GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Arnhem nummer 12/00214 uitspraakdatum: 5 november 2013 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 23 juli 2012, nummer Awb 12/207, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Almere (hierna: de heffingsambtenaar) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaken [A-straat 1 en 2] te [Q], per waardepeildatum 1 januari 2010 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2011, vastgesteld op € 197.000. Tegelijk met deze beschikking is een aanslag in de onroerendezaakbelasting wegens het genot krachtens eigendom van de onroerende zaken vastgesteld op € 869,16. 1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 23 juli 2012 ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. 1.5. Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2013 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en [A], makelaar/taxateur, alsmede [B] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [C], WOZ-taxateur. 1.7. De heffingsambtenaar heeft een pleitnota overgelegd. 1.8. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. 2De vaststaande feiten 2.1 Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaken [A-straat 1 en 2] te [Q] (hierna: de onroerende zaken). 2.2 De onroerende zaken betreffen twee identieke kantoor-/bedrijfsgebouwen, gelegen op het industrieterrein “[D]” te [Q]. De onroerende zaken zijn elk gelegen op een perceel met een oppervlakte van 282 m². Het bouwjaar is 2000. Het bruto vloeroppervlak van de onroerende zaken is 345 m². 3Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1. In geschil is of de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaken voor de Wet WOZ te hoog heeft vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de heffingsambtenaar beantwoordt deze vraag ontkennend. 3.2. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar en vermindering van de waarde tot € 161.000. 3.4. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4Beoordeling van het geschil 4.1. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ moet de waarde van de onroerende zaak worden bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Naar de bedoeling van de wetgever heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding”. 4.2. Volgens artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ (hierna: de Uitvoeringsregeling) wordt de vorenbedoelde waarde voor niet-woningen bepaald door middel van een methode van kapitalisatie van de bruto huur, door middel van een methode van vergelijking, dan wel door middel van een discounted-cash-flow methode. 4.3. Opgemerkt dient te worden dat deze in de Uitvoeringsregeling neergelegde regels voor de onderbouwing en uitvoering van de waardebepaling weliswaar hulpmiddelen bevatten om te bereiken dat het wettelijke waardebegrip van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt gehanteerd, maar dat de toetssteen uiteindelijk de waarde blijft zoals in dat artikellid omschreven, en dat de waarde ook op andere manieren kan worden bepaald (HR 29 november 2000, nr. 35 797, BNB 2001/52 en HR 11 juni 2004, nr. 39 467, BNB 2004/251). 4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van het object moet worden vastgesteld door middel van de huurwaardekapitalisatiemethode. 4.5. De heffingsambtenaar dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de onroerende zaken bij de bestreden beschikking niet te hoog heeft vastgesteld. Nu de waarde van de onroerende zaken is bepaald middels de huurwaardekapitalisatiemethode, dient de heffingsambtenaar de gehanteerde huurwaarde en kapitalisatiefactor aannemelijk te maken. Hiertoe heeft de heffingsambtenaar een taxatierapport overgelegd, waarin een analyse is gemaakt van de verkopen van de volgende onroerende zaken: Adres Bruto vloer- opper- vlak Huur-waarde Prijs per m2 Bouw- jaar Kapita-lisatie- factor WOZ- waarde/ Verkoop- prijs Verkoop- datum [A-straat 1 en 2] 345 20.965 61 2000 9,5 197.000 [B-straat 1] 216 19.224 89 2000 10,1 195.000 30-9-2010 [A-straat 10] 310 23.809 77 2001 10,5 250.000 23-2-2009 [A-straat 11] 483 39.150 81 2001 10,6 415.000 30-6-2011 [A-straat 12] 144 12.500 87 2000 11 137.500 3-2-2009 4.6. Belanghebbende bestrijdt de door de heffingsambtenaar verdedigde waarden van € 197.000, omdat de heffingsambtenaar bij de waardering onvoldoende rekening heeft gehouden met de verschillen in indeling, ligging, uitstraling, bouwwijze, onderhoudstoestand en bouwkwaliteit. Ook heeft de heffingsambtenaar onvoldoende inzicht gegeven in de totstandkoming van de in het taxatierapport vermelde huurwaarden, vierkante meterprijzen en kapitalisatiefactoren. Voor het vergelijkingspand [B-straat 1] merkt hij voorts op, dat de verkoopprijs hoger is dan gebruikelijk, omdat de eigenaar van een aangrenzend pand deze onroerende zaak heeft gekocht teneinde zijn bedrijf uit te kunnen breiden. 4.7. Het Hof overweegt het volgende. De aangedragen vergelijkingspanden zijn voldoende vergelijkbaar, aangezien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.