Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005932-13 Uitspraak d.d.: 26 augustus 2013 TEGENSPRAAK Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 17 juni 2013 in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1996], wonende te [woonplaats], [adres], thans gedetineerd in [verblijfplaats]. Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit tussenarrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 13 augustus 2013, welk onderzoek is aangewezen voor het houden van een regiezitting. Het hof heeft kennisgenomen van - hetgeen door de raadsvrouw, mr. H. Plantenga, ter terechtzitting naar voren is gebracht, - het standpunt van de advocaat-generaal, mr. L.P. den Hollander, en van - hetgeen ter terechtzitting door mr. Y. Moszkowicz, namens de benadeelde partijen, is meegedeeld. De door de verdediging ingediende verzoeken Verdachte is op 17 juni 2013 veroordeeld door de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad. Tegen dit vonnis is namens verdachte hoger beroep ingesteld op 17 juni 2013. Door de verdediging is op 1 juli 2013 een appelschriftuur ingediend met daarin de navolgende onderzoekswensen. Het horen van de getuige 1. [getuige4]. De verdediging verzoekt om 2. Nader genetisch onderzoek in het kader van de zeldzame vaatziekte SMA bij slachtoffer [slachtoffer] door prof. Milroy danwel een andere deskundige en die Milroy of die andere deskundige over de bevindingen ter zitting te horen; 3. een reconstructie naar wat zich precies op het veld heeft afgespeeld aan de hand van de foto's; 4. nader deskundigenonderzoek: de foto’s driedimensionaal te visualiseren en de op de foto zichtbare personen van een naam voorzien. Ter zitting heeft de raadsvrouw haar schriftuur als volgt aangevuld 5. Het verrichten van onderzoek door een forensisch patholoog om de vraag te beantwoorden of voorzienbaar is geweest of het uitgeoefende geweld tot de dood heeft kunnen leiden. Tijdens de zitting heeft de raadsvrouw volhard bij voornoemde onderzoekswensen en deze nader toegelicht. Ter zitting heeft de raadsvrouw te kennen gegeven aanvullende onderzoekswensen te hebben, met dien verstande dat zij verzoekt tot het horen van getuige [getuige3] en, mochten de auditieve registraties van de verhoren die zij reeds op cd-rom heeft ontvangen incompleet zijn, het ontbrekende deel te willen ontvangen. De raadsvrouw heeft eveneens verzocht, voor zover in de zaken van medeverdachten andere getuigen zullen worden gehoord, in de gelegenheid te worden gesteld deze verhoren bij te wonen. Voorts heeft de raadsvrouw primair een verzoek tot opheffing gedaan op grond van artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en subsidiair een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte gedaan. Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof betoogd dat de onderzoekswensen van de verdediging dienen te worden afgewezen (hierboven genoemd onder 1 tot en met 3), met uitzondering van het ter terechtzitting gedane verzoek tot het horen van [getuige3] en dat de verzoeken tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis dienen te worden afgewezen. De advocaat-generaal heeft meegedeeld geen bezwaar te hebben tegen verstrekking van een kopie van auditieve registraties en daaraan zijn medewerking te verlenen wanneer de raadsvrouw haar verzoek concreet heeft gemaakt. Voor het geval de door de raadsvrouw bedoelde verhoren audiovisuele registraties zouden betreffen, is uitluisteren/kijken op een nader af te spreken moment op een politiebureau mogelijk. Maatstaf bij de beoordeling van de verzoeken: criterium verdedigingsbelang of noodzakelijkheidscriterium De door het hof gehanteerde maatstaf bij de beoordeling van de verzoeken tot het horen van (niet verschenen) getuigen of deskundigen in hoger beroep laat zich als volgt weergeven. 1. Bij tijdig (bij appelschriftuur) ingediende verzoeken (in de zin van artikel 410 lid 3 jo. lid 1 van het Wetboek van Strafvordering) gaat het criterium van het 'verdedigingsbelang' op, doordat artikel 264 van het Wetboek van Strafvordering uitdrukkelijk van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. 2. Oproeping van getuigen of deskundigen kan in een dergelijk geval - door van toepassing verklaring van artikel 288 van het Wetboek van Strafvordering (zie artikel 418 lid 1 van Wetboek van Strafvordering) - worden geweigerd indien: 2.1. onaannemelijk is dat de getuige/deskundige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen; 2.2. het - kort gezegd - gegronde vermoeden bestaat van het gevaar van schade aan de gezondheid/veiligheid van de getuige/deskundige; 2.3. redelijkerwijs valt aan te nemen dat het openbaar ministerie niet in zijn vervolging of de verdachte in zijn verdediging wordt geschaad. 3. Bij niet bij appelschriftuur ingediende verzoeken vormt het 'noodzakelijkheidscriterium' (in de zin van artikel 315 van het Wetboek van Strafvordering) het beoordelingskader waarbinnen verzoeken dienen te worden beoordeeld (artikel 418 lid 3 jo. artikel 414 van het Wetboek van Strafvordering). 4. In het geval de appelschriftuur met verzoeken later wordt ingediend dan de in artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn, maar wel binnen 14 dagen nadat het uitgewerkte vonnis door de verdediging is ontvangen, is het 'noodzakelijkheidscriterium' van toepassing. Maar - afhankelijk van de omstandigheden van het geval - kan aan het 'noodzakelijkheidscriterium' een zodanige invulling worden gegeven dat er geen wezenlijk verschil is met het resultaat dat bij de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt (HR 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007, 626). 5. Het 'noodzakelijkheidscriterium' fungeert eveneens als maatstaf indien de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden en de getuige/de deskundige om wiens verhoor wordt verzocht ten overstaan van een rechter (rechter-commissaris of een rechter ter zitting) is gehoord (artikel 418 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering). 6. Voor wat betreft gevraagd (nader) deskundigenonderzoek toetst het hof of het belang van de verdediging - voorzover daarvan sprake is - tegen de achtergrond van een eerlijke procesvoering en het belang van het onderzoek, (nader) deskundigenonderzoek noodzakelijk doen zijn. Bij die afweging dienen bij ieder gevraagd deskundigenonderzoek de relevante specifieke omstandigheden te worden betrokken (HR 19 juni 2007, NJ 2008, 169). Beoordeling van de verzoeken Het hof stelt vast dat de appelschriftuur tijdig is ingediend waardoor de verzoeken in beginsel dienen te worden beoordeeld aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang. Getuigen De door de raadsvrouw opgegeven getuige zoals genoemd onder 1 en de daarnaast ter terechtzitting opgegeven getuige [getuige3], zijn eerder in haar aanwezigheid gehoord door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad. Nu de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, fungeert het noodzakelijkheidscriterium als maatstaf bij de beoordeling van het horen van de getuigen. Het hof wijst af het verzoek tot het horen van de getuige genoemd onder 1, nu de noodzaak daartoe niet is gebleken. Immers, voornoemde getuige is reeds in aanwezigheid van de raadsvrouw door de rechter-commissaris gehoord en de raadsvrouw heeft daarbij alle gelegenheid gehad de getuigen te bevragen en van deze gelegenheid ook gebruik gemaakt. Het hof ziet wel de noodzaak tot het horen van getuige [getuige3], een inmiddels onherroepelijke veroordeelde medeverdachte en wijst dit verzoek derhalve toe. Het hof heeft in een aantal zaken van de medeverdachten van verdachte verzochte getuigen, te weten steeds alle medeverdachten van de betreffende verdachte, toegewezen, voor zover hieronder opgesomd. Vanuit proces-economisch oogpunt zal de raadsvrouw van verdachte in verband met verknochtheid van de zaken in de gelegenheid worden gesteld de getuigenverhoren bij te wonen. Het betreft de navolgende getuigen: *. [medeverdachte1], geboren op [1995], thans gedetineerd in [verblijfplaats]; *. [medeverdachte4], geboren op [1996], thans gedetineerd in het [verblijfplaats]; *. [medeverdachte2], geboren op [1996], thans gedetineerd in [verblijfplaats]; *. [medeverdachte5], geboren in 1962, thans gedetineerd in [verblijfplaats]. Het hof is voornemens om wat betreft het horen van bovengenoemde getuigen één van de raadsheren die ter zitting over de zaak oordeelt, aan te wijzen als gedelegeerd raadsheer-commissaris. Nu krachtens het gestelde in artikel 316 lid 2 jo. 415 van het Wetboek van Strafvordering een dergelijke aanwijzing alleen kan indien de advocaat-generaal en de verdachte daarmee instemmen, verzoekt het hof de advocaat-generaal en de verdediging binnen één week na de datum van dit arrest schriftelijk aan de griffier te laten weten of dit voornemen van het hof op instemming kan rekenen of dat er bezwaren hiertegen bestaan. Nader onderzoek Voor wat betreft de verzoeken van de verdediging opgesomd onder 2 tot en met 5, toetst het hof - zoals hierboven reeds omschreven - of het belang van de verdediging tegen de achtergrond van een eerlijke procesvoering en het belang van het onderzoek, (nader) deskundigenonderzoek noodzakelijk doen zijn. Bij die afweging dienen bij ieder gevraagd deskundigenonderzoek de relevante specifieke omstandigheden te worden betrokken. Het hof zal dan ook bij onderstaande verzoeken steeds opnieuw de specifieke omstandigheden in ogenschouw nemen. Ten aanzien van het verzoek tot nader genetisch onderzoek Het hof wijst af het verzoek tot dit nadere genetisch onderzoek. Het hof stelt allereerst vast dat in eerste aanleg - in het vooronderzoek en tijdens de behandeling van de strafzaak - in verschillende fasen deskundigenonderzoek, waaronder contra-expertise op verzoek van de verdediging, heeft plaatsgevonden onder meer gericht op de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer]. Het hof heeft in aanmerking genomen dat de zaak door de voorzitter van de kamer is besproken met het openbaar ministerie en de raadslieden in de zaken van alle medeverdachten, waarna op een regiezitting is voortgegaan met de behandeling van de zaak en de onderzoeksvragen. Dat heeft er ook toe geleid dat ook de rechter-commissaris verschillende onderzoekshandelingen heeft verricht waaronder de benoeming van verschillende deskundigen. Met betrekking tot de vraag naar de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] hebben dr. B. Kubat en dr. A. Maes, beiden arts en patholoog, als deskundige onderzoek verricht. Zij hebben beiden verslag gedaan van hun onderzoek in een rapportage en die van conclusies voorzien. Op verzoek van de verdediging zijn bij wijze van contra expertise prof. Jacobs, docent gerechtelijke geneeskunde (en via laatstgenoemde prof. E. Beuls, emeritus hoogleraar en hoofd afdeling neurochirurgie Universiteit Maastricht) en prof. C.M. Milroy, forensisch patholoog, benoemd als deskundigen door de rechter-commissaris. Ook zij hebben hun bevindingen in een rapportage neergelegd. Prof. Milroy heeft zich - aldus zijn rapportage - intercollegiaal laten bijstaan door dr. Veinot. Het hof heeft kennis kunnen nemen van voormelde rapportages en hun conclusies. Het hof heeft tevens gelezen het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 29 mei 2013. Op laatstgenoemde zitting zijn voornoemde deskundigen, met uitzondering van prof. Jacobs, in elkaars aanwezigheid gehoord, hebben vragen beantwoord en hebben op elkaars standpunten gereageerd. Het hof stelt vast dat ter zitting inhoudelijk is gedebatteerd over bevindingen, ingenomen standpunten en conclusies met betrekking tot de doodsoorzaak waarbij ook de betekenis van een eventuele aandoening SMA aan de orde is geweest. Het hof vindt in het licht van de resultaten van voornoemde deskundigenonderzoeken en het debat daarover ter zitting - waarbij de aandoening SMA en mogelijke consequenties daarvan specifiek aan de orde is geweest - aan het verzoek tot nader (aanvullend) genetisch onderzoek naar de vraag of kan worden vastgesteld of [slachtoffer] leed aan SMA, onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat een dergelijk onderzoek moet worden verricht. Het hof is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden het belang van het onderzoek in deze strafzaak niet noopt tot het oordeel dat nader onderzoek noodzakelijk is. Wat het verzoek betreft prof. Milroy ter zitting als getuige te horen: Prof. Milroy is ter zitting van de rechtbank in aanwezigheid van de raadsvrouw gehoord waarbij gelegenheid tot ondervraging heeft bestaan. Nu de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, fungeert het noodzakelijkheidscriterium als maatstaf bij de beoordeling van het horen van deze deskundige. Het hof wijst dit verzoek af nu de noodzaak daartoe niet is gebleken, ook niet door hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht. Wat het verzoek betreft om een reconstructie Het hof wijst het verzoek om de gevraagde reconstructie af. De raadsvrouw heeft verzocht om een reconstructie naar wat zich precies heeft afgespeeld aan de hand van de beschikbare foto’s. Niet nader is aangeduid op welk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.