GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.108.698/01 (zaaknummer rechtbank Assen 88003/ HA ZA 11-524) arrest van de tweede kamer van 12 november 2013 in de zaak van Stolk Marimecs B.V., gevestigd te Steenwijk, appellante, in eerste aanleg: eiseres, hierna: Stolk, advocaat: mr. G.J. Boven, kantoorhoudend te Leusden, tegen 1 [geïntimeerde 1], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde 1], in eerste aanleg: gedaagde, advocaat: mr. H.T. Meijer, kantoorhoudend te Leeuwarden, 2. [geïntimeerde 2], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde 2], in eerste aanleg: gedaagde, advocaat: mr. L.C. van der Veer, kantoorhoudend te Leusden, 3. [geïntimeerde 3], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde 3], in eerste aanleg: gedaagde, advocaat: mr. H.T. Meijer, kantoorhoudend te Leeuwarden. geïntimeerden worden gezamenlijk genoemd: [geïntimeerden] 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 7 maart 2012 van de rechtbank Assen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 4 juni 2012, - de memorie van grieven, (met producties), - de memorie van antwoord van [geïntimeerde 2], (met producties), - de memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3]. - de pleitnota van het schriftelijk pleidooi van Stolk, - de pleitnotities schriftelijk pleidooi van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3]. 2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2.3 De vordering in hoger beroep van Stolk luidt: "het vonnis van de Rechtbank Assen van 7 maart 2012 te willen vernietigen en opnieuw Rechtdoende de geïntimeerde, des dat de een zal zijn gekweten door hetgeen de ander heeft betaald, alsnog te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 472.133,93 te vermeerderen met de daarover verschuldigde omzet belasting, te verhogen met rente en kosten, alles met veroordeling van de geïntimeerden in de kosten van beide instanties". 2.4 De conclusie van de memorie van antwoord van [geïntimeerde 2] luidt: “het vonnis, zo nodig onder aanvulling, verbetering of wijziging van gronden, in stand te laten of te bekrachtigen met veroordeling van Stolk in de kosten van de procedure in beide instanties.” 2.5 De conclusie van de memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] luidt: “de vordering van appellante af te wijzen met veroordeling van appellante, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van dit hoger beroep, met bepaling dat de proceskosten binnen 14 dagen na het deze te wijzen arrest moet zijn betaald.” 3De feiten 3.1 De volgende feiten zijn tussen partijen niet in geschil. 3.2 Bouw Combinatie Nijeveen B.V. (hierna: BCN) is op 5 september 2001 opgericht door [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3], alle aannemers te Nijeveen. De bedoeling was om gezamenlijk de wat grotere bouwprojecten beter aan te kunnen. Aandeelhouders en bestuurders van BCN zijn [geïntimeerden] 3.3 Stolk heeft op 23 februari 2007 een aannemingsovereenkomst gesloten met BCN voor een nieuw te bouwen woning, kantoor en loods in Steenwijk (hierna: de aannemingsovereenkomst). De totale aanneemsom bedroeg € 803.250,- inclusief btw, te voldoen in termijnen. 3.4 Nadat tussen partijen, Stolk enerzijds en BCN anderzijds, een conflict is ontstaan over de kwaliteit van de door BCN uitgevoerde bouwwerkzaamheden, heeft Stolk bij brief van 10 juni 2008 de buitengerechtelijke ontbinding van de aannemingsovereenkomst ingeroepen. 3.5 Stolk heeft BCN vervolgens gedagvaard voor de rechtbank Assen. Zij vorderde primair een verklaring voor recht dat de aannemingsovereenkomst op 10 juni 2008 was ontbonden, subsidiair dat de aannemingsovereenkomst op grond van artikel 7:756 BW wordt ontbonden, alsmede een veroordeling van BCN tot betaling van schade op te maken bij staat. 3.6 Bij vonnis van 2 september 2009 heeft de rechtbank Assen de primaire vordering van Stolk afgewezen en de subsidiaire vordering strekkende tot ontbinding van de aannemingsovereenkomst toegewezen. Voorts is BCN veroordeeld tot voldoening van de door Stolk geleden schade nader op te maken bij staat. In verband met deze laatste veroordeling overwoog de rechtbank, voor zover van belang (rov. 7.12.): ‘Voorts overweegt de rechtbank dat Stolk op grond van artikel 6:277 BW aanspraak kan maken op vergoeding van de schade die zij lijdt doordat geen wederzijdse nakoming maar ontbinding heeft plaatsgevonden. Daarbij moet de situatie die bij een onberispelijke nakoming zou zijn ontstaan worden vergeleken met die uitgaande van de ontbinding.’ 3.7 Bij arrest van dit hof van 14 december 2010 is het vonnis van de rechtbank Assen van 2 september 2009 bekrachtigd. 3.8 Stolk heeft BCN op 18 december 2009 gedagvaard in de schadestaat procedure. Daarin heeft zij van BCN betaling gevorderd van een bedrag van € 472.113,93 ter zake van ontbindingsschade, vermeerderd met wettelijke rente. Deze procedure is op 12 april 2011 geschorst als gevolg van het op die datum uitgesproken faillissement van BCN. 3.9. Stolk heeft [geïntimeerden] gesommeerd aan haar een bedrag van € 532.541,60 te betalen. 4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 4.1 Stolk vordert dat [geïntimeerden] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 472.133,93 vermeerderd met wettelijke rente, alsmede dat [geïntimeerden] worden veroordeeld in de proceskosten en de nakosten. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd, zakelijk weergegeven, dat [geïntimeerden] als bestuurders van BCN hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door Stolk geleden schade van € 472.133,93 in hoofdsom, op de in de inleidende dagvaarding sub 8 A tot en met F vermelde gronden. 4.2 De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen omdat Stolk geen voor bewijs vatbare feiten heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [geïntimeerden] ten tijde van het aangaan van de aannemingsovereenkomst wisten of redelijkerwijs konden weten dat BCN de aannemingsovereenkomst niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden (rov. 4.7.). De verwijten die Stolk aan BCN kan maken kunnen bovendien op zichzelf niet tot een persoonlijke aansprakelijkheid van [geïntimeerden] leiden (rov. 4.9.), en door Stolk zijn geen bijkomende, voor bewijs vatbare, feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat wat zij aan BCN verwijt ook een persoonlijk, ernstig verwijt met zich brengt ten opzichte van [geïntimeerden] (rov. 4.10.) 5De beoordeling vooraf 5.1 In de conclusie van repliek sub 33 vermeldt Stolk dat zij de complete stukken uit de schadestaatprocedure in het geding brengt, genummerd 1 tot en met 16. In hun inventarislijst hebben [geïntimeerden] opgemerkt dat zij ervoor hebben gekozen ‘deze enorme hoeveelheden papier niet te kopiëren en te fourneren.’ Volgens haar bevatten de betreffende ordners uitsluitend witte kopieën zonder dat de verschillende producties van elkaar gescheiden zijn. Bovendien, zo vermelden [geïntimeerden], wordt in de conclusie van repliek een aantal malen naar deze producties verwezen zonder dat aangegeven wordt welke onderdelen van de producties relevant zijn en waarop Stolk zich nu precies beroept in het kader van deze procedure. Nu ook Stolk zelf deze stukken niet aan het hof heeft overgelegd, gaat het hof in het navolgende ervan uit dat deze stukken geen deel uitmaken van het procesdossier. inhoudelijk 5.2 Het gaat in deze zaak om het volgende. Stolk en BCN hebben op 23 februari 2007 een aannemingsovereenkomst gesloten voor de bouw van een woning, kantoor en loods in Steenwijk voor een bedrag van € 803.250,- inclusief btw. In november 2007 is, nadat Stolk kenbaar had gemaakt de betaling van drie openstaande termijnen van ieder € 70.000,- op te schorten, een conflict ontstaan over de kwaliteit van het door BCN geleverde werk. Het geschil is in kort geding voorgelegd aan de Raad van Arbitrage voor de Bouw, die op 22 februari 2008 heeft beslist dat Stolk een bedrag van € 54.112,50 aan BCN moest betalen en dat BCN de bouw binnen twee weken na dagtekening van het vonnis diende te hervatten en het werk op een zo kort mogelijke termijn en overeenkomstig de eisen van goed en deugdelijk werk diende op te leveren. Naar aanleiding van het arbitraal vonnis is tussen partijen nader overleg gevoerd, waarbij Stolk zich heeft laten vertegenwoordigen door [A] van [Bouwmanagement B.V.]. Partijen hebben afspraken gemaakt, onder meer over een inventarisatie en een plan van aanpak. Die inventarisatie heeft plaatsgevonden en het daarvan door [Bouwmanagement B.V.] opgestelde rapport is vervolgens ter ondertekening naar BCN gestuurd. Nadat BCN heeft aangegeven dat zij het met een groot aantal punten uit het rapport van [Bouwmanagement B.V.] eens was, maar met een aantal punten niet, heeft Stolk de aannemingsovereenkomst op 10 juni 2008 buitengerechtelijk ontbonden. Nadat Stolk BCN had gedagvaard, heeft de rechtbank bij vonnis van 2 september 2009 de subsidiaire vordering van Stolk tot ontbinding van de aannemingsovereenkomst toegewezen op grond van het oordeel dat waarschijnlijk moet worden geacht dat BCN niet in staat is het werk binnen een redelijke termijn naar goed vakmanschap uit te voeren en op te leveren, en voorts BCN veroordeeld tot vergoeding van de als gevolg van de ontbinding geleden schade op te maken bij staat. Dat vonnis is bij arrest van dit hof van 14 december 2010 bekrachtigd. Stolk heeft de ontbindingsschade begroot op € 472.113,93 in hoofdsom welk bedrag zij in de schadestaatprocedure van BCN heeft gevorderd. Als gevolg van het op 12 april 2011 uitgesproken faillissement van BCN is deze procedure geschorst. Thans vordert Stolk dat [geïntimeerden] als bestuurders van BCN hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling aan haar van dat bedrag vermeerderd met rente en kosten. 5.3 Evenals de rechtbank (in rov. 4.2 van het bestreden vonnis) gaat ook het hof er hierna veronderstellenderwijs van uit dat Stolk een opeisbare vordering heeft op BCN ter zake van vergoeding van ontbindingsschade, en dat Stolk als gevolg van het onbetaald en onverhaalbaar blijven van deze vordering wordt benadeeld. De grieven stellen in hoger beroep de vraag aan de orde of [geïntimeerden] als bestuurders persoonlijk aansprakelijk zijn voor deze door Stolk als gevolg van de ontbinding van de met BCN gesloten aannemingsovereenkomst geleden schade. Tussen partijen is niet in geschil dat daarbij het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2006, ECLI: NL:HR:2006: AZ0758, NJ 2006, 659 (Ontvanger/Roelofsen) tot uitgangspunt moet worden genomen, zoals ook de rechtbank heeft gedaan. Ook het hof gaat daarvan uit. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. 5.4 Uit deze rechtspraak volgt dat ter zake van de hiervoor genoemde benadeling van Stolk naast aansprakelijkheid van BCN mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond kan zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.