoeve van derden (verder) bezwaren en dat hij op eerste verzoek van de bank aan haar hypotheek zal verlenen op de bedoelde onroerende zaak". Onder aan de positieve/negatieve hypotheekverklaring staat vermeld:"Het bovenvermelde onroerend goed is:Een woonhuis met aanbehoren, staande en gelegen te [adres 2] te [postcode] [woonplaats]. 3.1.12 Medio 2009 heeft [appellante] het woonhuis aan [adres 1] te [woonplaats] verkocht voor een prijs van € 145.000,-. De leveringsdatum was 1 oktober 2009. De verkoopopbrengst van het woonhuis aan [adres 1] is niet gebruikt om enig bedrag af te lossen op het overbruggingskrediet. 3.1.13 In een brief van 1 september 2010 schrijft de bank aan [appellante] onder meer:"Tevens hebben wij geconstateerd dat de looptijd van het overbruggingskrediet nummer [nummer] is verstreken. De voorwaarden uit de door u getekende overeenkomst bent u niet nagekomen. Wij eisen zowel de hypothecaire lening als het overbruggingskrediet per direct op." Ter zake van het overbruggingskrediet is in deze brief een opeisbaar bedrag van € 118.645,82 genoemd. 3.2 Het geschil en beslissing in eerste aanleg 3.2.1 De bank vordert als terugbetaling van het door haar aan [appellante] geleende geld een bedrag van € 122.766,30 als hoofdsom en contractuele rente. [appellante] stelt dat zij niet tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en dat de bank haar zorgplicht tegenover [appellante] heeft geschonden. 3.2.2 In reconventie vordert [appellante], verkort weergegeven:a. dat [appellante] zal zijn bevrijd van haar verplichting tot betaling van rente;b. een verklaring voor recht dat de bank onrechtmatig tegenover [appellante] heeft gehandeld;c. een verklaring dat de bank gehouden is tot vergoeding van schade aan [appellante]. 3.2.3 De rechtbank heeft de vordering in conventie toegewezen tot een bedrag van € 119.791,30. De vorderingen in reconventie heeft de rechtbank afgewezen. 3.3 De grieven 3.3.1 In twee grieven bestrijdt [appellante] het eindvonnis van 1 februari 2012. In grief I betoogt [appellante] dat zij de in eerste aanleg gevoerde verweren wil “herstellen” door thans een geheel nieuw verweer aan de orde stellen. Grief II is, zonder zelfstandige gronden, gericht tegen de proceskostenveroordeling. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling. 3.3.2 [appellante] beperkt haar beroepsgronden tot het (nieuwe) verweer. Dat verweer strekt er toe dat tussen partijen is overeengekomen dat [appellante] het overbruggingskrediet pas hoeft terug te betalen als de woning aan het [adres 2] te [woonplaats] is verkocht. Voordien is de vordering van de bank, aldus [appellante], niet opeisbaar. [appellante] schrijft in de toelichting op grief I onder meer dat uit de schriftelijke overeenkomst van 27 september 2007 moet worden geconcludeerd: " (…) dat sprake is van een overeenkomst, inhoudende een opschortende voorwaarde, hieruit bestaande dat aflossing van het krediet zal plaatsvinden uit de verkoopopbrengst van het woonhuis te [woonplaats] aan het [adres 2] en niet uit de verkoopopbrengst van het woonhuis aan [adres 1]." 3.3.3 Volgens de bank stond het haar wel degelijk vrij de vordering op te zeggen en opeisbaar te maken omdat: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.