GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.096.226 (zaaknummer rechtbank 285538) arrest van de derde kamer van 5 november 2013 in de zaak van 1 [appellant] wonende te [woonplaats], hierna: [appellant],
(2007)bekend was nu de eerstvolgende Tefaf pas in 2008 plaatsvond. Toledo (memorie van grieven, onder 2.7) heeft gesteld dat [appellant] hem ‘op enig moment’ heeft verteld dat hij de Grand tête de Diego voor € 750.000,- op de Tefaf aangeboden had gezien. Verder schrijft [appellant] in zijn brief van 15 mei 2008, waarnaar Toledo in dit verband heeft verwezen, nu juist dat hem eerst na de koop door gesprekken met deskundigen is gebleken dat de prijzen van [getuige 1] “toch wel erg veel lager dan de gangbare prijzen” waren. Maar ook indien de desbetreffende vraagprijs van de ‘Grande Buste’ (zoals [getuige 1] het beeld in zijn verklaring omschrijft) op de Tefaf toen ter sprake is gekomen, is de verklaring van [appellant] dat hij met [getuige 1] voorafgaand aan de koop in diens galerie op internet prijzen van de beelden heeft opgezocht en de door Toledo gevraagde prijzen binnen de spreiding vielen van de toen getoonde prijzen, door Toledo – die heeft afgezien van contra-enquête – niet meer (gemotiveerd) weersproken. Wel heeft Toledo bij conclusie van antwoord producties overgelegd die hogere - en sterk variërende - verkoopprijzen (uit de periode 2005 – 2008 respectievelijk 2002 - 2010) laten zien van het beeld ‘l’age d’airain’ van Rodin en van de ‘grande tête’ van Giacometti, afkomstig van tijdens deze procedure gemaakte internetuitdraaien en bij memorie van antwoord (productie 13) producties van veilingprijzen van alle vier de werken. Daaruit volgt evenwel nog niet dat die informatie ook in 2007 door [appellant] eenvoudig kon worden opgevraagd en hij daarmee ten tijde van de koop bekend was. Dat [appellant] ten tijde van de koop in 2007 een (naar deze onweersproken heeft verklaard: betaald) abonnement op Artnet had – hetgeen [appellant] in zijn verklaring heeft ontkend – of op andere wijze met die prijzen bekend was, is niet (voldoende) gebleken. Bovendien is de verklaring van [appellant] dat [getuige 1] hem had verteld dat de prijsstelling verband hield met de (goedkopere) locatie van zijn galerie te Woerden onweersproken gebleven. Ook indien [appellant] ten tijde van de koop al bronzen van enkele andere kunstenaars uit de onderhavige periode bezat, volgt daaruit nog niet dat bij hem specifieke wetenschap bestond over de gangbare prijzen voor de onderhavige vier beelden. 3.13 Naar het oordeel van het hof is, gelet op het voorgaande, in voldoende mate komen vast te staan dat [getuige 1] tegen [appellant] heeft gezegd althans bij hem de indruk heeft gewekt en versterkt dat het bij de verkochte werken om authentieke bronzen ging en dat hij aan [appellant] onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt om daaraan te twijfelen. Het hof is verder van oordeel dat [getuige 1], mede gelet op zijn kennis van de herkomst van de beelden, moet hebben geweten dat de kans aanzienlijk was dat de beelden niet echt waren. Het hof acht aldus bewezen dat [getuige 1] onvoldoende duidelijk op de werkelijke grootte van het risico van niet-authenticiteit heeft gewezen en gelet op de overige gegeven inlichtingen in de gegeven omstandigheden geen voldoende duidelijk desbetreffend voorbehoud heeft gemaakt. 3.14 Naar het oordeel van het hof heeft (Van) Toledo, gelet op het onder 3.8 tot en met 3.12 overwogene, begrepen, althans had hij moeten begrijpen, dat [appellant] de vier onderhavige beelden niet zou hebben gekocht, althans niet voor dezelfde prijs, indien hij zou hebben geweten dat er een reële kans bestond dat de beelden niet echt van Rodin en Giacometti waren. Dat een harde garantie omtrent de echtheid door Toledo niet werd gegeven en dat [appellant] ook moet hebben begrepen dat die garantie niet viel te geven, omdat geen 100% zekerheid ten aanzien van de echtheid bestond, doet er niet aan af dat Toledo [appellant] ‘uit de droom had moeten helpen” wat betreft de door [appellant] aangenomen mate van zekerheid dat de beelden echt waren. 3.15 Onder deze omstandigheden slaagt het dwalingsberoep van [appellanten] De desbetreffende koopovereenkomsten moeten worden vernietigd en de daaruit voortvloeiende, op onverschuldigde betaling gebaseerde vorderingen tot terugbetaling van de betaalde koopsommen zijn toewijsbaar. De overige (op ontbinding gebaseerde) vorderingen behoeven geen verdere bespreking, nu is gesteld noch gebleken dat [appellant] bij een bespreking van die grondslagen na toewijzing op de dwalingsgrondslag nog enig (zelfstandig) belang heeft en de dwalingsvordering, wat betreft de ingangsdatum van de wettelijke rente, in dit geval ook als de meest verstrekkende vordering heeft te gelden. 3.16 Volgens [appellanten] (memorie van grieven, onder 3.10 en 5.5 – 5.6) hebben zij voor de bronzen de volgende bedragen betaald: € 92.928,- (Figure de femme a mi corps); 21.683,20 (Le Chien); € 40.000,- (l’age d’airain) en € 100.000,- (Grande tête de Diego), in totaal € 254.611,
- Volgens [appellanten] is voor het beeld l’age d’airain € 20.000,- betaald en € 20.000,- verrekend voor de inruil van een brons van [X] en is voor ieder van de overige drie bronzen telkens een deel per bankoverschrijving en een deel contant betaald. Toledo heeft bevestigd dat gedeeltelijk per bankoverschrijving en gedeeltelijk contant is betaald. Volgens Toledo is voor de onderhavige vier beelden betaald: € 60.000,- (Figure de femme a mi corps); 16.000,- (Le Chien); € 20.000 + inruil sculptuur J.P. Mène (l’age d’airain) en € 80.000,- (Grande tête de Diego), derhalve in totaal € 176.000,-. 3.17 [appellanten] hebben van de betaling van de (door hen gestelde) hogere bedragen geen bankafschriften of betaalbewijzen overgelegd, noch daarvan overigens (voldoende specifiek) bewijs aangeboden. Vast staat dat [appellant] bij de aankoop van de beelden korting heeft bedongen en daarmee dat niet de prijzen zijn betaald die zijn vermeld op het in eerste aanleg als productie 4 bij akte overlegging producties overgelegde stuk. De omvang van het door [appellanten] gestelde kortingspercentage, evenals van de volgens hen voor de bronzen betaalde bedragen zijn door Toledo (gemotiveerd) betwist. Tevens heeft Toledo gemotiveerd en stellig betwist dat de genoemde productie 4 een door hem ondertekende kwitantie voor (onder meer) de daarop vermelde werken ‘Le Chien’ en ‘Figure de Femme a mi corps’ betreft. 3.18 Het hof ziet bij gebreke van een desbetreffend voldoende specifiek bewijsaanbod van [appellanten] geen aanleiding voor (nadere) bewijslevering over de omvang van de voor de onderhavige bronzen gedane betalingen. 3.19 Door Toledo is erkend dat betaling van het brons ‘l’age d’airain’ deels heeft plaatsgevonden door inruil van een aan [appellant] toebehorend brons van [X], zij het dat volgens Toledo nadien is gebleken dat dat beeld in werkelijkheid slechts € 3.000,- waard was (conclusie van antwoord onder 27; memorie van antwoord, onder 13.9). Nu dat laatste niet meer (voldoende) gemotiveerd is betwist en is gesteld noch gebleken dat restitutie van dat beeld nog mogelijk is, houdt het hof het ervoor dat voor het brons ‘l’age d’airain’ in totaal € 23.000,- is voldaan. Aldus dient Toledo na vernietiging van de koopovereenkomsten een bedrag van € 179.000,- als onverschuldigd betaald aan [appellant] te voldoen. 3.20 [appellanten] hebben primair de wettelijke rente gevorderd vanaf de data van onverschuldigde betaling. Volgens hen zijn de onderhavige beelden (deels contant) betaald op data gelegen tussen 22 maart 2007 en 3 september
- Toledo heeft de gestelde betaaldata betwist. Omdat (naar ook uit de stellingen van [appellanten] volgt) op enkele van deze data ook voor andere werken is betaald en uit de door [getuige 1] vermelde (niet betwiste) omschrijvingen bij de door [appellant] verrichte overboekingen weinig houvast valt te putten voor de identificatie van de betalingen, zal het hof voor de ingangsdatum van de wettelijke rente uitgaan van 3 september
- Het hof betrekt hierbij dat (kennelijk) ook volgens Toledo (verklaring van [getuige 1] ter comparitie in eerste aanleg) de laatste aankoop en betaling ‘rond september 2007’ plaatsvond. 4Slotsom 4.1 In het principaal hoger beroep slagen de grieven 7 en 8 en behoeven de grieven 1 tot en met 6 geen (verdere) bespreking. De grief in het incidenteel hoger beroep faalt. 4.2 Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Toledo in de kosten van de eerste aanleg en van het principaal en incidenteel hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellanten] zullen worden vastgesteld op: - explootkosten € 73,89 - griffierecht € 4.951,- subtotaal verschotten € 5.024,89 - salaris advocaat € 3.552,50 (2,5 punten x tarief V) Totaal € 8.577,39 De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellanten] zullen worden vastgesteld op: - explootkosten € 86,71 - griffierecht € 1.475,- - getuigentaxen nihil subtotaal verschotten € 1.561,71 - salaris advocaat € 6.580,- (2,5 punten x tarief V) Totaal € 8.141,71 4.3 Als niet weersproken zijn ook de nakosten toewijsbaar. 5De beslissing Het hof, recht doende in principaal en incidenteel hoger beroep: vernietigt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 20 juli 2011 en doet opnieuw recht; vernietigt de tussen partijen voor de beelden ‘Figure de femme a mi corps’, ‘Le Chien’, ‘l’age d’airain’ en ‘Grande tête de Diego’ gesloten koopovereenkomsten; veroordeelt Toledo tot betaling aan [appellanten] van € 179.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2007 tot aan de dag van algehele voldoening; veroordeelt Toledo in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] voor wat betreft de eerste aanleg begroot op € 3.552,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 4.951,- voor griffierecht en voor wat betreft het hoger beroep begroot op € 6.580,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 1.561,71 voor verschotten; veroordeelt Toledo in de nakosten, begroot op € 205,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval Toledo niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden; verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde. Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. van Rossum, B.J. Lenselink en H.M. Wattendorff, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. Lenselink en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 november 2013.