GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.120.504/01 (zaaknummer rechtbank Leeuwarden 109989/HA ZA 11-70) arrest van de eerste kamer in het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij voorraad ex art. 351 Rv van 20 augustus 2013 in de zaak van [appellant], wonende te [woonplaats 1], appellant, in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie, hierna: [appellant], advocaat: mr. F. Hofstra, kantoorhoudend te Leeuwarden, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats 2], Verenigde Staten van Amerika, geïntimeerde, in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. G.E.M.C. Reinartz, kantoorhoudend te Eindhoven. 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 30 juli 2010 en 21 januari 2011, van de rechtbank Leeuwarden, sector kanton (hierna: de kantonrechter), en - nadat de kantonrechter in laatstgenoemd vonnis de zaak heeft verwezen naar de sector civiel, afdeling handel - in de vonnissen van 21 september 2011 en 17 oktober 2012 van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 14 januari 2013 (met grieven en producties), tevens houdende incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij voorraad, - de memorie van antwoord in het incident, - een akte van [appellant], - een antwoordakte. 2.2 Vervolgens heeft [geïntimeerde] de stukken voor het wijzen van arrest in incident overgelegd en heeft het hof op één dossier arrest in incident bepaald. Het procesdossier van [geïntimeerde] bevat, in strijd met artikel 2.7 van Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven, aantekeningen en accentueringen. Het hof heeft daarop geen acht geslagen. 2.3 De vordering van [appellant] luidt: "1. Te vernietigen het vonnis waarvan beroep en alsnog de vordering van [geïntimeerde] af te wijzen;2. [geïntimeerde] te veroordelen om al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan aan [appellant] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;3. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 10.000,-, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, één en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.4. De tenuitvoerlegging van het vonnis te schorsen ". 3Aanduiding van het geschil 3.1 Het hof gaat bij de beoordeling van de vordering in incident uit van de volgende feiten. 3.2 [geïntimeerde] heeft op of omstreeks 5 april 2008 een leencontract aan [appellant] per e‑mail doen toekomen. Hierin is het volgende opgenomen: "Hierbij verklaar ik [geïntimeerde] geboren op [geboortedatum 1], wonende op [adres 1] te [land], dat ik een persoonlijke geldlening van € 50.000,- (vijftig duizend euro) aan de heer [appellant] geboren op [geboortedatum 2], wonende op [adres 2] [woonplaats 1] (Nederland) verleen. Hieronder vindt u een aantal voorwaarden die beide partijen moeten aan voldoen.- De lening hoeft pas van af de vijfde jaar (5 april 2013) na het contract te worden afgelost met maandelijkse termijnen van (nog af te spreken).- De rente bedraagt 5% op jaarbasis en kan aan het einde van het jaar jaarlijks aan de lening verlener worden betaald. (…)" 3.3 [geïntimeerde] heeft verschillende bedragen, tot een totaalbedrag van € 39.000,- aan [appellant] overgemaakt. Deze gelden waren afkomstig van de vader van [geïntimeerde], die de bedragen eerder aan [geïntimeerde] had overgemaakt. 3.4 Bij brief van 3 september 2009 heeft de raadsvrouw van [geïntimeerde] [appellant] gesommeerd om binnen twee weken tot betaling aan [geïntimeerde] van de achterstallige rente van op dat moment € 1.357,10 over te gaan. 3.5 In [plaats] (Armenië) aan [adres 3] zijn een kavel en tuinhuis gelegen (hierna: de datsja). Het eigendomsrecht van de datsja was op naam van de moeder van [appellant] gesteld. Op of omstreeks 9 februari 2008 is tussen de moeder van [appellant] en [appellant] en de vader van [geïntimeerde] een overeenkomst tot stand gekomen, op grond waarvan de vader van [geïntimeerde] de eigendom van de datsja heeft verkregen. 3.6 Blijkens een overeenkomst van 7 mei 2009 heeft de vader van [geïntimeerde] de datsja aan [appellant] geschonken. Bij machtiging van 18 mei 2009 heeft [appellant] de zus van [geïntimeerde] gemachtigd om de datsja over te dragen aan [geïntimeerde] "as repayment of a dept under Contract of EUR 50.000,00, executed on April 04, 2008, by and between [geïntimeerde] and me." 3.7 De datsja is vervolgens niet aan [geïntimeerde] overgedragen. 3.8 Bij inleidende dagvaarding d.d. 24 december 2009 heeft [geïntimeerde] gevorderd dat de rechtbank [appellant] zal veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] van de achterstallige rente, zijnde een bedrag van € 3.915,99, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. heeft een reconventionele vordering ingesteld, strekkende tot veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van € 11.000,-, indien de rechtbank besluit om de vordering in conventie geheel of gedeeltelijk toe te kennen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding. 3.9 In haar eindvonnis van 17 oktober 2012 heeft de rechtbank - samengevat weergegeven in conventie [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 3.253,83, te vermeerderen met de wettelijke rente en voorts [appellant] veroordeeld tot nakoming van de overeenkomst van geldlening die omstreeks 5 april 2008 tussen partijen tot stand is gekomen. In reconventie heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen. De rechtbank heeft [appellant] daarbij zowel in conventie als in reconventie veroordeeld in de proceskosten. 3.10 [appellant] is bij dagvaarding van 14 januari 2013 in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis. Bij memorie van grieven tevens houdende incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij voorraad heeft [appellant] elf grieven opgeworpen en het onderhavige incident geopend. 4De motivering van de beslissing in het incident 4.1 De vraag waar het in het onderhavige incident om gaat is of er voldoende grond bestaat voor schorsing van de executie van het vonnis waarvan beroep op de voet van artikel 351 Rv. Bij de beantwoording van deze vraag stelt het hof, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 30 mei 2008 (LJN: BC5012), voorop dat bij de beoordeling van dergelijke incidentele vorderingen geldt:(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.