GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.112.665/01 (zaaknummer rechtbank Zwolle-Lelystad 157245/ HA ZA 09-637) arrest van de tweede kamer van 3 september 2013 (bij vervroeging) in de zaak van [B.V. A], gevestigd te [vestigingsplaats 1], appellante, in eerste aanleg: eiseres, hierna: [B.V. A], advocaat: mr. D. de Jong, kantoorhoudend te Zeist, die ook heeft gepleit, tegen 1 [geïntimeerde 1] Vastgoed B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 2], gemeente Ommen,
(5)vermelde vordering ingesteld, in de gewijzigde vordering in appel is deze vordering niet teruggekeerd. [B.V. A] heeft in de memorie van grieven ook geen concrete stellingen ontwikkeld die, indien deze worden bewezen, tot toewijzing van enig deel van het gevorderde tegen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 1] Group kan leiden. Voor zover de onderhavige vorderingen mede tegen [geïntimeerde 1] Group en [geïntimeerde 1] zijn ingesteld moeten zij daarom worden afgewezen. Verjaring 5.4 Tegen de primaire vordering strekkende tot vernietiging van de tussen [B.V. A] en [geïntimeerde 1] Vastgoed gesloten koopovereenkomst heeft [geïntimeerde 1] Vastgoed aangevoerd dat deze is verjaard op grond van artikel 3:52 lid 1 onder c BW. Op grond van die bepaling verjaart een rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling wegens dwaling drie jaren nadat de dwaling is ontdekt. Volgens [geïntimeerde 1] Vastgoed is de verjaringstermijn aangevangen op 16 april 2008, op welke datum de toenmalige advocaat van [B.V. A] een sommatiebrief aan [geïntimeerde 1] Vastgoed heeft verstuurd. Uit die brief blijkt volgens [geïntimeerde 1] Vastgoed dat [B.V. A] op dat moment op de hoogte was van de dwaling. Het hof overweegt dat dit laatste niet juist kan zijn, want anders dan [geïntimeerde 1] Vastgoed stelt betreft die brief geen sommatiebrief van [B.V. A] aan [geïntimeerde 1] Vastgoed, maar een sommatiebrief van de advocaat van FBS aan [B.V. A]. Dat [B.V. A] op de hoogte was van de dwaling blijkt evenwel voldoende uit de brief van haar (toenmalige) advocaat van 1 augustus 2008 (productie 6 bij inleidende dagvaarding), waarin zij onder meer schrijft dat ‘relevante informatie’ door [geïntimeerde 1] Vastgoed is verzwegen, dat [geïntimeerde 1] [B.V. A] ‘op het verkeerde been heeft gezet’ en dat [B.V. A] door toedoen van [geïntimeerde 1] Vastgoed ‘een onjuiste voorstelling van zaken (heeft) gehad.’ Het hof gaat er daarom van uit dat de verjaringstermijn is aangevangen op 1 augustus 2008 en ingevolge het bepaalde in artikel 3:52 lid 1 onder c BW eindigt op 1 augustus 2011, tenzij voordien rechtsgeldig en tijdig stuiting van de lopende verjaringstermijn heeft plaatsgevonden. 5.5 De bij akte van 17 maart 2010 gewijzigde eis tot – onder meer gedeeltelijke - vernietiging van de tussen [B.V. A] en [geïntimeerde 1] Vastgoed gesloten koopovereenkomst berust blijkens de conclusie van repliek na comparitie van 13 januari 2010 mede op de grondslag van dwaling, hetgeen het hof in het bijzonder afleidt uit het daaromtrent gestelde in par. 8 (p.25) en par. 10 (p. 28-29) van de conclusie van repliek, hetgeen [geïntimeerde 1] Vastgoed blijkens het gestelde in haar antwoordconclusie sub 28 van 24 maart 2010 ook aldus heeft begrepen. Daaraan verbindt het hof de conclusie dat de lopende verjaring op 17 maart 2010 door het instellen van een eis op de voet van artikel 3:316 lid 1 BW tijdig is gestuit. Dat brengt mee dat de lopende verjaring van de rechtsvordering is voltooid op 17 maart 2013, tenzij voordien op rechtsgeldige wijze en tijdig stuiting heeft plaatsgevonden. Dat is het geval met de bij memorie van grieven van 12 februari 2013 gewijzigde eis, primair strekkende tot vernietiging van de tussen [B.V. A] en [geïntimeerde 1] Vastgoed gesloten koopovereenkomst. Daarmee is de lopende verjaring tijdig en rechtsgeldig op de voet van artikel 3:316 lid 1 BW gestuit. 5.6 Het beroep op verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging op grond van dwaling kan daarom niet slagen. Beoordeling van het beroep op dwaling 5.7 De grieven stellen in hoger beroep de toewijsbaarheid van de primaire vorderingen tot vernietiging op grond van dwaling, subsidiair op grond van onrechtmatige daad dan wel wanprestatie wegens schending van de mededelingsplicht door [geïntimeerde 1] Vastgoed aan de orde. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. 5.8 Het hof vat het (primaire) beroep op dwaling door [B.V. A] op als een beroep op de dwalingsgrond van artikel 6:228 lid 1 onder b BW, nu de feitelijke grondslag van het dwalingsberoep berust op het verwijt dat [geïntimeerde 1] Vastgoed voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst voor [B.V. A] als koper relevante informatie rond achterstanden in de huurbetalingen van twee huurders, [3] en [1], en met [geïntimeerde 1] Vastgoed daarover gemaakte afspraken, heeft achtergehouden. Als [B.V. A] daarvan had geweten had zij de koop niet gesloten, aldus [B.V. A]. 5.9 Bij de beoordeling van het beroep op dwaling stelt het hof voorop dat op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv op [B.V. A] de last rust te bewijzen dat de overeenkomst onder invloed van dwaling is tot stand gekomen en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten. 5.10 In dat verband zal het hof onder ogen zien of ten aanzien van zowel [3] als [1] sprake is van dwaling van [B.V. A] in de zin van artikel 6:228 lid 1 onder b BW, in dier voege dat [geïntimeerde 1] Vastgoed jegens [B.V. A] een mededelingsplicht heeft geschonden. [3] 5.11 [geïntimeerde 1] is, naast (indirect) bestuurder van [geïntimeerde 1] Vastgoed, ook bestuurder van [3], en zijn dochter was daarvan de directeur. Sedert 1 januari 2007 huurt [3] van [geïntimeerde 1] Vastgoed 1.350 m2 bedrijfsruimte in het onder 3.3 genoemde bedrijfspand te [plaats]. Ter zitting van het hof is gebleken dat tussen [geïntimeerde 1] Vastgoed en [3] een rekening-courant verhouding heeft bestaan op grond waarvan vorderingen tussen [geïntimeerde 1] Vastgoed en [3] over en weer werden verrekend, en dat ook de huurvorderingen van [geïntimeerde 1] Vastgoed op [3] op deze wijze in de verrekening werden betrokken. Dat betekent dat tussen [geïntimeerde 1] Vastgoed en/of [geïntimeerde 1] Group en [3] een bijzondere wijze van betaling van de maandelijks door [3] verschuldigde huur – te weten door verrekening in rekening-courant - bestond. Het lijdt naar het oordeel van van het hof geen twijfel dat dit voor de koper van een beleggingspand zodanig relevante informatie is, dat [geïntimeerde 1] Vastgoed ongevraagd aan [B.V. A] had moeten meedelen dat tussen haar en huurder [3] een bijzondere wijze van huurbetaling bestond, hetgeen temeer klemt in het licht van de verwevenheid tussen [geïntimeerde 1] Vastgoed en [3] ([geïntimeerde 1] als bestuurder van zowel de verhuurder als de huurder) en de bestaande familieverhouding tussen [geïntimeerde 1], bestuurder van zowel [geïntimeerde 1] vastgoed als van [3], en zijn dochter als directeur van [3]. Ter zitting van het hof heeft [geïntimeerde 1] desgevraagd verklaard dat hij deze informatie tijdens zijn bespreking met de directeur van [B.V. A], [C], niet heeft verschaft, en voorts dat hij ervan uitgaat dat de makelaar die voor [geïntimeerde 1] Vastgoed de onderhandelingen deed, [E] (hierna: [E]), niets wist over ‘het verrekenen’ van de huur in rekening-courant. 5.12 In zoverre heeft [geïntimeerde 1] Vastgoed haar mededelingsplicht jegens [B.V. A] geschonden. De tegenwerping dat makelaar [E] tegen [C] en/of [D], directeur van [B.V. A], volgens zijn bij de rechtbank afgelegde getuigenverklaring over [3] zou hebben gezegd ‘dat het daar niet goed draaide’, kan [geïntimeerde 1] Vastgoed niet baten. Dat ontslaat haar niet van de verplichting om eerst zelf openheid van zaken te verschaffen over de tussen haar en haar huurder bestaande bijzondere wijze van huurbetaling als hiervoor onder 5.11 besproken. Die mededelingsplicht prevaleert boven de onderzoeksplicht van [B.V. A]. 5.13 Volgens [B.V. A] was er wat [3] betreft ook sprake van achterstanden in de huurbetalingen, hetgeen door [geïntimeerde 1] Vastgoed is betwist. In dat verband heeft [B.V. A] bij conclusie van repliek (productie 17) onder meer overgelegd een overzicht ‘openstaande posten Debiteuren per heden’ van [geïntimeerde 1] Vastgoed, gedateerd 6 oktober
- Dat overzicht vermeldt onder meer: ‘27153 01-05-07 Huur [3] Februari 6.074,95 (…) (…) Daarnaast zijn rekeningafschriften van [3] overgelegd met, voor zover van belang, de volgende mutaties: 'Omschrijving Valutadatum Betaald (…)[geïntimeerde 1] Vastgoed 22-06-2007 € 6.074,95 (…) [geïntimeerde 1] Vastgoed 04-06-2007 € 6.074,95 (…) [geïntimeerde 1] Vastgoed 16-07-2007 € 6.385,57 (…) [geïntimeerde 1] vastgoed 24-08-2007 € 6.074,95 (…) [geïntimeerde 1] Vastgoed 09-10-2007 € 6.074,95 (…) [geïntimeerde 1] Vastgoed 05-11-2007 € 10.352,05 (…) [geïntimeerde 1] Vastgoed 12-12-2007 € 11.286,85 Achter de betaling met valutadatum ‘22 juni 2006’ staat handgeschreven: ‘Huur Jan 2007’ Achter de betaling met valutadatum ‘04-06-2007’ staat handgeschreven: ‘Huur juni 2007’ Achter de betaling met valutadatum ‘16-07-2007’ staat handgeschreven: ‘Huur mei 2007? Huur april 2007? Huur maart 2007?’ Achter de betaling met valutadatum ‘24-08-2007’ staat handgeschreven: ‘Huur juli 2007’ Achter de betaling met valutadatum ‘09-10-2007’ staat handgeschreven: ‘Huur sept. 07’ Achter de betaling met valutadatum ‘05-11-2007’ staat handgeschreven: ‘Huur okt 07’ Achter de betaling met valutadatum ’12-12-2007’ staat handgeschreven: ‘Huur nov + dec. 07’ 5.14 Gelet op deze stukken ter zake van de huurbetalingen door [3] – die erop duiden dat in 2007 sprake is geweest van onregelmatige huurbetalingen en waarvoor [geïntimeerde 1] ter zitting geen duidelijke verklaring heeft kunnen geven – had het op de weg van [geïntimeerde 1] Vastgoed gelegen aan de hand van haar eigen administratie ter zake van de rekening-courantverhouding met [3] haar verweer te onderbouwen dat (ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst met [B.V. A]) geen sprake was van achterstanden in de huurbetalingsverplichting van [3]. Nu zij dat ook in appel niet heeft gedaan moet het er naar het oordeel van het hof voor worden gehouden dat ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst met [B.V. A] inderdaad sprake was van een achterstand in de maandelijkse huurbetalingen van [3]. Dat betreft voor de koper van een beleggingspand relevante informatie die [geïntimeerde 1] Vastgoed in het kader van de voorgenomen transactie – de aankoop van een beleggingspand – met [B.V. A] had moeten delen en nu zij dat niet heeft gedaan brengt dat mee dat [geïntimeerde 1] Vastgoed ook in zoverre de op haar rustende mededelingsplicht jegens [B.V. A] heeft geschonden. [1] 5.15 Tussen [geïntimeerde 1] Vastgoed en [1] (in de persoon van de [A]) is op 28 maart 2007 de onder 3.7 vermelde overeenkomst gesloten, op grond waarvan [geïntimeerde 1] Vastgoed aan haar huurder [1] uitstel van betaling heeft verleend van de verschuldigde huur over het jaar 2007, welke huur terugbetaald diende te worden in 36 maandelijkse termijnen in de jaren 2008, 2009 en
- Ook wat betreft deze overeenkomst is naar ’s hofs oordeel buiten twijfel dat deze ter kennis van de potentiële koper van het (beleggings)pand gebracht behoorde te worden. De tekst van de overeenkomst strekt er immers toe om de huurder uitstel van betaling van de huurbetalingsverplichting over 2007 te verlenen. Die informatieverplichting jegens de koper geldt ook voor het feit dat deze overeenkomst volgens de daarop ter zitting van het hof door [geïntimeerde 1] gegeven toelichting slechts ertoe strekte jegens de huurder coulance te betrachten ter zake van de maandelijkse huurbetalingsverplichting, en enkel was opgesteld met de bedoeling om een door [1] bij de bank gevraagde financiering te faciliteren. Ter zitting van het hof is komen vast te staan dat [geïntimeerde 1] de bewuste overeenkomst niet heeft verstrekt aan [B.V. A] en haar noch [E] daarover heeft geïnformeerd. 5.16 Daaraan verbindt het hof de conclusie dat [geïntimeerde 1] Vastgoed ook in zoverre haar mededelingsplicht jegens [B.V. A] heeft geschonden, en dat wordt niet anders door het enkele feit dat makelaar [E] volgens zijn getuigenverklaring wel vooraf heeft meegedeeld dat [1] een ‘startende ondernemer’ betrof. Een dergelijke algemene mededeling hoeft [B.V. A] nog niet te doen vermoeden dat een overeenkomst als de onderhavige met [1] is gemaakt. 5.17 Overigens heeft [geïntimeerde 1] Vastgoed ter zitting van het hof erkend dat [1] ‘een of twee maanden’ huurachterstand had, maar zij heeft ook in appel nagelaten aan de hand van haar eigen administratie te onderbouwen dat voor het overige de maandelijkse huurbetalingsverplichting door [1] correct werd nagekomen. Het hof houdt het er daarom ook wat betreft [1] voor dat sprake was van een zodanige achterstand in de huurbetalingsverplichting dat daarover voorafgaande aan het sluiten van de koopovereenkomst mededeling aan [B.V. A] gedaan had moeten worden. Nu dat niet is gebeurd, is ook in dit opzicht door [geïntimeerde 1] Vastgoed de mededelingsverplichting jegens [B.V. A] geschonden. 5.18 Het vorenoverwogene brengt mee dat [B.V. A]’s beroep op schending van de mededelingsplicht door [geïntimeerde 1] Vastgoed op grond van artikel 6:228 lid 1 onder b BW slaagt. Daarmee staat vast dat de koopovereenkomst is tot stand gekomen onder een onjuiste voorstelling van zaken aan de zijde van [B.V. A] als gevolg van het feit dat [geïntimeerde 1] Vastgoed haar mededelingsplicht in de hiervoor besproken zin heeft geschonden. 5.19 Twee van de zes huurders van het bedrijfspand, [3] en [1], vertegenwoordigen met 2.300 m2 respectievelijk 900 m2 gehuurde bedrijfsruimte een substantieel gedeelte van het verkochte. Gelet daarop en in aanmerking dat de transactie betrekking had op de aankoop van een beleggingspand waarvoor als feit van algemene bekendheid geldt dat de ‘gegoedheid’ van de huurders in sterke mate bepalend is voor de waarde daarvan, is naar het oordeel van het hof vast komen te staan dat [B.V. A] deze koopovereenkomst niet, althans niet onder dezelfde condities, zou zijn aangegaan als zij wel correct door [geïntimeerde 1] Vastgoed zou zijn geïnformeerd over [3] en [1] als hiervoor overwogen. Daarop duidt ook de omstandigheid dat [B.V. A] met betrekking tot huurder [2]. aanvullende garanties heeft verlangd. 5.20 De betwisting door [geïntimeerde 1] Vastgoed dat [B.V. A] de koopovereenkomst niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten indien zij ‘meer informatie over deze huurders zou hebben gekregen’ (Memorie van antwoord sub 50.) op de grond dat [B.V. A] – kort gezegd – zelf geen enkele vraag heeft gesteld over de financiële gegoedheid van deze huurders en ook geen nader onderzoek heeft ingesteld, kan [geïntimeerde 1] Vastgoed niet baten. Die betwisting miskent dat uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de op [geïntimeerde 1] Vastgoed rustende mededelingsplicht met betrekking tot hetgeen zij wist omtrent de (gegoedheid van) huurders [3] en [1] prevaleert boven een onderzoeksplicht van [B.V. A]. Conclusie met betrekking tot de vorderingen van [B.V. A] in hoger beroep 5.21 Het beroep [B.V. A] op dwaling slaagt, zowel wat [3] betreft als wat [1] betreft, zodat de primair op grond daarvan gevorderde vernietiging van de koopovereenkomst in beginsel toewijsbaar is. In zoverre slaagt het hoger beroep, en dienen de bestreden tussenvonnissen te worden vernietigd. Ook de primair gevorderde verklaring voor recht dat [geïntimeerde 1] Vastgoed onrechtmatig heeft gehandeld is toewijsbaar, omdat schending van de mededelingsplicht door [geïntimeerde 1] Vastgoed met betrekking tot de huurders [3] en [1] een onrechtmatige daad jegens [B.V. A] oplevert. De gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure zal het hof echter niet toewijzen, omdat het mogelijk moet worden geacht om de schade die [B.V. A] als gevolg van het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 1] Vastgoed heeft geleden in de lopende procedure te begroten. Het hof tekent in dat verband aan dat het voornemens is om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank om met inachtneming van ‘s hofs arrest de schade te begroten. Het verdient daarbij de voorkeur dat de rechtbank niet aanstonds, zoals zij voornemens was te doen, een deskundige benoemt met betrekking tot de schade die [B.V. A] ‘mogelijkerwijs heeft geleden’(vonnis van 20 juni 2012), maar dat zij [B.V. A] eerst in de gelegenheid stelt om de in haar visie als gevolg van het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 1] Vastgoed geleden schade te specificeren en zo mogelijk te onderbouwen, waarna daarop door [geïntimeerde 1] Vastgoed kan worden gereageerd. Gevolgen vernietiging 5.22 Vernietiging werkt terug tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht (artikel 3:53 lid 1 BW). Het goederenrechtelijke effect van een vernietiging betekent dat het goed achteraf bezien – als gevolg van het causale stelsel van artikel 3:84 BW – nooit het vermogen van de vervreemder heeft verlaten. [geïntimeerde 1] Vastgoed heeft in dat verband bij pleidooi op de complicatie gewezen dat in de procedure tussen FBS en [B.V. A] het hof Arnhem bij tussenarrest van 27 maart 2012 – welk arrest in de onderhavige zaak geen deel uitmaakt van de gedingstukken – heeft geoordeeld dat het de vordering van FBS tot vernietiging van de koopovereenkomst zal toewijzen, maar dat van dat tussenarrest beroep in cassatie is ingesteld. Het is, aldus [geïntimeerde 1] Vastgoed, onzeker welke partij eigenaar zal zijn indien er op enig moment een in kracht van gewijsde gegane uitspraak ligt tussen [B.V. A] en FBS. 5.23 [B.V. A] heeft daarop nog niet naar behoren kunnen reageren. Zij zal in de gelegenheid worden gesteld dat bij de hierna te bespreken akte alsnog te doen. 5.24 Voor het geval het hof het beroep op dwaling gegrond acht verzoekt [geïntimeerde 1] Vastgoed om in plaats van de vernietiging van de koopovereenkomst uit te spreken, de gevolgen van de overeenkomst ter opheffing van het door [B.V. A] geleden nadeel te wijzigen (artikel 6: 230 lid 2 BW). Dat komt er per saldo op neer dat het hof op grond van het betoog in de pleitnotities van [geïntimeerde 1] Vastgoed (sub 22 – 29) de koopprijs zou moeten aanpassen, waarbij een verband zou moeten worden gelegd tussen de (beweerde)schade zoals [B.V. A] die heeft geleden als gevolg van de schending van de mededelingsplicht door [geïntimeerde 1] Vastgoed. 5.25 Voor zover [geïntimeerde 1] Vastgoed in dat verband nog argumenten aanvoert (pleitnotities sub 24) ten betoge dat de dwaling aan de zijde van [B.V. A] ‘voor een groot deel te wijten is aan [B.V. A] zelf’ moet dat betoog stranden gelet op hetgeen het hof daarover in rov. 5.20 reeds heeft geoordeeld. 5.26 Het hof stelt vast dat niet is voltooid het debat tussen partijen over de vraag of vernietiging van de overeenkomst dient te volgen (zoals door [B.V. A] is bepleit) dan wel dat aanleiding bestaat om op grond van artikel 6:230 lid 2 BW de gevolgen van de overeenkomst te wijzigen (zoals [geïntimeerde 1] Vastgoed voor ogen staat). Het hof zal de zaak in dat verband voor akte aan de zijde van [B.V. A] naar de rol verwijzen. Daarbij dient [B.V. A] in te gaan op het door [geïntimeerde 1] Vastgoed aan de orde gestelde verzoek als bedoeld in artikel 6:230 lid 2 BW. In verband met de gevorderde vernietiging dient [B.V. A] tevens in te gaan op de hiervoor onder 5.22 genoemde goederenrechtelijke complicatie als gevolg van de procedure tussen haar en FBS. [geïntimeerde 1] Vastgoed zal daarop vervolgens bij antwoordakte kunnen reageren. 5.27 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. De beslissing Het gerechtshof, recht doende in hoger beroep verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 1 oktober 2013 voor het nemen van een akte door [B.V. A] tot het onder 5.22 en 5.26 genoemde doel; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mr. R.A. van der Pol, mr. I. Tubben en mr. R.Ch. Verschuur en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 3 september 2013.