GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.101.399/01 (zaaknummer rechtbank Zwolle-Lelystad 192623/KZ ZA 11-1044) arrest in kort geding van de tweede kamer van 20 augustus 2013 in de zaak van [appellante], wonende te [woonplaats 1], appellante, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellante], advocaat: mr. H.A. van der Kleij, kantoorhoudend te Zwolle, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats 2], geïntimeerde, in eerste aanleg: eiser, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. G.D. te Biesebeek, kantoorhoudend te Zwolle. 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 29 december 2011 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle (hierna: de voorzieningenrechter). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 25 januari 2012 (met grieven en een productie), - de memorie van grieven houdende conclusie van eis en akte overleggen producties, - de memorie van antwoord (met producties), - de akte uitlating producties, tevens houdende akte vermindering van eis (met producties), - het arrest in incident d.d. 26 februari 2013. 2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2.3 De vordering van [appellante], na vermindering van eis, luidt: "(…) bij arrest uitvoerbaar bij voorraad:I. het tussen partijen op 29 december 2011 door de voorzieningenrechter (…) gewezen vonnis, waarvan appel, te vernietigen; en opnieuw rechtdoende: in conventie: II. [geïntimeerde] in de vorderingen die hij in eerste aanleg instelde niet-ontvankelijk te verklaren dan wel hem deze vorderingen te ontzeggen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties; in reconventie: III. de eis die [appellante] in eerste aanleg in reconventie instelde geheel dan wel gedeeltelijk toe te wijzen; IV. [geïntimeerde] te veroordelen om binnen twee weken na het betekenen van het te wijzen arrest zijn verplichting tot het ongedaan maken van de door hem ten onrechte ontvangen prestaties, die [appellante] ingevolge het vonnis in eerste aanleg geleverd heeft, na te komen, waaronder in elk geval de verplichting om het bedrag van € 23.758,98, vermeerderd met de wettelijke rente over € 23.758,98 met ingang van 1 februari 2012 aan [appellante] terug te betalen; V. [geïntimeerde] te veroordelen om binnen twee weken na het betekenen van het te wijzen arrest de kosten van de tenuitvoerlegging conform onderdeel 13 van deze dagvaarding aan [appellante] te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van heden; VI. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van beide instanties." 3De feiten 3.1 De tussen partijen vaststaande feiten, zoals deze door de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis onder rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.5 zijn vastgesteld, zijn niet in geschil. Deze feiten komen, samen met wat in hoger beroep is komen vast te staan, op het volgende neer. 3.2 Partijen zijn gewezen echtelieden. Bij vonnis van 20 april 2011 heeft de rechtbank voor zover hier van belang - de wijze van verdelen van de tussen partijen ontbonden huwelijksgoederen gemeenschap aldus vastgesteld: "4.1 deelt toe aan ieder van partijen de helft van het - saldo in depot onder notaris [A te X], vermeerderd met rentebijschrijvingen en verminderd met depotkosten,- huidig saldo op de Rabo basisrekening [rekeningnummer 1]- huidig saldo op de Rabo Internet bonus spaarrekening [rekeningnummer 2], evenwel met dien verstande dat uit bovengenoemd totaalsaldo éérst worden voldaan, ten laste van beide partijen gezamenlijk:- de schuld van partijen ad EUR 21.827,- aan [Y 1] Accountants,- de bijstandschuld van [appellante] ad EUR 8.371,- over de huwelijkse periode van partijen aan de gemeente Kampen,4.2 deelt toe aan ieder van partijen de helft van de opbrengst van het melkquotum, 4.3 deelt toe aan [geïntimeerde] de drie percelen cultuurgrond, kadastraal bekend gemeente [Q] [sectie a, nummers 1, 2, en 3] en veroordeelt partijen over en weer binnen 8 weken na dagtekening van dit vonnis mee te werken aan de daartoe op te maken akten tot verdeling en levering van genoemde percelen aan [geïntimeerde] tegen een vergoeding van EUR 59.619,- door [geïntimeerde] op de dag van levering aan [appellante] te betalen uit de helft van de hem ingevolge 4.1 toekomende liquide middelen, 4.4 deelt toe om niet aan [geïntimeerde] de varkensrechten, de inventarisgoederen, de veestapel, de bedrijfsvoorraad en de debiteurenportefeuille, een en ander in de huidige omvang met alle lusten en lasten, 4.5 bepaalt dat [geïntimeerde] uit zijn helft van de liquide middelen, de schuld ad EUR 3.327,- aan de Cultuurtechnische Dienst voldoet, 4.6 veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling uit zijn helft van de liquide middelen, van de (restant)schuld ad in totaal EUR 44.836,- aan [R en S], [T], [U], [V], [W], [Z], [C] en [D] en [E], 4.7 veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling uit zijn helft van de liquide middelen, aan [appellante] van een bedrag ad EUR 19.330,- vanwege de reeds voldane kosten derdenwerkzaamheden en voorts een bedrag ad EUR 5.787,- wegens overbedeling advocaatkosten, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 14 dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag der voldoening, 4.8 bepaalt dat partijen tezamen, ieder bij helfte, aflossen/voldoen- de schulden aan [F sr.] te [woonplaats 2],- de geldvordering ad EUR 72.000,- van [F jr.],- de leningen aan de Rabobank onder de nummers 3483.930.659 en 705,- de (fiscale) schulden over de huwelijkse periode en de fiscale en overige schulden terzake (liquidatie van) de maatschap [D] & Zoon, 4.9 veroordeelt [appellante] tot betaling uit haar helft van de liquide middelen, aan [geïntimeerde] van een bedrag ad EUR 6.750,- vanwege de uit de boedel voldane herinrichtingskosten, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag der voldoening, 4.10 bepaalt dat [appellante] als enige van partijen de schuld aan de gemeente Kampen voldoet vanwege haar bijstandsuitkering voor zover het betreft de nahuwelijkse periode, 4.11 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad." 3.3 Tegen dit vonnis heeft [geïntimeerde] hoger beroep ingesteld. Het hof doet heden bij afzonderlijk arrest onder zaaknummer 200.101.466/01 ook uitspraak op dit hoger beroep van [geïntimeerde]. 3.4 Nadat de schulden aan [Y 1] Accountants en aan de Gemeente Kampen zijn voldaan, is op 11 november 2011 op de derdenrekening van de raadsman van [geïntimeerde] een bedrag van € 123.031,26 voldaan, een en ander uit het depot, genoemd in 4.1 van het vonnis van 10 april 2011. 3.5 Op 14 november 2011 heeft [appellante] uit hoofde van het vonnis op voormelde derdenrekening executoriaal derdenbeslag doen leggen ter voldoening van een bedrag van € 25.412,59, zijnde hetgeen [geïntimeerde] uit hoofde van de veroordeling onder 4.7 van het vonnis aan [appellante] verschuldigd is, vermeerderd met kosten. 3.6 Op 19 december 2011 stond op de rekening met nummer [rekeningnummer 1] een debetsaldo van € 1.921,40. Op de rekening met nummer [rekeningnummer 2] stond een creditsaldo van € 149.560,90. De rekeningen zullen hierna gezamenlijk als "de Rabobankrekeningen" worden aangeduid. 4De procedure en de beoordeling van het geschil in eerste aanleg 4.1 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg vorderingen in conventie ingesteld, die er samengevat weergegeven - toe strekken dat de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad:I. primair: zal bepalen dat het door [appellante] op 14 november 2011 ten laste van [geïntimeerde] onder de stichting "Stichting Beheer Derdengelden Advocatenkantoor Te Biesebeek B.V." uit hoofde van het hiervoor op 20 april 2011 door de rechtbank Zwolle-Lelystad gewezen vonnis gelegde executoriale derdenbeslag wordt opgeheven, althans, subsidiair, dat dit beslag na betaling door [geïntimeerde] aan [appellante] van een bedrag van € 18.367,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2011 tot de dag der voldoening, zal worden opgeheven;II. [appellante] zal veroordelen om aan [geïntimeerde] binnen twee dagen na betekening van dit vonnis een opgave van de saldi van de bij de Rabobank aangehouden rekeningen, geadministreerd onder nummer [rekeningnummers], en van de sinds 1 maart 2007 tot aan de betekening van dit vonnis op deze rekeningen doorgevoerde betalingsmutaties, te verstrekken en zulks onderbouwd en gestaafd met bankafschriften, op straffe van een dwangsom van € 2.500,- per dag voor iedere dag dat [appellante] met nakoming hiervan in gebreke blijft;III. [appellante] zal veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de Rabobank onvoorwaardelijk en schriftelijk opdracht te geven onverwijld aan [geïntimeerde] op een nog door hem op te geven rekeningnummer uit te betalen de helft van de door Rabobank op de hiervoor genoemde rekeningen aangehouden saldi - waarvan de totale omvang is vast te stellen op de somma van minimaal € 149.000,-, op welke betaling zo nodig ten titel van verrekening in mindering kan strekken de somma van € 18.367,-, en zulks op straffe van een door [appellante] aan [geïntimeerde] te verbeuren dwangsom van € 2.500,- per dag voor iedere dag dat [appellante] daarmee in gebreke blijft;IV. [appellante] zal veroordelen in de kosten van dit geding. 4.2 [appellante] heeft verweer gevoerd. Tevens heeft zij vorderingen in reconventie ingesteld. Tegen deze vorderingen heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd. 4.3 In het vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter in conventie:- bepaald dat het door [appellante] op 14 november 2011 ten laste van [geïntimeerde] onder de stichting "Stichting Beheer Derdengelden Advocatenkantoor Te Biesebeek B.V." uit hoofde van het hiervoor op 20 april 2011 door de rechtbank Zwolle-Lelystad gewezen vonnis gelegde executoriale derdenbeslag wordt opgeheven;- [appellante] veroordeeld om aan [geïntimeerde] binnen zeven dagen na betekening van het vonnis opgave te verstrekken van de sinds 1 maart 2007 tot aan de betekening van het vonnis op de bij de Rabobank aangehouden rekeningen, geadministreerd onder nummer [rekeningnummers], doorgevoerde betalingsmutaties, zulks onderbouwd en gestaafd met kopieën van bankafschriften, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat [appellante] met nakoming hiervan in gebreke blijft met een maximum van € 50.000,-;- [appellante] veroordeeld om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis de Rabobank onvoorwaardelijk en schriftelijk opdracht te geven onverwijld aan [geïntimeerde] op een nog door hem op te geven rekeningnummer uit te betalen de helft van het meerdere boven € 44.836,- van de door Rabobank op de hiervoor genoemde rekeningen aangehouden saldi op welke betaling ten titel van verrekening in mindering wordt gebracht de somma van € 18.367,- en zulks op straffe van een door [appellante] aan [geïntimeerde] te verbeuren dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat [appellante] daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 50.000,-.De voorzieningenrechter heeft het vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.In reconventie heeft de voorzieningenrechter [appellante] niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen.De proceskosten zijn zowel in conventie als in reconventie tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5Geen eis in reconventie in hoger beroep 5.1 [appellante] heeft in eerste aanleg in reconventie - verkort weergegeven - gevorderd om de bankgarantie die de Rabobank aan [geïntimeerde] verstrekte met onmiddellijke ingang te schorsen, om aan [geïntimeerde] een verbod op te leggen de bankgarantie uit te winnen op straffe van een dwangsom, om te bepalen dat het totaalsaldo op de Rabobankrekeningen wordt afgewikkeld op de in de pleitnota van [appellante] weergegeven wijze en om [geïntimeerde] te veroordelen om binnen twee dagen nadat het verdelen van het totaalsaldo op de Rabobankrekeningen op die wijze heeft plaatsgevonden aan de Rabobank te berichten dat de verstrekte bankgarantie is vervallen en binnen tien dagen daarna een dechargeverklaring te ondertekenen. De voorzieningenrechter heeft [appellante] in deze vorderingen niet-ontvankelijk verklaard. Voor zover [appellante] tegen die beslissing opkomt, strandt haar grief hierop dat [appellante] haar eis in reconventie niet conform artikel 7.2 van het procesreglement kort gedingen rechtbanken sector civiel/familie uiterlijk 24 uur voor de mondelinge behandeling schriftelijk aan de wederpartij en aan de voorzieningenrechter heeft meegedeeld, terwijl de voorzieningenrechter op juiste gronden heeft geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om van deze regel af te wijken. Verder kan ingevolge artikel 353 lid 1, laatste zinsnede Rv in hoger beroep geen eis in reconventie worden ingesteld. 5.2 Het hof zal [appellante] dan ook in haar vorderingen in reconventie niet-ontvankelijk verklaren. 6De beoordeling van het geschil in hoger beroep 6.1 [appellante] heeft elf grieven opgeworpen. Nu [appellante] in haar reconventionele vorderingen niet-ontvankelijk zal worden verklaard faalt haar daarop gerichte elfde grief en spitst het geschil zich in hoger beroep nog toe op de volgende punten: de opheffing van het executoriale derdenbeslag, opgave van de op de Rabobankrekeningen doorgevoerde mutaties en het uitbetalen van de tegoeden op de Rabobankrekeningen. Het hof zal deze punten achtereenvolgens bespreken. De opheffing van het executoriaal derdenbeslag (grief 1 en 2) 6.2 Met haar eerste en tweede grief stelt [appellante] de vraag aan de orde of het derdenbeslag onder de Stichting Beheer Derdengelden Advocatenkantoor Te Biesebeek B.V. terecht door de voorzieningenrechter is opgeheven. 6.3 Het hof stelt vast dat het executiegeschil dat door [appellante] aan het hof wordt voorgelegd ziet op de opheffing van een executoriaal derdenbeslag dat is gelegd onder de Stichting Beheer Derdengelden Advocatenkantoor Te Biesebeek B.V., op wier rekening het op grond van onderdeel 4.1 van het vonnis van 20 april 2011 aan [geïntimeerde] toekomende deel van het depot dat zich onder notaris [A] bevond, was uitgekeerd. [appellante] had dit beslag op 14 november 2011 gelegd ter zekerheid van haar uit het vonnis van 20 april 2011 voortvloeiende vordering op [geïntimeerde] ter hoogte van € 25.117,-. 6.4 Bij een vordering tot opheffing van een executoriaal beslag heeft de executierechter slechts een beperkte taak. De executierechter kan slechts in de executie ingrijpen indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.