GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer 200.127.947/01 (zaaknummer rechtbank R/07/112- 113/12) arrest van de derde civiele kamer van 8 augustus 2013 inzake 1 [appellant 1], 2. [appellante 2], beiden wonende te [woonplaats], appellanten, hierna te noemen: [appellant 1] en [appellante 2], 3. De stichting Stichting de Wartburg, in haar hoedanigheid van bewindvoerder ex art. 1:431 BW, kantoorhoudende te Deventer, hierna ook te noemen: de beschermingsbewindvoerder, advocaat was: mr. J.S. Staijen, kantoorhoudende te Deventer, advocaat thans: mr. J.A. van der Lem, kantoorhoudende te Deventer 1Het geding in eerste aanleg 1.1 Bij twee afzonderlijke vonnissen van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, van 30 januari 2012 is ten aanzien van [appellant 1] en [appellante 2] de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. 1.2 Bij twee afzonderlijke beschikkingen van de kantonrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, van 7 december 2012 zijn de goederen, die toebehoren of zullen toebehoren, aan [appellant 1] en aan [appellante 2] onder bewind gesteld en is tot bewindvoerder benoemd de Stichting De Wartburg, gevestigd te Deventer. 1.3 Bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 16 mei 2013 is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling op voordracht van de rechter-commissaris tussentijds beëindigd. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie van het hof op 24 mei 2013, hebben [appellant 1] en [appellante 2] verzocht voornoemd vonnis van 16 mei 2013 te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat de schuldsaneringregeling ten aanzien van hen van toepassing blijft. 2.2 Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder de brief met bijlagen van 19 juli 2013 namens mr. Van der Lem en de journaalberichten, met bijlagen, ingekomen bij het hof op respectievelijk 24 juli 2013 en 30 juli 2013, beide eveneens van mr. Van der Lem. Tevens is een brief van 19 juli 2013, met bijlagen, van mr. J.A. Pitstra (hierna: de bewindvoerder) ontvangen. 2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 juli 2013, waarbij [appellant 1] en [appellante 2] zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaat, alsmede de bewindvoerder in gezelschap van mevrouw [betrokkene]. Namens Stichting De Wartburg is mevrouw [namens de stichting] verschenen. De advocaat heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van de door haar aan het hof overgelegde pleitaantekeningen. 3De beoordeling 3.1 De beschermingsbewindvoerder kan, gelet op hetgeen de Hoge Raad in de uitspraak van 25 mei 2012, LJN BV4021, heeft overwogen, niet als belanghebbende worden beschouwd in deze zaak en dient daarom in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. 3.2 De rechtbank heeft de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellant 1] en [appellante 2] beëindigd op grond van het oordeel dat zij niet voldoen aan hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, dat zij bovenmatige schulden doen of laten ontstaan en dat feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288, eerste en tweede lid Faillissementswet, hierna Fw (artikel 350 lid 3 aanhef en onder c, d en f Fw). De rechtbank heeft daarbij - samengevat - het volgende overwogen. [appellant 1] en [appellante 2] informeren de bewindvoerder in het geheel niet. Onduidelijk is of er sprake is van enig inkomen en, zo ja, of dit genoten wordt door betaalde werkzaamheden in loondienst, of een (ziektewet-)uitkering al dan niet in combinatie met vrijwilligerswerk. Op de boedelrekening hebben geen mutaties plaatsgevonden. Bovendien is er een bovenmatige schuld van circa € 2.272,- ontstaan. Voorts is gebleken dat de schuldenlast van € 15.716,65 zoals opgegeven bij de aanvraag tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, niet juist is. Bij de bewindvoerder zijn schulden aangemeld tot een totaalbedrag van € 83.039,06. Door maanden geen informatie te verschaffen kon er geen berekening van het vrij te laten bedrag worden opgesteld door de bewindvoerder. [appellant 1] en [appellante 2] hebben hun informatieplicht ook geschonden door niet te verschijnen ter zitting van de rechtbank. 3.3.1 [appellant 1] en [appellante 2] kunnen zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en zij stellen zich op het standpunt dat het vonnis niet in stand kan blijven nu de beschermingsbewindvoerder niet in de procedure is gekend, betrokken, of gehoord. [appellant 1] en [appellante 2] zijn niet in staat hun belangen te behartigen of te overzien en de beschermingsbewindvoerder is niet opgeroepen voor de zitting, dus ook daarom dient het bestreden vonnis vernietigd te worden. Er is veel sociale problematiek in het gezin en omdat het beschermingsbewind pas is uitgesproken (lang) nadat de wettelijke schuldsaneringsegeling op [appellant 1] en [appellante 2] van toepassing is verklaard, heeft er geen goede afstemming plaatsgevonden. 3.3.2 Ter zitting van het hof heeft de advocaat van [appellant 1] en [appellante 2] haar verzoek gewijzigd c.q. aangevuld. Zij heeft het hof verzocht: primair het verzoek tot beëindiging af te wijzen, eventueel met verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling; subsidiair (zo begrijpt het hof uit de mondelinge toelichting ter zitting van de advocaat) om het vonnis van de rechtbank te vernietigen en de tussentijdse beëindiging van de regeling uit te spreken op grond van het feit dat er nieuwe bovenmatige schulden zijn ontstaan, waarvan de redenen van het ontstaan de schuldenaren niet zijn toe te rekenen. 3.4 Van [namens de stichting], senior medewerker bij de Stichting de Wartburg, is een faxbericht ingekomen van 19 juli 2013 waaruit blijkt dat de beschermingsbewindvoerder instemt met het hoger beroep van [appellant 1] en [appellante 2]. 3.5 De bewindvoerder heeft - samengevat - het volgende gesteld. Ten aanzien van de procedurele grieven heeft hij aangevoerd dat het feit dat de beschermingsbewindvoerder niet in de procedure is betrokken door de rechtbank, niet kan leiden tot vernietiging van het vonnis. Voorts heeft hij aangevoerd dat [appellant 1] en [appellante 2] behoorlijk zijn opgeroepen door de rechtbank en het hun keuze is geweest om geen gevolg te geven aan de oproep. Evenmin is het zo dat het gebruikelijk zou zijn eerst een beschermingsbewind uit te spreken, voorafgaand aan een schuldsaneringsregeling. Inhoudelijk stelt hij vast dat er geen sprake is van een gedragsverandering bij [appellant 1] en [appellante 2]. Zij hebben zich, beiden, in het geheel niet gehouden aan de op hen uit de regeling voortvloeiende verplichtingen, aldus de bewindvoerder. Hij verzoekt het hof dan ook het bestreden vonnis in stand te laten. 3.6 De stelling van appellanten dat het vonnis niet in stand kan blijven, nu de beschermingsbewindvoerder niet is betrokken bij de procedure in eerste aanleg, kan niet slagen. Immers, de procedure in hoger beroep strekt er mede toe eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg te verbeteren en de beschermingsbewindvoerder is in de onderhavige procedure in beroep wel betrokken. 3.7 Vooropgesteld dient te worden dat van personen ten aanzien van wie de schuldsanering is uitgesproken mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen. 3.8 Het hof is met de advocaat van oordeel dat [appellant 1] en [appellante 2] ongewild de dupe zijn geworden van de spoedeisende situatie ten tijde van het uitspreken van de schuldsaneringsregeling. [appellant 1] en [appellante 2] zouden - althans op dat moment - niet tot de regeling toegelaten hebben moeten worden. Immers, als voorwaarden voor de toelating tot de schuldsaneringsregeling geldt dat mag worden verwacht: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.