GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.118.952/01 (zaaknummer rechtbank Leeuwarden 118789 FARK 12-467) beschikking van de familiekamer van 24 september 2013 inzake [appellante], wonende te [woonplaats], appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. R.R.J.A. Olie-Hallmans, kantoorhoudend te Meppel, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats], geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellant in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. A.H. Horstman, kantoorhoudend te Sneek. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 17 oktober 2012, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift, ingekomen op 21 december 2012; - het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 27 februari 2013; - het aanvullend beroepschrift tevens verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 24 april 2013; - een brief van mr. Olie-Hallmans van 24 januari 2013 met als bijlagen de stukken uit de eerste aanleg (producties 2 tot en met 4), ingekomen op 25 januari 2013; - een brief van mr. Horstman van 29 april 2013, ingekomen op 1 mei 2013, met als bijlage de beschikking van dit hof van 5 maart 2013 betreffende hoofdverblijfplaats en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over het minderjarige kind van partijen; - een brief van mr. Horstman van 20 juni 2013, ingekomen op 20 juni 2013, met bijlagen 7 tot en met 11, met onder andere een akte wijziging petitum verweerschrift tevens incidenteel appel. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 2 juli 2013 plaatsgevonden. Verschenen zijn de vrouw, bijgestaan door mr. Olie-Hallmans, en de man, bijgestaan door mr. G.L. van der Heide-Brink (kantoorgenote van mr. Horstman). Mr. Olie-Hallmans heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een door haar overgelegde pleitnotitie. 2.3 Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden. 3De vaststaande feiten 3.1 De man en de vrouw zijn de ouders van [kind], geboren [in 2009] (hierna: [kind]), over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. 3.2 De hoofdverblijfplaats van [kind] is bij beschikking van 1 augustus 2012 (zaaknummer 118789 / FA RK 12-467) door de rechtbank Leeuwarden bepaald bij de man. Deze beslissing betreffende onder meer de hoofdverblijfplaats van [kind] is door dit hof op 5 maart 2013 (zaaknummer 200.114.672) bekrachtigd. Voorts heeft het hof bij deze beschikking - voor zover hier van belang - bepaald dat de co-ouderschapsregeling (inhoudende dat [kind] de ene week bij de vader verblijft en de andere week bij de moeder) wordt voortgezet totdat [kind] vier jaar is en naar school gaat en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [kind] tussen de vrouw en de man voor de periode vanaf het moment dat [kind] vier jaar is en naar school gaat bepaald als volgt: - [kind] verblijft twee weekenden per drie weken bij de moeder van vrijdagmiddag na school tot zondagmiddag 17.00 uur. Over het halen en brengen dienen de ouders in onderling overleg duidelijke afspraken te maken; - de vakanties en feestdagen worden bij helfte gedeeld, tenzij de ouders in onderling overleg tot een andere regeling komen. 4De omvang van het geschil 4.1 In geschil is de door de vrouw met ingang van 1 november 2013, de datum waarop [kind] vier jaar wordt en naar school gaat, aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind]. Tussen partijen is thans niet meer in geschil dat partijen gedurende de periode van co-ouderschap, te weten tot en met 31 oktober 2013, moeten worden geacht ieder hun eigen aandeel te hebben geleverd, dan wel te leveren in de kosten van [kind]. Ook is niet in geschil dat (gelet op de gewenste ingangsdatum) de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen zoals deze vanaf 1 april 2013 (versie juli 2013) luidt, dienen te gelden, waarbij partijen het er voorts over eens zijn dat: - het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen tijdens de samenleving vastgesteld kan worden op een bedrag van € 4.000,--; - de man met ingang van 1 november 2013 niet in aanmerking komt voor een kindgeboden budget; - de behoefte van [kind], rekening houdend met twee kinderbijslagpunten, € 610,-- per maand bedraagt. 5De motivering van de beslissing 5.1 Het hof dient te beoordelen in welke verhouding partijen dienen bij te dragen in de kosten van [kind]. Het hof volgt ook in dit opzicht - gelet op de ingangsdatum van de vaststellen bijdrage, zijnde 1 november 2013 - voormelde richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het eigen aandeel kosten van kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht. Het bedrag aan draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van een draagkrachttabel, waarbij op forfaitaire wijze rekening is gehouden met de kosten van levensonderhoud van de onderhoudsplichtige. Het bedrag aan draagkracht van partijen wordt in deze vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 850)]. Daarbij houdt het hof rekening met het huidige NBI (netto besteedbaar inkomen) van partijen. Indien recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, dient de draagkracht met dit bedrag te worden verhoogd. 5.2 Het NBI is de som van het bruto-inkomen, inclusief vakantietoeslag en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking zijn genomen. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning. Het NBI van de vrouw 5.3 Vaststaat dat de vrouw een arbeidsduur heeft van 38 uur, en dat zij sedert 1 augustus 2012 een deeltijdverlof/ouderschapsverlof geniet van 6 uur per week. De man is in zijn berekening uitgegaan van een bedrag aan inkomsten uit arbeid van de vrouw van € 29.571,-- per jaar. De vrouw heeft naar voren gebracht dat dit bedrag betrekking heeft op haar bruto-inkomsten en dat op dit bedrag nog in mindering moet worden gebracht de ingehouden pensioenpremie ad € 1.020,-- alsmede VUT/FPU-premie ad € 348,--. Daarmee rekening houdend komt zij uit op een bedrag aan inkomsten uit arbeid van € 28.203,--. Zij heeft daarbij aangegeven dat de door haar overgelegde salarisspecificatie van 12 maart 2013 een onjuist beeld geeft van het door haar genoten inkomen uit arbeid omdat in die specificatie het door haar opgenomen deeltijdverlof/ouderschapsverlof niet goed is verwerkt. Ter onderbouwing van haar stelling heeft zij een werkgeversverklaring d.d. 8 april 2013 overgelegd en verzocht het daarin genoemde inkomen tot uitgangspunt te nemen bij het bepalen van haar draagkracht. Blijkens die verklaring bedraagt haar inkomen € 29.570,31 bruto per jaar. Dit is het bruto jaarsalaris van € 23.943,60, vermeerderd met een vakantietoeslag van € 1.915,44, de vaste jaaruitkering van € 1.484,52 en een vaste vergoeding van € 2.226,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.