Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005890-13 Uitspraak d.d.: 26 augustus 2013 TEGENSPRAAK Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 17 juni 2013 in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1996], wonende te [woonplaats], [adres], thans verblijvende in [verblijfplaats]. Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit tussenarrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 13 augustus 2013, welk onderzoek is aangewezen voor het houden van een regiezitting. Het hof heeft kennisgenomen van - hetgeen door de raadsman, mr. G.I. Roos, ter terechtzitting naar voren is gebracht, - het standpunt van de advocaat-generaal, mr. L.P. den Hollander, en van - hetgeen ter terechtzitting door mr. Y. Moszkowicz, namens de benadeelde partijen, is meegedeeld. De door de verdediging ingediende verzoeken Verdachte is op 17 juni 2013 veroordeeld door de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad. Tegen dit vonnis is namens verdachte hoger beroep ingesteld op 24 juni 2013. Door de verdediging is op 8 juli 2013 een appelschriftuur ingediend met daarin de navolgende onderzoekswensen. 1. Een onderzoek door rechtspsycholoog Van Koppen naar de beïnvloeding van de getuigen, door politie en justitie, in verband met getoonde foto's, waaronder de zogenoemde 'Telegraaffoto'; 2. een 3D-reconstructie, inhoudende een onderzoek naar de zich in het dossier bevindende foto's van het incident, subsidiair een gerechtelijke schouw ter plaatse op het voetbalveld; 3. genetisch onderzoek naar de zeldzame vaatziekte SMA bij [slachtoffer] opdat meer duidelijkheid bestaat ten aanzien van de causaliteit. Tijdens de zitting heeft de raadsman volhard bij voornoemde onderzoekswensen en heeft deze nader toegelicht. Aanvullend heeft de raadsman om het horen van medeverdachte [medeverdachte3] verzocht. Voorts heeft hij ter terechtzitting primair een verzoek tot opheffing gedaan op grond van artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en subsidiair een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte, dan wel een schorsing van de voorlopige hechtenis voor de duur van een week, begin oktober 2013, in verband met een bruiloft in de familiesfeer. Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof betoogd dat de onderzoekswensen, zoals hierboven genoemd onder 1 tot en met 3, van de verdediging dienen te worden afgewezen en dat de verzoeken tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis dienen te worden afgewezen. Maatstaf bij de beoordeling van de verzoeken: criterium verdedigingsbelang of noodzakelijkheidscriterium De door het hof gehanteerde maatstaf bij de beoordeling van de verzoeken tot het horen van (niet verschenen) getuigen of deskundigen in hoger beroep laat zich als volgt weergeven. 1. Bij tijdig (bij appelschriftuur) ingediende verzoeken (in de zin van artikel 410 lid 3 jo. lid 1 van het Wetboek van Strafvordering) gaat het criterium van het 'verdedigingsbelang' op, doordat artikel 264 van het Wetboek van Strafvordering uitdrukkelijk van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. 2. Oproeping van getuigen of deskundigen kan in een dergelijk geval - door van toepassing verklaring van artikel 288 van het Wetboek van Strafvordering (zie artikel 418 lid 1 van Wetboek van Strafvordering) - worden geweigerd indien: 2.1. onaannemelijk is dat de getuige/deskundige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen; 2.2. het - kort gezegd - gegronde vermoeden bestaat van het gevaar van schade aan de gezondheid/veiligheid van de getuige/deskundige; 2.3. redelijkerwijs valt aan te nemen dat het openbaar ministerie niet in zijn vervolging of de verdachte in zijn verdediging wordt geschaad. 3. Bij niet bij appelschriftuur ingediende verzoeken vormt het 'noodzakelijkheidscriterium' (in de zin van artikel 315 van het Wetboek van Strafvordering) het beoordelingskader waarbinnen verzoeken dienen te worden beoordeeld (artikel 418 lid 3 jo. artikel 414 van het Wetboek van Strafvordering). 4. In het geval de appelschriftuur met verzoeken later wordt ingediend dan de in artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn, maar wel binnen 14 dagen nadat het uitgewerkte vonnis door de verdediging is ontvangen, is het 'noodzakelijkheidscriterium' van toepassing. Maar - afhankelijk van de omstandigheden van het geval - kan aan het 'noodzakelijkheidscriterium' een zodanige invulling worden gegeven dat er geen wezenlijk verschil is met het resultaat dat bij de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt (HR 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007, 626). 5. Het 'noodzakelijkheidscriterium' fungeert eveneens als maatstaf indien de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden en de getuige/de deskundige om wiens verhoor wordt verzocht ten overstaan van een rechter (rechter-commissaris of een rechter ter zitting) is gehoord (artikel 418 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering). 6. Voor wat betreft gevraagd (nader) deskundigenonderzoek toetst het hof of het belang van de verdediging - voorzover daarvan sprake is - tegen de achtergrond van een eerlijke procesvoering en het belang van het onderzoek, (nader) deskundigenonderzoek noodzakelijk doen zijn. Bij die afweging dienen bij ieder gevraagd deskundigenonderzoek de relevante specifieke omstandigheden te worden betrokken (HR 19 juni 2007, NJ 2008, 169). Beoordeling van de verzoeken Het hof stelt vast dat de appelschriftuur tijdig is ingediend waardoor de verzoeken in beginsel dienen te worden beoordeeld aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang. De door de raadsman ter zitting opgegeven getuige is evenwel eerder in zijn aanwezigheid gehoord door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad. Nu de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, fungeert het noodzakelijkheidscriterium als maatstaf bij de beoordeling van het horen van de getuigen. Het hof wijst toe het verzoek tot het horen van getuige [medeverdachte3], een medeverdachte van verdachte. Het hof is voornemens om wat betreft het horen van bovengenoemde getuige één van de raadsheren die ter zitting over de zaak oordeelt, aan te wijzen als gedelegeerd raadsheer-commissaris. Nu krachtens het gestelde in artikel 316 lid 2 jo. 415 van het Wetboek van Strafvordering een dergelijke aanwijzing alleen kan indien de advocaat-generaal en de verdachte daarmee instemmen, verzoekt het hof de advocaat-generaal en de verdediging binnen één week na de datum van dit arrest schriftelijk aan de griffier te laten weten of dit voornemen van het hof op instemming kan rekenen of dat hiertegen bezwaren bestaan. Het hof heeft in een aantal zaken van de medeverdachten van verdachte verzochte getuigen, te weten steeds medeverdachten van de betreffende verdachte, toegewezen, voor zover hieronder opgesomd. Vanuit proces-economisch oogpunt zal de raadsman van verdachte in verband met verknochtheid van de zaken in de gelegenheid worden gesteld de getuigenverhoren bij te wonen. Het betreft de navolgende getuigen: *. [medeverdachte4], geboren op [1996], thans verblijvende in [verblijfplaats]; *. [medeverdachte1], geboren op [1995] te Amsterdam, thans verblijvende in [verblijfplaats]; *. [medeverdachte5], geboren in 1962, thans verblijvende in [verblijfplaats]; *. [getuige3], geboren op [1997], wonende te [woonplaats], [adres]. Nader onderzoek Voor wat betreft de verzoeken van de verdediging opgesomd onder 1 tot en met 3, toetst het hof - zoals hierboven reeds omschreven - of het belang van de verdediging tegen de achtergrond van een eerlijke procesvoering en het belang van het onderzoek, (nader) deskundigenonderzoek noodzakelijk doen zijn. Bij die afweging dienen bij ieder gevraagd deskundigenonderzoek de relevante specifieke omstandigheden te worden betrokken. Het hof zal dan ook bij onderstaande verzoeken steeds opnieuw de specifieke omstandigheden in ogenschouw nemen. Wat het verzoek betreft van onderzoek door psycholoog Van Koppen Het hof wijst het verzoek tot onderzoek door psycholoog Van Koppen af. Het hof stelt vast dat getuigen verschillende malen zijn gehoord waarbij in een zeker stadium aan getuigen een aantal foto’s is getoond. Het hof stelt tevens vast dat de raadsman in de gelegenheid is geweest, en deze gelegenheid ten aanzien van de door haar in het kader van dit verzoek genoemde getuigen ook heeft benut, om aan de getuigen vragen te stellen, ook op het punt van het tonen van foto’s en de interpretatie daarvan door de getuigen. De getuigen hebben de gestelde vragen - ook die afkomstig vanuit de verdediging van medeverdachten - in dit kader beantwoord. Het hof is van oordeel dat hetgeen de raadsman ten grondslag heeft gelegd aan haar verzoek onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de noodzaak tot het verrichten van het gevraagde psychologische deskundigenonderzoek. Het hof kent hierbij betekenis toe aan de wijze waarop tijdens de verhoren foto’s zijn getoond. Tijdens de verhoren heeft de politie pas foto's aan de getuigen getoond, nadat deze getuigen een verklaring hadden afgelegd. Deze foto's zijn ter verificatie aan de getuigen getoond in het kader van confrontatie met onderzoeksresultaten. Het is aan het hof de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen te beoordelen. In het licht van de bovenstaande gang van zaken omtrent de verschillende verhoren, waarbij de raadsman ook in de gelegenheid is geweest de getuigen onder meer op de mogelijke invloed van de foto’s te bevragen, is het hof van oordeel dat onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor noodzaak tot deskundigenonderzoek als verzocht. Wat het verzoek betreft om een 3D-reconstructie subsidiair een gerechtelijke schouw ter plaatse op het voetbalveld Het hof wijst dit verzoek af. Het hof vindt in het gestelde van de raadsman onvoldoende aanleiding te oordelen dat noodzaak bestaat tot het verrichten van nader onderzoek ten aanzien van de foto’s in die zin dat die driedimensionaal worden gemaakt. Het hof overweegt hiertoe dat bij de inhoudelijke behandeling van de zaak ter zitting gelegenheid zal bestaan de foto’s te bekijken en de waarneming van het hof van commentaar te voorzien. Het gegeven dat foto’s uit hun aard slechts een momentopname zijn en derhalve niet meer dan slechts een aantal momenten van het gehele voorval op het voetbalveld beslaan, maakt ook dat er onvoldoende aanknopingspunten bestaan om de noodzaak van het gevraagde onderzoek aan te nemen. Het hof wijst eveneens het verzoek om de gevraagde reconstructie af. De raadsman heeft om een "reconstructie (schouw) van de incidenten op het voetbalveld” verzocht. Niet nader is aangeduid op welk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.