← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2013:8810

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000879-11 Uitspraak d.d.: 22 november 2013 TEGENSPRAAK Promis Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Almelo van 18 februari 2011 met parketnummer 08-963019-07 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1974], zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. Het hoger beroep De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 3 oktober 2011, 1 november 2011, 21 juni 2012, 22 juni 2012, 12 juli 2012, 12 september 2012, 20 december 2012, 5 april 2013, 20 september 2013, 8 oktober 2013, 10 oktober 2013 en 22 november 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal kort en zakelijk weergegeven inhoudende dat verdachte terzake de feiten 1 (voor zover dat betrekking heeft op [slachtoffer 1]) en 5 zal worden vrijgesproken en terzake de feiten 1 (voor zover dat betrekking heeft op [slachtoffer 2]), 4, 6 en 7 zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 jaar. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman mr. M.P.M. Balemans, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht kort en zakelijk weergegeven inhoudende: primair dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep ten aanzien van feit 1 (voor zover dat betrekking heeft op [slachtoffer 1]) en ten aanzien van feit 5, subsidiair dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging en meer subsidiair dat verdachte terzake feit 1 (voor zover nog aan de orde), 4, 5, 6 en 7 zal worden vrijgesproken. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Voor zover verdachte hoger beroep heeft ingesteld tegen de vrijspraak voor de onder 1 (voor zover het de mensenhandel van [slachtoffer 3], [slachtoffer 1], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] betreft), 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten, zal de verdachte in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Daarbij komt dat het hof met zijn beslissing van 1 november 2011 het openbaar ministerie terzake feit 1 (voor zover dat betrekking heeft op [slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 3]), 2 en 3 reeds niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep. Op grond van het voorstaande zijn in hoger beroep dus nog de volgende feiten aan de orde: - feit 1: (medeplegen van/medeplichtigheid aan) mensenhandel met betrekking tot [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in verschillende varianten - feit 4: (poging tot) moord/doodslag/(zware) mishandeling van [slachtoffer 6] en een persoon noemende [slachtoffer 7] - feit 5: poging tot afpersing/bedreiging van [slachtoffer 7] - feit 6 en 7: telkens deelname aan een criminele organisatie Ten aanzien van feit 1 (voor zover dat betrekking heeft op [slachtoffer 1]) en ten aanzien van feit 5 heeft de raadsman primair gepleit tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep. De raadsman heeft dat standpunt slechts onderbouwd met een verwijzing naar ’s hofs beslissing tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep van 1 november 2011 ter zake andere feiten. Die beslissing zag echter op situaties waarin het openbaar ministerie bij aanvang van het hoger beroep te kennen gaf geen bezwaar te hebben tegen de in het vonnis in eerste aanleg gegeven vrijspraken en ook overigens geen concrete aanwijzingen had dat nader onderzoek materiaal zou opleveren dat het openbaar ministerie van mening zou doen veranderen. Daarvan was ten aanzien van feit 1 voor zover dat betrekking heeft op [slachtoffer 1] en ten aanzien van feit 5 geen sprake nu in dat verband is getracht [slachtoffer 7] en [slachtoffer 1] als getuigen te horen op verzoek van zowel de raadsman als het openbaar ministerie. Het hof heeft op grond daarvan het openbaar ministerie ten aanzien van die feiten ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. De raadsman heeft op dat moment ook niet verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaringen in het hoger beroep. Nu voorts het onderzoek in deze zaak zich tevens op die feiten heeft gericht, is voor een beslissing zoals door de raadsman is verzocht naar het oordeel van het hof geen ruimte. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen, omdat het tot een andere beslissing komt terzake het onder 4 ten laste gelegd feit. Daarbij zij opgemerkt dat het hof terzake de feiten 1, 5, 6 en 7, alsmede de strafoplegging grotendeels tot dezelfde beslissingen komt als de rechtbank en zoals hierna weergegeven de overwegingen van de rechtbank terzake die feiten grotendeels tot de zijne maakt. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Door de raadsman is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard in de strafvervolging van verdachte. Het hof kan zich op dit punt verenigen met de wijze waarop de rechtbank het verweer van de raadsman heeft weergegeven en de wijze waarop de rechtbank dat verweer heeft verworpen. Voor zover de overwegingen van de rechtbank in bijlage 1 zijn opgenomen maakt het hof die tot de zijne. Het hof overweegt in aanvulling daarop als volgt. 1. In hoger beroep heeft de raadsman ter illustratie van het achterhouden van relevante processtukken nog naar voren gebracht dat in hoger beroep door het openbaar ministerie niet tot voeging is overgegaan van: (

  1. a)een proces-verbaal van een in verband met de zaak Sneep 1,5 in Turkije plaatsgevonden verhoor van [slachtoffer 7] en (
  2. b)de arresten in de zaak Sneep 1,5. Het hof stelt in dat verband voorop dat de arresten in Sneep 1,5 openbare en ook door de raadsman te raadplegen rechtsbronnen betreffen. Procespartijen kunnen het hof daar op wijzen net zoals op andere rechtsbronnen en reeds op grond daarvan kan het niet voegen van de Sneep 1,5 arresten niet dienen ter illustratie van het achterhouden van relevante processtukken door het openbaar ministerie. Ten aanzien van het niet gevoegde proces-verbaal van het Turkse getuigenverhoor stelt het hof voorop dat het openbaar ministerie de nodige vrijheid toekomt bij het samenstellen van het procesdossier en dat die vrijheid haar beperking vindt in beginselen van behoorlijke procesorde waaruit onder meer voortvloeit dat het openbaar ministerie in ieder geval die stukken in het strafdossier dient te voegen die van belang kunnen zijn voor enig te nemen beslissing in de zaak waarop dat strafdossier betrekking heeft. Ten aanzien van het proces-verbaal, dat de raadsman heeft gehecht aan zijn pleitnota, stelt het hof vast dat de inhoud daarvan niet een dergelijk belang heeft. De verklaring van [slachtoffer 7] zoals dat in dat proces-verbaal is opgenomen komt er namelijk op neer dat hij niet betrokken is geweest bij het feit dat verdachte onder 4 ten laste is gelegd. Op grond daarvan kan van de keus van het openbaar ministerie om niet tot voeging over te gaan niet gezegd worden dat daarmee in strijd is gehandeld met beginselen van behoorlijke procesorde. Bij die stand van zaken kan voeging van het proces-verbaal zoals de raadsman heeft verzocht dan ook achterwege blijven. 2. Het hof begrijpt de overwegingen van de rechtbank naar aanleiding van het gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer aldus dat de aangevoerde gronden afzonderlijk noch in onderlinge samenhang bezien niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kunnen leiden. Die beslissing acht het hof als gezegd juist en op goede gronden genomen. De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en zoals deze tenlastelegging ter zake deze feiten in eerste aanleg is gewijzigd, dat: 1. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met 01 september 2007 te Utrecht en/of te [plaats], gemeente De Ronde Venen en/of te Amsterdam en/of te Alkmaar en/of te Haarlem en/of te Diemen en/of te Amstelveen en/of te Assendelft en/of te Den Haag en/of Eindhoven en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland en/of Turkije, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, - [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  3. en)en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  4. en)en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] heeft, heeft/hebben geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van (seksuele) uitbuiting van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1]; en/of - [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  5. en)en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  6. en)en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] heeft, heeft/hebben gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel onder genoemde omstandighe(i)d(
  7. en)enige handeling(
  8. en)heeft/hebben ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(
  9. s)wist(
  10. en)of redelijkerwijs moest(
  11. en)vermoeden dat die die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou / zouden stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten (van seksuele aard); en/of - (telkens) opzettelijk voordeel heeft/hebben getrokken uit de (seksuele) uitbuiting van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1]; en/of - [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  12. en)en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  13. en)en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] heeft, heeft/hebben gedwongen dan wel bewogen hem/hen, verdachte en/of zijn mededader(
  14. s)te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handeling(
  15. en)van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1], met of voor (een) derde(n); terwijl dat feit / die feiten zwaar lichamelijk letsel tengevolge heeft /hebben gehad; immers zijnde/hebbende verdachte en/of verdachtes mededader(
  16. s)(telkens) - met voornoemde [slachtoffer 2] een (liefdes)relatie aangegaan en/of onderhouden en/of die [slachtoffer 2] (emotioneel) van hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), waaronder [medeverdachte 1], afhankelijk gemaakt en/of - die [slachtoffer 2] in een (recreatie)woning ondergebracht en/of laten onderbrengen, althans voor die [slachtoffer 2] woonruimte/onderdak geregeld en/of laten regelen en/of - voor die [slachtoffer 2] (een) werkplek(ken) geregeld en/of laten regelen waar zij als prostituee kon werken en/of die [slachtoffer 2] naar haar werkplek(ken) gebracht en/of laten brengen en/of van haar werkplek(ken) opgehaald en/of laten ophalen en/of - die [slachtoffer 2] als prostituee laten werken en/of toegezien of laten toezien op (een minimum aan) (
  17. de)werktijd(
  18. en)(en daarmede (aan) (
  19. de)inkomsten) van die [slachtoffer 2] als prostituee en/of die [slachtoffer 2] (verder) in de gaten gehouden en/of in de gaten laten houden en/of - die [slachtoffer 2] gedwongen en/of laten dwingen, althans bewogen en/of laten bewegen, om vele uren achter elkaar en/of bij ongesteldheid en/of bij ziekte te werken in de prostitutie en/of - die [slachtoffer 2] (het) door haar met/in de prostitutie verdiende geld geheel of gedeeltelijk aan hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s),waaronder [medeverdachte 1], doen afstaan en/of die [slachtoffer 2] (aldus) in een (verder) van hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), waaronder [medeverdachte 1], afhankelijke positie gehouden en/of - (beschermings) gelden geïnd en/ laten innen bij/van die [slachtoffer 2] en/of - die [slachtoffer 2] laten betalen voor bescherming door verdachte en/of zijn medeverdachte(
  20. n)en/of - die [slachtoffer 2] de huur van de (gezamenlijke) woonruimte laten betalen en/of - die [slachtoffer 2] geslagen en/of laten slaan en/of onder druk gezet en/of onderdruk laten zetten en/of - die [slachtoffer 2] met een riem geslagen en/of met een riem laten slaan en/of - die [slachtoffer 2] mishandeld en/of laten mishandelen en/of gebruikmakend van een mes en/of een (honkbal) knuppel, althans haar mishandeld en/of laten mishandelen en/of - die [slachtoffer 2] van vastgebonden en/of laten vastbinden met een (electriciteits)draad en haar vervolgens mishandeld en/of laten mishandelen en/of - die [slachtoffer 2] bedreigd en/of laten bedreigen met een (keuken)mes en/of - de tante van die [slachtoffer 2] bedreigd en/of laten bedreigen dood te maken en/of de tante van die [slachtoffer 2] gedreigd en/of laten bedreigen iets aan te doen en/of - de hond van die [slachtoffer 2] mishandeld en/of laten mishandelen en/of met een mes gestoken en/of met een mes laten steken en/of tegen de muur gegooid en/of laten gooien, teneinde die [slachtoffer 2] te dwingen / onder drukte zetten in de prostitutie te blijven werken en/of - gedreigd de hond van die [slachtoffer 2] te mishandelen en/of te laten mishandelen en/of - die [slachtoffer 2] verkracht en/of laten verkrachten met behulp van een fles(
  21. je)en/of - die [slachtoffer 2] tegen haar wil (met een fles(je)) vaginaal gepenetreerd en/of laten penetreren en/of - die [slachtoffer 2] gedwongen en/of laten dwingen, althans bewogen en/of laten bewegen, tegen haar wil seksuele handelingen met hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), waaronder [medeverdachte 1], te verrichten en/of - die [slachtoffer 2] gedreigd dood te maken en/of dood te laten maken en/of - die [slachtoffer 2] gedwongen en/of laten dwingen, althans bewogen en/of laten bewegen, een abortus te ondergaan (teneinde het prostitutiewerk te kunnen (blijven) vervullen en/of - die [slachtoffer 2] gedwongen en/of laten dwingen, althans bewogen en/of laten bewegen, om vele uren achter elkaar en/of bij ongesteldheid en/of bij ziekte te werken in de prostitutie en/of - die [slachtoffer 2] gedwongen en/of laten dwingen te blowen en/of te snuiven en/of alcohol te drinken ("zuipen"), tot ze er bij neer zou vallen en/of misselijk zou worden en/of - die [slachtoffer 2] gezegd en/of laten zeggen dat zij 240.000 Euro moest betalen, althans een (fors) geldbedrag, aan hem verdachte en/of aan verdachtes mededader(s), waaronder [medeverdachte 1], om van hem/hen af te zijn en/of - die [slachtoffer 2] (voortdurend) gecontroleerd en/of (voortdurend) laten controleren en/of - bepaald wanneer die [slachtoffer 2] mocht stoppen met werken en/of - bepaald wat die [slachtoffer 2] moest doen en/of wanneer en/of hoe lang zij moest werken en/of waar zij naar toe mocht gaan (waardoor zij geen keuzevrijheid had) en/of - de keuzevrijheid van die [slachtoffer 2] beperkt en/of ontnomen om tijdens het werk en/of buiten het werk te gaan en staan en/of om om te gaan met anderen dan verdachte en/of zijn medeverdachten, waaronder [medeverdachte 1], althans het moeten afleggen van verantwoording over het gaan en staan en/of omgang met andere mensen tijdens het werk en/of buiten het werk om en/of - angst ingeboezemd bij die [slachtoffer 2] (waardoor zij geen / niet eerder hulp zocht en/of aangifte deed) en/of - angst ingeboezemd bij die [slachtoffer 2] voor repressie en/of repercussie jegens haar en/of haar familie en/of vrienden en/of dierbare huisdieren en/of - die [slachtoffer 2] onder druk gezet en/of in een afhankelijksheidsrelatie gebracht waardoor zij zich niet kon onttrekken aan de (groeps)dwang en/of (groeps) intimidatie, door verdachte en/of zijn medeverdachte(n), waaronder [medeverdachte 1], waardoor een dermate dreigende sfeer ontstond, waaraan zij geen weerstand kon bieden en/of - instructies gegeven en/of laten geven aan die [slachtoffer 2], teneinde de prostitutie-werkzaamheden en de inkomsten van die [slachtoffer 2] te controleren; en/of - met voornoemde [slachtoffer 1] een (liefdes)relatie aangegaan en/of onderhouden en/of die [slachtoffer 1] (emotioneel) van hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), waaronder [medeverdachte 1], afhankelijk gemaakt en/of - die [slachtoffer 1] in een (recreatie)woning ondergebracht en/of laten onderbrengen, althans voor die [slachtoffer 1] woonruimte en/of onderdak geregeld en/of laten regelen, en/of - voor die [slachtoffer 1] (een) werkplek(ken) geregeld en/of laten regelen waar zij als prostituee kon werken en/of die [slachtoffer 1] naar haar werkplek(ken)gebracht en/of laten brengen en/of van haar werkplek(ken) opgehaald en/of laten ophalen en/of - die [slachtoffer 1] als prostituee laten werken en/of toegezien en/ of laten toezien op (een minimum aan) (
  22. de)werktijd(
  23. en)(en daarmede (aan) (
  24. de)inkomsten) van die [slachtoffer 1] als prostituee en/of die [slachtoffer 1] (verder) inde gaten gehouden en/of in de gaten laten houden en/of - die [slachtoffer 1] (voortdurend) gecontroleerd en/of laten controleren en/of - die [slachtoffer 1] (het) door haar met/in de prostitutie verdiende geld geheel of gedeeltelijk aan hem/hen, verdachte en/of verdachtes mededader(s),waaronder [medeverdachte 1], doen afstaan en/of die [slachtoffer 1] (aldus) in een (verder)van hem/hen, verdachte en/of verdachtes mededader(s), waaronder [medeverdachte 1], afhankelijke positie gehouden en/of - (beschermings)gelden geïnd en/ laten innen bij/van die [slachtoffer 1] en/of - die [slachtoffer 1] laten betalen voor bescherming door verdachte en/of zijn medeverdachte(n), waaronder [medeverdachte 1] en/of - die [slachtoffer 1] geslagen en/of laten slaan en/of onder druk gezet en/of onderdruk laten zetten en/of - die [slachtoffer 1] mishandeld en/of laten mishandelen en/of - [slachtoffer 7] en/of een ander of anderen laten weten / gezegd dat hij verdacht een/of verdachtes mededader(s), waaronder [medeverdachte 1], 30.000 Euro, althans een geldbedrag te goed had(den), omdat die [slachtoffer 1] was overgegaan van verdachte en/of verdachtes mededader(s), waaronder [medeverdachte 1], naar die [slachtoffer 7] en/of een ander of anderen en/of omdat die [slachtoffer 1] was "afgepakt" door die [slachtoffer 7] van verdachte en/of verdachtes mededader(s), waaronder [medeverdachte 1] en/of - [slachtoffer 7] en/of een ander of anderen bedreigd met de woorden "Jij of ik sterft" (omdat verdachte en/of verdachtes mededader(s), waaronder [medeverdachte 1], wilde(
  25. n)dat [slachtoffer 7] en/of een ander of anderen 30.000 Euro, althans een geld bedrag zou(den) betalen voor de overgang van die [slachtoffer 1] van verdacht een/of verdachtes mededader(s), waaronder [medeverdachte 1], naar die [slachtoffer 7] en/of een ander of anderen) en/of - bepaald wat die [slachtoffer 1] moest doen en/of wanneer en/of hoe lang zij moest werken en/of waar zij naar toe mocht gaan (waardoor zij geen keuzevrijheid had) en/of - de keuzevrijheid van die [slachtoffer 1] beperkt en/of ontnomen om tijdens het werk en/of buiten het werk te gaan en staan en/of om om te gaan met anderen dan verdachte en/of zijn medeverdachten, waaronder [medeverdachte 1], althans het moeten afleggen van verantwoording over het gaan en staan en/of omgang met andere mensen tijdens het werk en/of buiten het werk om en/of - bij die [slachtoffer 1] angst ingeboezemd (waardoor zij geen/niet eerder hulp zocht en/of aangifte deed) en/of - angst ingeboezemd bij die [slachtoffer 1] voor repressie en/of repercussie jegens haar en/of haar familie en/of vrienden en/of dierbare huisdieren en/of - die [slachtoffer 1] onder druk gezet en/of in een afhankelijksheidsrelatie gebracht waardoor zij zich niet kon onttrekken aan de (groeps)dwang en/of (groeps) intimidatie, door verdachte en/of zijn medeverdachte(n), waaronder [medeverdachte 1], waardoor een dermate dreigende sfeer ontstond, waaraan zij geen weerstand kon bieden en/of - instructies gegeven en/of laten geven aan die [slachtoffer 1], teneinde de prostitutie-werkzaamheden en de inkomsten van die [slachtoffer 1] te controleren; 4a. hij op of omstreeks 11 mei 2006 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer 6] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging meteen ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes en/of puntig (scherp) voorwerp in het lichaam van die [slachtoffer 6] heeft gestoken en/of stekende bewegingen in de richting van het lichaam heeft gemaakt en/of (met kracht) tegen het lichaam en/of hoofd van die [slachtoffer 6] heeft geslagen en/of geschopt, zijnde de verdere uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid; subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, hij op of omstreeks 11 mei 2006 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 6] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met een mes en/of puntig (scherp) voorwerp in het lichaam van die [slachtoffer 6] heeft gestoken en/of stekende bewegingen in de richting van het lichaam heeftgemaakt en/of (met kracht) tegen het lichaam en van die [slachtoffer 6] heeft geslagen en/of geschopt,zijnde de verdere uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid; meer subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden hij op of omstreeks 11 mei 2006 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 6], opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk (zwaar) lichamelijk letsel heeft toegebracht, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging meteen ander of anderen, althans alleen, na kalm beraad en rustig overleg opzettelijk, althans opzettelijk, met een mes en/of puntig (scherp) voorwerp in het lichaam van die [slachtoffer 6] gestoken en/of met kracht tegen het lichaam van die [slachtoffer 6] geschopt en/of geslagen, tengevolge waarvan die [slachtoffer 6] een steekwond in de buik heeft bekomen en/of letsel aan (een van) zijn nier(
  26. en)en/of internletsel heeft bekomen, althans (zwaar) lichamelijk letsel opliep; meest subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden verdachte op of omstreeks 11 mei 2006 te Amsterdam in de gemeente Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 6], opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, na kalm beraad en rustig overleg opzettelijk, althans opzettelijk, met een mes en/of puntig (scherp) voorwerp in het lichaam van die [slachtoffer 6] gestoken en/of met kracht tegen het lichaam van die [slachtoffer 6] geschopt en/of geslagen, tengevolge waarvan die [slachtoffer 6] een steekwond in zijn buik heeft bekomen en/of letsel aan (een van) zijn nier(
  27. en)en/of intern letsel heeft bekomen, zijnde de verdere uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid. b. hij op of omstreeks 11 mei 2006 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon zich noemende [slachtoffer 7], werkelijk genaamd [slachtoffer 7], althans een NN-man, van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes en/of puntig (scherp) voorwerp in het lichaam van die persoon, zich noemende [slachtoffer 7], werkelijk genaamd [slachtoffer 7], althans een NN-man, heeft gestoken en/of stekende bewegingen in de richting van het lichaam heeft gemaakt en/of (met kracht) tegen het lichaam en/of hoofd van die persoon zich noemende [slachtoffer 7], werkelijk genaamd [slachtoffer 7], althans een NN-man, heeft geslagen en/of geschopt, zijnde de verdere uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid; subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, hij op of omstreeks 11 mei 2006 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk een persoon zich noemende [slachtoffer 7],werkelijk genaamd [slachtoffer 7], althans een NN-man, van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met een mes en/of puntig (scherp) voorwerp in het lichaam van die persoon zich noemende [slachtoffer 7], werkelijk genaamd [slachtoffer 7], althans een NN-man, heeft gestoken en/of stekende bewegingen in de richting van het lichaam heeft gemaakt en/of (met kracht) tegen het lichaam en van die persoon zich noemende [slachtoffer 7], werkelijk genaamd [slachtoffer 7], althans een NN-man, heeft geslagen en/of geschopt, zijnde de verdere uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid; meer subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden hij op of omstreeks 11 mei 2006 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon zich noemende [slachtoffer 7], werkelijk genaamd [slachtoffer 7], althans een NN-man, opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk (zwaar) lichamelijk letsel heeft toegebracht, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, na kalm beraad en rustig overleg opzettelijk,althans opzettelijk, met een mes en/of puntig (scherp) voorwerp in het lichaam van die persoon zich noemende [slachtoffer 7], werkelijk genaamd [slachtoffer 7], althans een NN-man, gestoken en/of met kracht tegen het lichaam van die persoon zich noemende [slachtoffer 7], werkelijk genaamd [slachtoffer 7], althans een NN-man, geschopt en/of geslagen, tengevolge waarvan die persoon zich noemende [slachtoffer 7], werkelijk genaamd [slachtoffer 7], althans een NN-man, een(steek)wond in de (rechter) elleboog) en/of een of meer (open) wond(
  28. en)op het hoofd en/of letsel aan zijn rug heeft bekomen, althans (zwaar) lichamelijk letsel opliep; meest subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden verdachte op of omstreeks 11 mei 2006 te Amsterdam in de gemeente Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan een persoon zich noemend [slachtoffer 7], werkelijk genaamd [slachtoffer 7], althans een NN-man, opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, na kalm beraad en rustig overleg opzettelijk, althans opzettelijk, met een mes en/of puntig (scherp) voorwerp in het lichaam van een persoon zich noemend [slachtoffer 7], werkelijk genaamd [slachtoffer 7], althans een NN-man, gestoken en/of met kracht tegen het lichaam van een persoon zich noemende [slachtoffer 7], werkelijk genaamd [slachtoffer 7], althans een NN-man, geschopt en/of geslagen, tengevolge waarvan een persoon zich noemende [slachtoffer 7], werkelijk genaamd [slachtoffer 7], althans een NN-man, een (steek)wond in de (rechter) elleboog) en/of een of meer (open)wond(
  29. en)op het hoofd en/of letsel aan zijn rug heeft bekomen, zijnde de verdere uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid. 5. hij in of omstreeks de periode 01 oktober 2005 t/m 01 maart 2006 te Amsterdam en/of te Eindhoven en/of (elders) in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
  30. en)wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 7] te dwingen tot de afgifte van 30.000 Euro, althans een (fors) geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), immers heeft / hebben verdachte en/of zijn mededader(
  31. s)die [slachtoffer 7] te verstaan gegeven dat verdachte en/of zijn mededader(
  32. s)30.000 Euro, althans een (fors) geldbedrag van hem, [slachtoffer 7], tegoed had(den) (voor de overgang en/of het "afpakken" van [slachtoffer 1] van verdachte en/of zijn mededader(
  33. s)naar die [slachtoffer 7]), en/of tegen die [slachtoffer 7] dwingend en/of dreigend heeft/hebben gezegd bij hem aan de deur te gaan en/of die [slachtoffer 7] dwingend /dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Jij of ik sterft", althans woorden van gelijke dwingende / dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, hij in of omstreeks de periode 01 oktober 2005 tot en met 01 maart 2006 te Amsterdam en/of te Eindhoven en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft / hebben verdachte en/of zijn mededader(
  34. s)die [slachtoffer 7] te verstaan gegeven dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s), 30.000Euro, althans een (fors) geldbedrag van hem, [slachtoffer 7], tegoedhad(den) (voor de overgang en/of het "afpakken" van [slachtoffer 1] van verdachte en/of zijn mededader(
  35. s)naar die [slachtoffer 7]), en/of tegen die [slachtoffer 7] dwingend en/of dreigend heeft/hebben gezegd bij hem aan de deur te gaan en/of die [slachtoffer 7] dwingend / dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Jij of ik sterft", althans woorden van gelijke dwingende / dreigende aard of strekking. 6. hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 30 april 2006 in de gemeente Utrecht en/of Amsterdam en/of Alkmaar en/of (elders) in Nederlanden/of Duitsland en/of België en/of Turkije, heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit verdachte [verdachte] en/of een of meer van de volgende personen [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of [medeverdachte 1] en/of een of meer anderen (de organisatie "[organisatie 1]"), - welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (telkens) plegen van mensenhandel, als bedoeld in artikel 250a Wetboek van Strafrecht (oud) en/of 273a Wetboek van Strafrecht (oud) en/of 273 f van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die mensenhandel onder andere bestond uit het seksueel uitbuiten van vrouwen (prostituees); - (zware) mishandeling, als bedoeld in artikel 300 en/of 302 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die zware mishandeling onder ander bestond uit het slaan en/of stompen en/of schoppen van (meerdere) personen (prostituees en/of klanten van prostituees en/of pooiers) en het laten uitvoeren van borstvergrotingen en/of laten aanbrengen van tatoeages; - handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie (onder andere het voorhanden hebben van steek- en/of steek- en/of steek- en/of vuurwapens); - bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht/bedreiging met zware mishandeling als bedoeld in artikel 285 Wetboek van Strafrecht (onder andere het bedreigen van prostituees en/of klanten van prostituees); - afpersing als bedoeld in artikel 317 Wetboek van Strafrecht (onder andere het afhandig maken van geld van prostituees). 7. hij in of omstreeks de periode van 01 mei 2006 tot en met 01 september 2007 in de gemeente Utrecht en/of Amsterdam en/of Alkmaar en/of (elders) in Nederlanden/of Duitsland en/of België en/of Turkije, heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit verdachte [medeverdachte 1] en/of [betrokkene 6] en/of [betrokkene 7] en/of een of meer anderen (de organisatie "[organisatie 2]"), - welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (telkens) plegen van mensenhandel, als bedoeld in artikel 250a Wetboek van Strafrecht(oud) en/of 273a Wetboek van Strafrecht (oud) en/of 273 f van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die mensenhandel onder andere bestond uit het seksueel uitbuiten van vrouwen (prostituees); - (zware) mishandeling, als bedoeld in artikel 300 en/of 302 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die zware mishandeling onder ander bestond uit het slaan en/of stompen en/of schoppen van (meerdere) personen (prostituees en/of klanten van prostituees en/of pooiers) en het laten uitvoeren van borstvergrotingen en/of laten aanbrengen van tatoeages; - handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie (onder andere het voorhanden hebben van steek- en/of steek- en/of steek- en/of vuurwapens); - bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht/bedreiging met zware mishandeling als bedoeld in artikel 285 Wetboek van Strafrecht (onder andere het bedreigen van prostituees en/of klanten van prostituees); - afpersing als bedoeld in artikel 317 Wetboek van Strafrecht (onder andere het afhandig maken van geld van prostituees). Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 ([slachtoffer 2]) Anders dan de raadsman acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van mensenhandel voor zover dat is toegesneden op artikel 273a (oud)/273f eerste lid aanhef, sub 1, 4, 6 en 9 Sr. Het hof verenigt zich ten aanzien van feit 1 voor zover dat betrekking heeft op [slachtoffer 2] met de bewijsoverwegingen van de rechtbank en de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen en maakt die overwegingen en de bewijsconstructie voor zover die in bijlage 2 zijn overgenomen tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het hof dat de verklaring van [slachtoffer 2] ook op andere dan de door de rechtbank genoemde punten steun vindt in de gebezigde bewijsmiddelen. In het bijzonder de gebezigde telefoontaps en sms-berichten bevestigen het jegens haar gepleegde geweld, de angst die ze heeft, de controle die op haar is uitgeoefend en de door haar ervaren dwang tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden, zelfs in het geval waarin ze zich ziek voelt na de pas ondergane abortus. Hetzelfde geldt voor het bewijs aangaande de mishandelingen en verkrachting op 1 mei 2006: daar vindt haar verklaring bevestiging in de bevindingen van de verbalisant met betrekking tot haar letsel en het onderzoek in haar huis. Vrijspraak ten aanzien van feit 1 ([slachtoffer 1]) Evenals het openbaar ministerie, de raadsman en de rechtbank acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (een van) de tenlastegelegde varianten van mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 1]. Verdachte zal van dat feit worden vrijgesproken. Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 4 (Steekpartij Amsterdam) De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van dit feit omdat volgens de rechtbank onvoldoende vaststaat dat verdachte bij de steekpartij betrokken is geweest. In hoger beroep heeft het openbaar ministerie zich op het standpunt gesteld dat wel degelijk de betrokkenheid van verdachte kan worden aangetoond en dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich tweemaal heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot moord. De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit omdat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest de getuige die zich aanvankelijk [slachtoffer 7] noemde, noch de getuige [slachtoffer 6] te kunnen ondervragen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om het onderzoek te heropenen en hen als getuigen op te roepen. De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat, indien het hof de betrokkenheid van verdachte bewezen acht, onvoldoende bewijs aanwezig is voor het medeplegen van een poging tot moord cq. doodslag gezien het ontbreken van iedere wetenschap van de aanwezigheid van wapens en het feit dat cliënt daar evenmin van uit moest en kon gaan. Het hof overweegt als volgt (de nummers in onderstaande bewijsoverwegingen verwijzen naar de bewijsmiddelen in bijlage 3 na dit arrest). Op 11 mei 2006 komen vijf mannen een bel-/internetwinkel aan de [adres] te Amsterdam binnen. Twee in de winkel werkzame personen verklaren dat deze mannen direct richting een computer lopen achter in de zaak waar twee mannen plaats hadden genomen en daar op die twee mannen in beginnen te slaan. Volgens de beide getuigen worden de twee mannen door de vijf mannen geslagen gestompt(1a en 1b). [slachtoffer 6] verklaart op 12 mei 2006 (een dag na het voorval) dat hij samen met [slachtoffer 7] aan het internetten was in een belwinkel aan de [adres] in Amsterdam. Opeens kwamen vijf mannen binnen. Deze liepen direct op [slachtoffer 7] af en begonnen [slachtoffer 7] te slaan.

(2). Het andere slachtoffer geeft bij de politie op te zijn [slachtoffer 7]. Hij zegt op 11 mei 2006 (twee uur na het voorval) dat hij van de daders drie mannen heeft herkend: [betrokkene 1], [verdachte] en [betrokkene 3]
(3). Twee weken later wordt [slachtoffer 6] nogmaals gehoord. [slachtoffer 6] verklaart dan dat hij van de vijf mannen er 3 kent omdat hij een tijd taxichauffeur is geweest. Ook hij noemt dan namen, te weten: [bijnaam betrokkene 3], [betrokkene 1] en [alias verdachte] wiens echte naam [verdachte] is, aldus [slachtoffer 6]. Als hem vervolgens afdrukken van de camerabeelden worden getoond wijst hij de man in het grijze shirt en met het kale hoofd aan als [verdachte], de man met de zwarte trui en zwarte muts als [betrokkene 1] en de man met het rode shirt als [bijnaam betrokkene 3]
(4). Uit het proces-verbaal waarin gerelateerd wordt over hetgeen op de videobeelden van het incident kan worden waargenomen blijkt dat vijf daders zonder aarzeling achter elkaar, door de winkel naar de internethoek rechtsachterin lopen. Voorts blijkt dat twee daders (waaronder de persoon die door [slachtoffer 6] wordt aangemerkt als verdachte) de in dat proces-verbaal als slachtoffer 1 aangeduide persoon met stoel en al achterover naar de grond trekken en dat drie daders (waaronder de persoon die door [slachtoffer 6] wordt aangemerkt als verdachte) zich op deze persoon storten. Deze persoon wordt aan het eind van de geweldplegingen door een van de mannen (niet zijnde verdachte volgens [slachtoffer 6]) tegen zijn hoofd en lichaam geschopt. Daar uit hetzelfde proces-verbaal volgt dat op de videobeelden te zien is dat slachtoffer 2 weg rent en [slachtoffer 6] heeft verklaard dat hij is weggerend, concludeert het hof dat slachtoffer 1 de persoon is die zich [slachtoffer 7] noemt (5 en 6). Bij de geweldplegingen worden zowel [slachtoffer 6] als de persoon die zich [slachtoffer 7] noemt gestoken. Naast de daardoor ontstane steekwonden worden bij de persoon die zich [slachtoffer 7] noemt op het achterhoofd een grote bloeduitstorting en diverse kleine verwondingen op zijn rug geconstateerd
(3). In tapgesprekken gevoerd tussen [medeverdachte 1] alias [medeverdachte 1], [betrokkene 1] en [betrokkene 4] wordt gerefereerd aan het steekincident van mei 2006 en de daaromtrent afgelegde verklaringen door [slachtoffer 6]. Zo zegt [medeverdachte 1] dat hij het hoerenjongen [slachtoffer 6] in een reparatiewerkplaats heeft gevonden en hem een paar klappen heeft gegeven voor het afleggen van een verklaring en het noemen van namen. [medeverdachte 1] stuurt hem morgen naar een advocaat en dan moet [slachtoffer 6] maar zeggen dat hij “dit gezegd heeft door druk van die andere hoerenjongens”
(7). Uit latere tapgesprekken blijkt dat [slachtoffer 6] zijn aangifte niet heeft ingetrokken omdat de advocaat heeft gezegd dat alles op camera’s zou zijn opgenomen waarop alles duidelijk te zien zou zijn (8 en 9). In één van de gesprekken zegt [medeverdachte 1] letterlijk op de vraag van [betrokkene 1] of die flikker alle namen heeft gegeven: “Van drie personen, van mijn abi (= het hof begrijpt: broer), van jou en van [bijnaam betrokkene 3]”. Als [medeverdachte 1] vervolgens opmerkt dat de advocaat heeft gezegd dat hij hen wel uit deze zaak zal redden, zegt [betrokkene 1]: “Hoe kunnen we ons redden uit deze zaak, de namen van die op de camera zijn hetzelfde..”
(9)Uit de in bijlage 2 terzake feit 1 als bewijs gebezigde bewijsmiddelen 1, 3, 11, 12 en 39 volgt dat verdachte de broer is van [medeverdachte 1]. [slachtoffer 6] trekt later een deel van zijn verklaring in. Ruim een jaar later op 27 augustus 2007 verklaart [slachtoffer 6] dat hij de mannen eigenlijk helemaal niet kent, maar dat een onbekende Turkse man hem in het ziekenhuis een briefje gaf met namen en beschrijvingen en dat deze man zei wat hij aan de politie moest vertellen. Hij kan niet de naam van deze Turkse man geven. Het hof acht deze verklaring ongeloofwaardig. Zo blijkt uit de eerder aangehaalde tapgesprekken dat [slachtoffer 6] vanwege zijn aangifte klappen heeft gekregen van [medeverdachte 1] en dat [medeverdachte 1] hem heeft opgedragen de aangifte in te trekken en om een andere verklaring bij de politie af te gaan leggen. [slachtoffer 6] laat dit aanvankelijk achterwege kennelijk omdat alles op camera’s staat en daarop alles duidelijk te zien is. Uit de tapgesprekken leidt het hof dan ook af dat de kort na het voorval genoemde namen kloppen. Op grond van de verklaringen van [slachtoffer 6] in mei 2006 en de verklaring van de persoon die zich [slachtoffer 7] noemde kort na het voorval, in samenhang bezien met de tapgesprekken, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een van de mannen is die behoorde tot de groep die in de internetwinkel geweld heeft gepleegd jegens [slachtoffer 6] en een persoon die zich [slachtoffer 7] noemde. Naar het oordeel van het hof staat aan het gebruik van de verklaring van de persoon die zich [slachtoffer 7] noemde niet in de weg dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest hem als getuige te horen. Daartoe neemt het hof in aanmerking dat zijn verklaring voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen en in het bijzonder op dat onderdeel dat door de verdediging betwist wordt, te weten de betrokkenheid van verdachte bij het voorval op 11 mei
  1. Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van het hof niet volgen dat verdachte de steekwonden aan de slachtoffers heeft toegebracht. Als eigen bijdrage van verdachte kan op basis van de wettige bewijsmiddelen slechts worden vastgesteld dat hij samen met zijn medeverdachten heeft geslagen en gestompt. Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat een ander dan verdachte de persoon die zich [slachtoffer 7] noemde heeft geschopt bij het verlaten van de belwinkel. Nu de verklaring van [slachtoffer 6] niets inhoudt over slaan, stompen en schoppen in zijn richting, maar slechts over het steken in zijn zij en bij hem alleen maar steekletsel is geconstateerd, terwijl ook de camerabeelden er niet op wijzen dat hij is geslagen, gestompt en geschopt, moet er van worden uitgegaan dat het slaan, stompen en schoppen alleen maar is uitgegaan in de richting van de persoon die zich [slachtoffer 7] noemde. Een deel van het bij de persoon die zich [slachtoffer 7] noemde geconstateerd letsel kort na het voorval past ook bij dergelijke geweldplegingen. De verklaringen van de beide in de winkel werkzame personen volgt het hof dus niet voor wat betreft het slaan en stompen van [slachtoffer 6]. De vraag is vervolgens hoe deze betrokkenheid van de verdachte in strafrechtelijke zin moet worden gewaardeerd. Anders dan het openbaar ministerie is het hof van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om de vraag te beantwoorden of verdachtes opzet gericht is geweest op het doden van de beide slachtoffers danwel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Geen enkel bewijsmiddel biedt als gezegd zicht op de vraag of (ook) verdachte heeft gestoken en evenmin over de mate waarin verdachte bewust was van de kans dat een (of meer) van zijn medeverdachten de internetwinkel met een mes betrad. Voor het normatief toerekenen van enig opzet van de een aan de ander is in het strafrecht geen plaats. Dat betekent voor onderhavige zaak dat het eventueel aanwezige opzet bij (een van) de medeverdachten om met een mes de slachtoffers dodelijk te verwonden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen niet aan verdachte kan worden toegerekend. Dat neemt niet weg dat bepaalde gevolgen (zoals in casu de steekwonden) aan verdachte kunnen worden toegerekend, maar dan moet er wel bewijs zijn voor opzet bij verdachte op het toebrengen van dat letsel, bijvoorbeeld in de vorm van het bestaan van een gezamenlijk plan om de slachtoffers te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, waarvan de verdachte op de hoogte was en waarin hij participeerde. Daarvan ontbreekt echter ieder bewijs. Ook uit het gezamenlijk binnenvallen van de internet-/belwinkel kan het bestaan van een dergelijk plan niet worden afgeleid, nu niet blijkt dat (een van) de medeverdachten reeds bij het binnentreden van de winkel een mes in de aanslag had. Er valt op basis daarvan dan ook niet buiten redelijke twijfel uit te sluiten dat het mes of de messen pas in de winkel werd(en) aangewend zonder dat verdachte daar enige weet van had. Nu van het gebruik van wapens naar het oordeel van het hof voorts niet gezegd kan worden dat dit valt binnen een gezamenlijk streven om de slachtoffers (zonder wapens) te slaan, te stompen en te schoppen - ook niet gelet op de criminogene context waarin dit feit is gepleegd -, kan het letsel dat door een of meer messen is toegebracht in deze zaak dan ook niet aan verdachte worden toegerekend. Nu ten aanzien van [slachtoffer 6] geen bewijs is voor ander letsel dan letsel dat door een mes is toegebracht, dient verdachte terzake de geweldplegingen richting [slachtoffer 6] reeds daarom integraal worden vrijgesproken. Ten aanzien van de persoon die zich [slachtoffer 7] noemde ligt dat anders. Naar het oordeel van het hof volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte samen met zijn medeverdachten deze persoon heeft geslagen, gestompt en geschopt. Hoewel verdachte zelf alleen maar heeft geslagen en gestompt en niet heeft geschopt, is het hof van oordeel dat dit schoppen verdachte in strafrechtelijke zin kan worden toegerekend. Uit de bewijsmiddelen volgt een gezamenlijk gewelddadig optrekken richting de persoon die zich [slachtoffer 7] noemde, waarbij het opzet er op gericht was hem lichamelijk letsel toe te brengen. Het schoppen past binnen dat gemeenschappelijke opzet. Nu echter niets vast staat omtrent de intensiteit van het slaan, stompen en schoppen in de richting van de persoon die zich [slachtoffer 7] noemde en het bij hem geconstateerde letsel dat daaruit kan worden verklaard van relatief geringe ernst is, terwijl de bewijsmiddelen evenmin uitsluitsel bieden over het (onderling kenbare) motief van verdachte en zijn medeverdachten buiten hun opzet de persoon die zich [slachtoffer 7] noemde lichamelijk letsel toe te brengen, acht het hof ook langs deze weg onvoldoende bewijs voorhanden voor een verderstrekkend opzet, bijvoorbeeld gericht op de dood van de persoon die zich [slachtoffer 7] noemde danwel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij die persoon. De slotsom luidt dan ook dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde voor zover dat betrekking heeft op het jegens [slachtoffer 6] gepleegde geweld en voorts van de poging tot moord, doodslag cq. zware mishandeling van de persoon die zich [slachtoffer 7] noemde. Het hof acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich tezamen en in vereniging heeft schuldig gemaakt aan mishandeling van de persoon die zich [slachtoffer 7] noemde. Het voorwaardelijke verzoek van de raadsman om, indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen, [slachtoffer 6] te horen wijst het hof af nu de raadsman in hoger beroep in de gelegenheid is geweest hem te horen. Ten aanzien van het (voorwaardelijke) verzoek tot het horen van [slachtoffer 7], die mogelijk de persoon is geweest die zich [slachtoffer 7] heeft genoemd, blijft het hof bij zijn eerdere beslissing inhoudende dat geen duidelijkheid bestaat over de identiteit van deze getuige en dat de verdachte door afwijzing van het verzoek niet in zijn verdedigingsbelang wordt geschaad. Het hof heeft daartoe in aanmerking genomen dat blijkens het door de raadsman bij pleidooi overgelegde verhoor van [slachtoffer 7] in Turijke in een andere zaak, deze [slachtoffer 7] verklaart niet betrokken te zijn geweest bij het voorval op 11 mei
  2. Vrijspraak ten aanzien van feit 5 (Poging tot afpersing/bedreiging) Evenals het openbaar ministerie, de raadsman en de rechtbank acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de poging tot afpersing danwel bedreiging van [slachtoffer 7]. Verdachte zal van dat feit worden vrijgesproken. Bewijsoverwegingen feit 6 en 7 (deelname criminele organisatie) Het hof verenigt zich ten aanzien van de feiten 6 en 7 met de bewijsoverwegingen van de rechtbank en de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen. Het hof maakt voor die overwegingen en bewijsconstructie van de rechtbank voor zover ze in bijlage 4 zijn overgenomen tot de zijne. Voor het bewijs acht het hof tevens redengevend de door de rechtbank gebezigde bewijsoverwegingen en bewijsmiddelen ter zake feit 1 voor zover die in bijlage 2 zijn opgenomen, alsmede de door het hof gebezigde bewijsoverwegingen en bewijsmiddelen ter zake feit 4 (voor de bewijsmiddelen verwijst het hof naar bijlage 3 na dit arrest). De bewijsmiddelen vult het hof voorts met navolgende bewijsmiddelen aan:  Een geschrift zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 4] alias [betrokkene 4] (stemherkenning) en [betrokkene 14] alias [betrokkene 14] (stemherkenning) op 30 oktober 2006 om 23.41 uur, als pagina 36102A en 36102B van ordner 48A gevoegd in het dossier Sneep, proces-verbaal Z32084, 27-019999 van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt: U: Welke meisjes werken door de week zo lang? Z: Ten eerste het meisje van [naam] gegarandeerd.. 6 uur, 7 uur.. helemaal geen probleem, ik zit als een ezel te wachten.. Ze zitten mij aan te staren en zitten te lachen.. Daarna [naam] ook hetzelfde.. en ‘yenge’ (yenge = tante wordt de partner/echtgenote van een mannelijk familielid, vriend genoemd) gaat ook om 4 uur naar huis.. zij zegt van niemand is meer in de straat.. Kijk het is niet zo dat ik aan het klagen ben broeder. Ik ben alleen. Ik heb tot half negen in de ochtend hier zitten wachten. Geloof mij. U: Hoe kan [naam] werken, dat kan niet dat [naam] werkt, misschien is het een keer voorgekomen. Z: Ze heeft nu een andere kamer genomen. Ze werkte beneden, ze is nu naar nummer 50 gekomen, hier kan ze van 7 uur tot 7 uur werken.. Tot 7 uur in de ochtend. Ik.. geloof mij ik kan het niet meer aan ik ben 37 jaar oud.. als ik iemand bij mij zou hebben dat een van ons gaat en de andere blijft en dat we om de dag kunnen wisselen.. dat is ook niet zo. We hebben niemand aangenomen. Niemand zegt iets. Ik.. Ik zeg dit niet omdat ik ziek ben maar normaal door de weeks.. vrijdag en zaterdag zal ik tot 8 uur in de ochtend wachten en ik heb ook gewacht en ik heb altijd mijn woord gehouden.. U: Ik begrijp het. Z: Maar zondag, maandag, dinsdag, woensdag, donderdag.. U: Nou oke.. wacht even we gaan het zo doen.. Reis (baas).. wist niet dat zoiets het geval was.. (…) Ik zal dan tegen Reis zeggen..euh..(…) Ik zal naar Reis een telefoonnummer sturen. Hij zal jou bellen en je zult dan met Reis spreken, is dat Oke. Is dat goed? Z: Akkoord (…) Jij kunt praten met hem het is niet nodig dat ik het vertel.. U: Als ik praat dan gaat het niet.. Jij moet vertellen en zeggen van abi er komen voorvallen voor van zo en zo …”Abi ik wil alles voor jou doen maar als bepaalde dingen zo gebeuren..voor jou wil ik alles wel doen maar jij hebt in het begin tegen mij gezegd van zo en zo zal het gebeuren en later is alles langer gaan duren” moet je zeggen.. Ik blijf alleen over en ik zeg dan ook niets.. begrijp je moet je zeggen.. je moet het zo vertellen.. Z: We hebben in jouw woning gepraat, er waren 8 vrouwen, kun jij je herinneren? U: Ja. Z: Dat zal ik ook vertellen, er waren 8 vrouwen, we werkten met twee personen samen met [naam], wij kregen met ons beiden 1000 lira. Ik krijg 500 lira en doe het werk van [naam] en breng de meisjes ook weg.. ik doe het alleen. U: Jij moet zeggen van ik vraag niet om geld..(…) mijn lichaam kan het niet aan. Ik breng de meisjes heen en weer en na een bepaald tijdstip verdraagt mijn lichaam het niet. Geloof mij abi moet je zeggen. Z: Dank je wel voor je advies.  Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 3] op 27 januari 2010 bij de rechter-commissaris in de rechtbank Utrecht, nevenzittingsplaats Almelo en voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 3] - zakelijk weergegeven- als volgt: Als de rechter-commissaris mij vraagt wat [betrokkene 9] en [betrokkene 14] dan hebben gezegd over [medeverdachte 1] dan zeg ik dat zij gezegd hebben dat hij een grote jongen was van daar. Als de rechter-commissaris vraagt wat ik daarmee bedoel, dan zeg ik: “vrouwenhandel”. Zij hebben gezegd dat hij vrouwen verkoopt. Dit hebben ze ook van [betrokkene 1] gezegd’.  Een geschrift zijnde een tapgesprek op 21 februari 2006, 22.41 uur, als pagina 36833A van ordner 50 gevoegd in het dossier Sneep, proces-verbaal Z32084, 27-019999 van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt: [medeverdachte 1] alias [medeverdachte 1] wgd [medeverdachte 1]. K: Moeten we deze jongen slaan? (…) M: Hij zit in het restaurant… zeg tegen hem… Ga naar binnen en zeg ‘alles wat je tegen de ooms [politie] hebt gezegd dat moet ingetrokken worden, indien het niet ingetrokken wordt, dan is het slecht met je gesteld” moet je zeggen en daarna moeten jullie weggaan (…) meer niet. Ons mannetje die ’s middags samen met het meisje was gekomen die hebben ze vastgezet… Zeg ‘ga erheen, doe alles wat je moet doen, zet het recht, anders zal het heel slecht voor jou er uit zien’ moet je zeggen  Een geschrift zijnde een tapgesprek op 16 februari 2006, 22.59 uur, als pagina 36556A van ordner 49A gevoegd in het dossier Sneep, proces-verbaal Z32084, 27-019999 van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt: [medeverdachte 1] wgd NNman. M: zeg tegen hem [medeverdachte 1] heeft hier de zeggenschap (…) zeg dat maar, dan strijken we meteen neer op hun hoofden. N: hahaha, is goed… ik zal een paar dagen aankijken, misschien is hij wel een spion, die door hen gestuurd is weet je, dat ie naar de situatie moet kijken. M: Ja toch, je moet het direct zeggen dat stuur ik onze [naam] er op af, maak je je maar geen zorgen. N: Hij vertelde verder dat [naam] en zo hier waren, ik heb gezegd: Ik neuk de kont van [naam], die heeft klappen gekregen en is weggegaan. We hebben niks met hen te maken heb ik gezegd en dat we een andere groep hebben [ntv] … we zien het wel (…) M: Praat met hem daar, zeg maar dat [medeverdachte 1] hier de zeggenschap heeft en zeg van ‘weet [medeverdachte 1] wel dat je hierheen gekomen bent’ (…) We nemen het, krijg jij het weekgeld. Anders dan de raadsman acht het hof derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deelname aan de criminele organisatie. Hetgeen door de raadsman is aangedragen vindt naar het oordeel van het hof haar weerlegging in bewijsoverwegingen en bewijsmiddelen. Bewezenverklaring Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 (voor zover dat betrekking heeft op [slachtoffer 1]), 4a, 4b primair en subsidiar en 5 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 (voorzover dat betrekking heeft op [slachtoffer 2]), 4b meer subsidiair, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
  3. hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 1 september 2007 in Nederland en Turkije, tezamen en in vereniging met een ander - [slachtoffer 2] door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht heeft/hebben geworven en gehuisvest, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 2] en - [slachtoffer 2] door dwang en geweld en andere feitelijkheden en door dreiging met geweld en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft/hebben gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten van seksuele aard en - opzettelijk voordeel heeft/hebben getrokken uit de seksuele uitbuiting van [slachtoffer 2] en - [slachtoffer 2] door dwang en geweld en door andere feitelijkheden en door dreiging met geweld en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie, heeft/hebben gedwongen dan wel bewogen hem/hen, verdachte en/of zijn mededader te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [slachtoffer 2] met of voor derden immers zijnde/hebbende verdachte en/of verdachtes mededader - met voornoemde [slachtoffer 2] een liefdesrelatie aangegaan en onderhouden en - voor die [slachtoffer 2] woonruimte/onderdak geregeld en/of laten regelen en - voor die [slachtoffer 2] werkplekken geregeld en/of laten regelen waar zij als prostituee kon werken en/die [slachtoffer 2] naar haar werkplekken laten brengen en van haar werkplekken laten ophalen en - die [slachtoffer 2] als prostituee laten werken en toegezien of laten toezien op de werktijden en daarmede de inkomsten van die [slachtoffer 2] als prostituee en die [slachtoffer 2] verder in de gaten gehouden en/of in de gaten laten houden en - die [slachtoffer 2] bewogen om vele uren achter elkaar en bij ziekte te werken in de prostitutie en - die [slachtoffer 2] het door haar met/in de prostitutie verdiende geld aan hem, verdachte doen afstaan en die [slachtoffer 2] aldus in een verder van hem, verdachte afhankelijke positie gehouden en - die [slachtoffer 2] de huur van de gezamenlijke woonruimte laten betalen en - die [slachtoffer 2] geslagen en onder druk gezet en - die [slachtoffer 2] met een riem geslagen en - die [slachtoffer 2] mishandeld gebruikmakend van een mes en een honkbal knuppel en - die [slachtoffer 2] vastgebonden met een elektriciteitsdraad en - die [slachtoffer 2] bedreigd met een mes en - de tante van die [slachtoffer 2] bedreigd en/of laten bedreigen iets aan te doen en - de hond van die [slachtoffer 2] met een mes gestoken en tegen de muur gegooid, teneinde die [slachtoffer 2] te dwingen/onder druk te zetten in de prostitutie te blijven werken en - die [slachtoffer 2] tegen haar wil met een flesje vaginaal gepenetreerd en - die [slachtoffer 2] bewogen tegen haar wil seksuele handelingen met hem, verdachte te verrichten en - die [slachtoffer 2] gedreigd dood te maken en/of dood te laten maken en - die [slachtoffer 2] bewogen om vele uren achter elkaar en/of bij ongesteldheid en bij ziekte te werken in de prostitutie en - die [slachtoffer 2] gedwongen en/of laten dwingen te blowen en/of te snuiven en/of alcohol te drinken ("zuipen"), tot ze er bij neer zou vallen en/of misselijk zou worden en - die [slachtoffer 2] gezegd dat zij 240.000 Euro moest betalen aan hem verdachte om van hem af te zijn en - die [slachtoffer 2] gecontroleerd en/of laten controleren en - bepaald wanneer die [slachtoffer 2] mocht stoppen met werken en - bepaald wat die [slachtoffer 2] moest doen en/of wanneer en/of hoe lang zij moest werken en/of waar zij naar toe mocht gaan (waardoor zij geen keuzevrijheid had) en - de keuzevrijheid van die [slachtoffer 2] beperkt om tijdens het werk en/of buiten het werk om te gaan met anderen dan verdachte en/of zijn medeverdachte [medeverdachte 1] en - angst ingeboezemd bij die [slachtoffer 2] waardoor zij niet eerder aangifte deed en - angst ingeboezemd bij die [slachtoffer 2] voor repressie en repercussie jegens haar en haar familie en een dierbaar huisdier en - die [slachtoffer 2] onder druk gezet en in een afhankelijksheidsrelatie gebracht waardoor zij zich niet kon onttrekken aan de dwang en intimidatie, door verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1], waardoor een dreigende sfeer ontstond, waaraan zij geen weerstand kon bieden. 4b. hij op 11 mei 2006 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen aan een persoon zich noemende [slachtoffer 7] opzettelijk lichamelijk letsel heeft toegebracht, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met anderen tegen het lichaam van die persoon zich noemende [slachtoffer 7] geschopt en geslagen, tengevolge waarvan die persoon zich noemende [slachtoffer 7] lichamelijk letsel opliep;
  4. hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 30 april 2006 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit verdachte [verdachte] en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [medeverdachte 1], - welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van mensenhandel, als bedoeld in artikel 250a Wetboek van Strafrecht (oud) en/of 273a Wetboek van Strafrecht (oud) en/of 273 f van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die mensenhandel onder andere bestond uit het seksueel uitbuiten van vrouwen (prostituees); - mishandeling, als bedoeld in artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die mishandeling onder ander bestond uit het slaan en/of stompen en/of schoppen van (meerdere) personen (prostituees en/of klanten van prostituees; - handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie (onder andere het voorhanden hebben van steek- en/of vuurwapens); - bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht/bedreiging met zware mishandeling als bedoeld in artikel 285 Wetboek van Strafrecht (onder andere het bedreigen van prostituees en/of klanten van prostituees); - afpersing als bedoeld in artikel 317 Wetboek van Strafrecht (onder andere het afhandig maken van geld van prostituees).
  5. hij in of omstreeks de periode van 01 mei 2006 tot en met 7 februari 2007 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit verdachte, [medeverdachte 1] en anderen , - welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van mensenhandel, als bedoeld in artikel 250a Wetboek van Strafrecht(oud) en/of 273a Wetboek van Strafrecht (oud) en/of 273 f van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die mensenhandel onder andere bestond uit het seksueel uitbuiten van vrouwen (prostituees); - mishandeling, als bedoeld in artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die mishandeling onder ander bestond uit het slaan en/of stompen en/of schoppen van (meerdere) personen (prostituees en/of klanten van prostituees; - handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie (onder andere het voorhanden hebben van steek- en/of vuurwapens); - bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht/bedreiging met zware mishandeling als bedoeld in artikel 285 Wetboek van Strafrecht (onder andere het bedreigen van prostituees en/of klanten van prostituees); - afpersing als bedoeld in artikel 317 Wetboek van Strafrecht (onder andere het afhandig maken van geld van prostituees). Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezen verklaarde levert op: Mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. het onder 4b meer subsidiair bewezen verklaarde levert op: Medeplegen van mishandeling. het onder 6 en 7 bewezen verklaarde levert op telkens: Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft bij de straftoemeting het door de rechtbank gestelde kader als uitgangspunt genomen. Daarbij heeft het hof betrokken dat dit kader niet veel afwijkt van het door het openbaar ministerie in hoger beroep voorgestane straftoemetingskader, zeker niet in de concrete toepassing daarvan. Daar waar de uiteindelijk opgelegde straf afwijkt van de eis van het openbaar ministerie wordt dat vooral veroorzaakt door andere bewijsoordelen. Het kader van de rechtbank houdt in dat voor de bewezenverklaarde mensenhandelzaken een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van tien maanden per slachtoffer wordt gehanteerd, waarbij een verhoging zal worden toegepast indien er sprake was van geweld, ernstig geweld of verkrachting of wanneer het feit in vereniging werd gepleegd dan wel wanneer het ging om een lange periode. Voor deelneming aan een criminele organisatie gaat het hof met de rechtbank uit van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van twaalf maanden, te verlagen als de rol van verdachte in vergelijking met die van anderen ondergeschikt was. Dit betekent voor verdachte het volgende. Verdachte heeft zich gedurende een lange periode, samen met [medeverdachte 1], schuldig gemaakt aan de seksuele uitbuiting van [slachtoffer 2]. Verdachte heeft daarbij zeer ernstig (seksueel) geweld toegepast. Daarnaast heeft verdachte zich tezamen en in vereniging schuldig gemaakt aan mishandeling van een persoon. Ten slotte heeft verdachte gedurende 30 maanden deelgenomen aan een criminele organisatie. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat in het bijzonder gelet op de ernst van die feiten, de inbreuken die met die feiten op de geestelijke en fysieke integriteit van de slachtoffers is gemaakt, alsmede het gewelddadige karakter van de criminele organisatie waaraan verdachte heeft deelgenomen als straf niets anders in aanmerking komt dan een vrijheidsbenemende straf. Voor de in vereniging gepleegde mensenhandel waarbij ernstig (seksueel) geweld is toegepast gedurende een lange periode, zal het hof aan verdachte een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van 30 maanden opleggen. Voor de deelname aan de criminele organisatie legt het hof evenals de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op van 12 maanden. Aan verdachte wordt derhalve een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van 42 maanden opgelegd. Het hof acht daarin de mishandeling die in tegenstelling tot de rechtbank wel bewezen wordt geacht in die straf voldoende verdisconteerd, temeer die mishandeling heeft plaatsgevonden in het kader van de criminele organisatie. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57, 140, 273a (oud), 273f en 300 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 (voor zover het de mensenhandel van [slachtoffer 3], [slachtoffer 1], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] betreft), 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde. Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 (voor zover dat betrekking heeft op [slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 3]), 2 en 3 ten laste gelegde. Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 (voor zover dat betrekking heeft op [slachtoffer 1]), 4a primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair, 4b primair en subsidiair en 5 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 (voor zover dat betrekking heeft op [slachtoffer 2]), 4b meer subsidiair, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 (voor zover dat betrekking heeft op [slachtoffer 2]), 4b meer subsidiair, 6 en 7 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden. Aldus gewezen door mr J.P. Bordes, voorzitter, mr M. Otte en mr P.L.M van Gorkom, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr R. Robroek, griffier, en op 22 november 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Bijlage
  6. Overwegingen rechtbank met betrekking tot niet-ontvankelijkheidsverweer Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het recht tot strafvervolging, in de eerste plaats omdat er sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. In de tweede plaats beroept hij zich op HR NJ 1999, 567 en stelt dat is gehandeld in strijd met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern is geraakt. De volgende omstandigheden hebben daartoe volgens de samengevatte stellingen van de raadsman geleid: - het openbaar ministerie heeft een verkeerd beeld over verdachte geschetst in de media en bij de rechtbank waardoor de onschuldpresumptie van artikel 6 EVRM is geschonden. Ten onrechte en zonder enige nuance wordt verdachte in verband gebracht met verhalen over verkrachtingen, honkbalknuppels, wapenbezit, drugshandel en witwassen. Door deze berichtgeving zijn mogelijk ook getuigen beïnvloed; - gedurende lange tijd hebben in strijd met de wet, geheimhoudersgesprekken deel uitgemaakt van het dossier; - door het openbaar ministerie is bewust ontlastend materiaal buiten het dossier gehouden: tapgesprekken zijn onvolledig uitgewerkt en ontlastende gedeeltes zijn weggelaten, van terloopse gesprekken door politieambtenaren met potentiële getuigen zijn is in strijd met artikel 152 Sv geen proces-verbaal opgemaakt en ontlastende getuigenverklaringen zoals de verklaring van de getuige Cusco, zijn niet aan het dossier toegevoegd. Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft de stellingen van de verdediging weersproken. De overwegingen van de rechtbank De rechtbank overweegt het volgende. De media-aandacht De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat, door handelen of niet handelen van het openbaar ministerie, de publiciteit over de Sneep-zaak tot gevolg heeft gehad dat de onschuldpresumptie, zoals beschermd door artikel 6 EVRM, is geschonden. De geheimhoudersgesprekken De officier van justitie heeft diverse processen-verbaal over zgn. geheimhoudersgesprekken aan het dossier toegevoegd. Het laatst toegevoegde proces-verbaal dateert van 4 februari 2010, is opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 5] en bevat het eindresultaat van de ‘zoekslagen’ naar geheimhoudersgesprekken in alle deelonderzoeken van het onderzoek Sneep. Op basis van dat proces-verbaal staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat in het Sneeponderzoek en de tot het dossier behorende deelonderzoeken, ten aanzien van 106 geheimhoudersgesprekken in strijd met de toepasselijke bepalingen is gehandeld. Dat gebeurde door geheimhoudersgesprekken op te nemen en deze niet terstond te vernietigen. Dat levert onherstelbare vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv op. Uit het hiervoor genoemde proces-verbaal van 4 februari 2010 blijkt ook dat geen sprake is geweest van geheimhoudersgesprekken waaraan verdachte heeft deelgenomen en waarmee in strijd met de toepasselijke bepalingen is gehandeld. Het is vaste rechtspraak dat, indien het - zoals in deze zaak - niet verdachte is die door de niet-naleving van een voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, als regel geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan het verzuim. De rechtbank ziet, nu niet aannemelijk is geworden dat verdachte op een dergelijke wijze is getroffen, geen aanleiding om anders te oordelen dan met de enkele constatering dat een vormverzuim is begaan. Welbewust ontlastend materiaal buiten het dossier houden door het openbaar ministerie De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat het openbaar ministerie welbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte relevante stukken heeft achtergehouden waardoor het recht op een eerlijke berechting geschonden is. Over relevantie van stukken kan verschil van mening bestaan. Het is de taak van de raadsman om stukken die door het openbaar ministerie kennelijk niet relevant geacht werden, onder de aandacht van de rechtbank te brengen. Dat heeft de raadsman ook gedaan. Het is ook niet aannemelijk geworden dat door de politie (systematisch) geen processen-verbaal zijn opgemaakt in gevallen waarin dat wel had moeten gebeuren. De conclusie Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de door de raadsman aangevoerde argumenten en gronden niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kunnen leiden. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen, met dien verstande dat volstaan wordt met de constatering van een vormverzuim ten aanzien van geheimhoudersgesprekken. Bijlage
  7. Bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen rechtbank ten aanzien van feit 1 ([slachtoffer 2]) Leeswijzer Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat, geordend per feit, de genummerde bewijsmiddelen. Ter toelichting op een aantal bewijsmiddelen geldt, voor zover van toepassing, het volgende. Algemeen bewijsmiddel Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier Sneep, proces-verbaal Z32084, 27-019999 van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal. Proces-verbaal van verhoor door rechter-commissaris Wanneer hierna wordt verwezen naar het proces-verbaal van de rechter-commissaris, betreft dit een proces-verbaal van de rechter-commissaris in de rechtbank Utrecht, nevenzittingsplaats Almelo. Telefoontap Wanneer hierna wordt verwezen naar een tapgesprek, betreft dit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5° Sv, te weten een schriftelijke weergave van een telefoongesprek waarvan de kenmerken worden vermeld – voorzover van toepassing – namelijk datum, tijdstip, lijnnummer, gespreksnummer, ordnernummer/pagina. Indien het gesprek in een vreemde taal is gevoerd, wordt verwezen naar de schriftelijke weergave van de vertaling in de Nederlandse taal. Sms-bericht Wanneer hierna wordt verwezen naar een sms-bericht, betreft dit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5° Sv, te weten een schriftelijke weergave van een getapt sms-bericht waarvan de kenmerken worden vermeld – voorzover van toepassing – namelijk datum, tijdstip, lijnnummer, volgnummer, ordnernummer/pagina. Indien het bericht in een vreemde taal is geschreven, wordt verwezen naar de schriftelijke weergave van de vertaling in de Nederlandse taal. Foto Wanneer in de bewijsmiddelen wordt gesproken over foto’s uit ordner 16 dan betreffen dit - tenzij anders wordt vermeld – in ordner 16 onder de noemer ‘verdachten-betrokkenen’ of ‘slachtoffers’ opgenomen foto’s. De ordner bevat verder twee ambtsedige processen-verbaal waarin wordt gerelateerd welke foto’s van welke ‘verdachten’ of ‘slachtoffers’ in de ordner zijn opgenomen. Ook wanneer in het voorbereidend onderzoek foto’s zijn getoond onder andere aanduidingen (bijvoorbeeld ‘de fotomap’) maar met een uit de context op te maken corresponderende nummering, gaat de rechtbank ervan uit dat gedoeld wordt op ordner
  8. In die gevallen waarin het bewijsmiddel zelf niet vermeldt wie volgens de in ordner 16 opgenomen processen-verbaal op de getoonde foto zijn afgebeeld, zal de rechtbank dit zelf doen. Zij brengt dit tot uitdrukking door toevoeging in het bewijsmiddel (achter het fotonummer) van de tekst: “de rechtbank stelt vast (…)”, gevolgd door de naam van de persoon die staat afgebeeld op de uit ordner 16 afkomstige foto. Die vaststelling door de rechtbank is gebaseerd op de inhoud van voornoemde ambtsedige processen-verbaal (16/80018004 voor de verdachten en 16/80638067 voor de slachtoffers). Bewijsoverwegingen rechtbank met betrekking tot feit 1 ([slachtoffer 2]) Verklaringen verdachte en [slachtoffer 2] Verdachte is aangehouden noch gehoord. Zijn broer en medeverdachte [medeverdachte 1] (alias [medeverdachte 1]/[medeverdachte 1]) is evenmin aangehouden of verhoord. [slachtoffer 2] is diverse keren door zowel de politie als de rechter-commissaris gehoord. De betrouwbaarheid van haar verklaringen is door de verdediging betwist. De rechtbank verwerpt dat verweer en verwijst op deze plaats naar de motivering aan het einde (…). Op basis van het dossier stelt de rechtbank het volgende vast. Identiteit verdachte De rechtbank overweegt ten aanzien van de identiteit van verdachte het volgende. Verdachte heeft tegen [slachtoffer 2] bij hun eerste ontmoeting gezegd dat hij [alias verdachte] heette. In haar aangifte en verklaringen spreekt [slachtoffer 2] telkens over [alias verdachte] als degene tegen wie zij aangifte doet c.q. heeft gedaan (1 en 8). Op 18 september 2006 zijn verdachte en [slachtoffer 2] in Turkije met elkaar getrouwd (1, 16 en 17). Verdachte is de broer van medeverdachte [medeverdachte 1] die ook [medeverdachte 1]/[medeverdachte 1] wordt genoemd (1, 3, 11, 12 en 39). Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat verdachte vanaf zijn eerste ontmoeting met [slachtoffer 2] in Nederland gebruik gemaakt heeft van de naam [alias verdachte]. In de diverse bewijsmiddelen en daarom ook in de overwegingen van de rechtbank, wordt verdachte ook als [alias verdachte] aangeduid. Kennismaking verdachte met [slachtoffer 2]. Intrede [slachtoffer 2] in prostitutie [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum], is 22 jaar oud wanneer zij verdachte, [verdachte] alias [alias verdachte], ontmoet en verliefd op hem wordt. Nadat zij seks met hem heeft gehad, dwingt hij haar om als prostituee te gaan werken en bepaalt hij dat zij duizend euro per dag moet verdienen. Zij zal uiteindelijk drie jaar voor hem in de prostitutie werken, tot haar vijfentwintigste. Verdachte verblijft op dat moment in Turkije (1, 13, 14). Op basis van de in bewijsmiddel
(1)opgenomen verklaring van [slachtoffer 2] stelt de rechtbank vast dat de tenlastegelegde periode bewezen is en dat het feit zowel in Nederland als in Turkije is medegepleegd
(1). Woon- en werkplekken Zij woont bij verdachte in [plaats], in een bungalowpark (1, 6, 7, 8), maar ook wel elders. De rechtbank begrijpt uit haar verhaal dat het verdachte was die bepaalde waar ze woonden. [slachtoffer 2] moet de huur betalen (1, 11). Meestal woont ze samen met [betrokkene 8], de vriendin en latere echtgenote van [medeverdachte 1]. Verdachte regelt een werkkamer voor haar. [betrokkene 8] neemt haar daar mee naar toe en legt haar uit wat zij moet doen. Verdachte zegt dat zij moet werken en dat zij daarover niets te zeggen heeft
(1). Brengen naar en halen van werkplekken, in de gaten (laten) houden, controleren, keuzevrijheid beperken in omgang met anderen Zij mag alleen praten met de meisjes die bij haar en verdachte in [plaats] wonen. Als zij aan het werk is zijn er bodyguards die haar bewaken. Als zij naar haar werk moet, wordt zij opgehaald door een snorder (1, 2, 3, 11). Verdachte belt haar in het begin heel vaak. Later, als ze beter gaat verdienen, wordt dat minder. Als hij belde, vroeg hij of ze aan het werk was en genoeg had verdiend. Als ze vroeg of ze mocht stoppen reageerde hij agressief
(1). Deze verklaring van [slachtoffer 2] wordt bevestigd door tapgesprekken, sms-berichten en de verklaring van snorder [verdachte 3] (18, 27, 28, 33, 34, 35, 38). Werktijden en verdiensten, afstaan verdiensten, werken tijdens ziekte, mishandelingen [slachtoffer 2] Het verdiende geld moet [slachtoffer 2] afstaan aan verdachte zodra ze thuiskomt. Wanneer zij te weinig verdient, slaat hij haar in elkaar. Hij slaat haar met een baseballknuppel en zij heeft regelmatig blauwe plekken die met make-up worden gecamoufleerd zodat ze daags erna weer kan werken (1, 11). Ook nadat zij een abortus heeft ondergaan moet zij de volgende dag, terwijl ze nog bloedt, weer werken (21, 22, 24, 26, 29, 31, 32). Wanneer zij moe en overbelast is, moet zij werken. Verdachte bepaalt haar werktijden. Als zij protesteert schreeuwt hij dat hij naar haar toe zal komen, dat hij haar zal vermoorden als ze niet doet wat hij wil. Zij werkt dan verder. Ze werkt van maandag tot zondag en is slechts af en toe vrij. Eigenlijk werkte ze het liefst alle dagen omdat ze dan niet met hem thuis is en zijn gewelddadigheid niet hoeft te vrezen (1 en 38). Werken na een abortus en dus tijdens ziekte Op 17 januari 2006 belt verdachte met [betrokkene 5] en zegt dat hij een dokter nodig heeft omdat zijn meisje zwanger is. Hij informeert of ze als gevolg van een abortus lang (thuis) in bed moet blijven
(21). Drie dagen later bellen verdachte en zijn broer [medeverdachte 1] over de geplande abortus
(22). Diezelfde dag volgt er een sms-bericht van het toestel dat [slachtoffer 2] gebruikt naar dat van verdachte met de mededeling dat zij drie weken geen seks mag hebben omdat dat gevaarlijk is
(26). Op 24 januari 2006 is [slachtoffer 2] al weer aan het werk en belt zij verdachte om hem te vragen hoeveel zij aan bodyguard [betrokkene 9] moet geven
(23). Diezelfde dag bellen verdachte en [medeverdachte 1] om te bespreken dat verdachte zijn meisje naar het ziekenhuis moet brengen omdat ze koorts heeft en zweet
(24). Niettemin blijkt uit tapgesprekken op 26 en 29 januari (29, 31) en sms-berichten van 30 januari
(32)en 11 februari 2006
(30)dat [slachtoffer 2] ondanks hevig bloedverlies weer werkt. In het dossier zit een brief van een gynaecoloog die uitlegt dat na een abortus de baarmoedermond als een wond is te beschouwen en dat seks na een abortus ontraden wordt zolang er bloedverlies is, onder meer omdat er dan gevaar voor infecties is
(25). Dat advies was verdachte bekend na de mededeling dat er drie weken geen seks mocht plaatsvinden
(26). De rechtbank merkt de periode na de abortus bij [slachtoffer 2] aan als ziekte. Uit het feit dat [slachtoffer 2] desondanks, en zelfs na een tussentijdse opname en hevig bloedverlies, toch weer aan het werk ging, leidt de rechtbank af dat [slachtoffer 2] door verdachte is bewogen om ook bij ziekte in de prostitutie te werken. Mishandelingen, bedreigingen, intimidatie en angst, geen aangifte durven doen Op 15 maart 2007 belt [slachtoffer 2] met haar tante [getuige 1]. Zij huilt en bespreekt met haar tante hoe ze zou kunnen vluchten
(37). Op 16 maart 2006 bezoeken twee politieagenten [slachtoffer 2] op haar werkadres op de Wallen in Amsterdam. Zij vertelt hen dat ze wil stoppen maar dat dit niet kan omdat ze enorm bang is dat [alias verdachte], haar pooier, haar dan zal zoeken. Haar pooier en de groep om haar heen kan haar overal vinden. De agenten zien dat zij schrikkerig is, steeds opstaat, af en toe huilt en erg zweet. Ze kijkt voortdurend angstig om zich heen en zegt niet te kunnen praten omdat “zij” het anders konden horen
(5). Ruim een maand later, op 27 april 2006, meldt [slachtoffer 2] zich overstuur bij de politie in [plaats] en zegt dat ze aangifte wil doen. Zij vertelt dat zij een relatie heeft met [verdachte], die haar dwingt het in de prostitutie verdiende geld aan hem af te staan en haar mishandelt en controleert. Dat laatste wordt direct geïllustreerd, als zij tijdens haar gesprek met de politie op 27 april 2006 diverse keren wordt gebeld op haar mobiele telefoon. De agent met wie zij sprak, begreep van haar dat het [verdachte] was die belde. De agent nam de telefoon van [slachtoffer 2] over en hoorde een man die meermalen dringend vroeg op welk politiebureau [slachtoffer 2] was. [slachtoffer 2] wil uiteindelijk geen aangifte doen. Zij wil dat de politie weet wat zich afspeelt omdat zij bang is dat haar iets zal overkomen
(6). De rechtbank ziet in dit alles het bewijs voor het feit dat [slachtoffer 2] te bang voor verdachte was om aangifte te doen. Mishandelingen en verkrachting op 1 mei 2006 Een paar dagen daarna meldt [slachtoffer 2] zich opnieuw: op 1 mei 2006 wordt de politie gebeld door een vrouw die zegt door haar man te zijn mishandeld. De politie treft haar zeer geëmotioneerd, huilend, in paniek en bang aan achter een vuilcontainer in een bungalowpark in [plaats]. De politieagenten zien in haar gezicht grote zwellingen en blauwpaars verkleurde huid rond haar ogen. Er druipt bloed uit haar mond en neus, er zit opgedroogd bloed op haar lip. Haar lippen zijn op diverse plaatsen rood en gezwollen. Het blijkt [slachtoffer 2] te zijn
(7). Diezelfde dag nog doet zij aangifte
(8). Zij vertelt dat haar vriend en pooier deel uitmaakt van een organisatie die vrouwen voor zich in de prostitutie heeft. Hij heet [verdachte] en maakt gebruik van een vals paspoort
(1). Die dag heeft hij haar mishandeld, net zoals op 27 april 2006 toen zij haar verhaal bij de politie had verteld. Die mishandeling hield in dat zij met een riem werd geslagen, dat zij met een knuppel werd geslagen, met elektriciteitsdraad werd vastgebonden en met een mes werd bewerkt door steken/prikken aan de achterzijde van haar benen. In de periode daarvoor heeft zij meermalen een mes op de keel gehad. Door het slaan met de knuppel heeft naar haar zeggen de dokter gebroken ribben geconstateerd. Zij zit onder de blauwe plekken. [verdachte] heeft haar die dag, 1 mei 2006, ook verkracht. Zij moest zich uitkleden toen hij haar sloeg. Hij heeft toen een flesje ‘Smirnoff Ice’ in haar vagina geduwd. Daarna gooide hij dit flesje kapot (7, 8). De politie trof bij een onderzoek in de woning waar dit alles zich had afgespeeld een vernield flesje ‘Smirnoff Ice’ in de vuilnisbak aan. Ook vonden zij een kapot keukenmes met scheef lemmet, de ontbrekende stukjes op de grond. En in de slaapkamer lag op het bed een leren riem en ernaast een elektriciteitsdraad waarin een lus was aangebracht
(10). Eerdere mishandelingen en verkrachtingen Zij vervolgt haar verhaal. Behalve de verkrachting met het flesje, heeft hij haar vaker verkracht. Drie keer per week wil hij seks met haar zonder dat zij dat wil. Hij slaat haar in elkaar als ze niet wil. Hij slaat haar als ze weigert zes dagen per week te werken. Hij slaat haar als ze niet genoeg verdient. Vier maanden voor de aangifte op 1 mei 2006 heeft hij haar nog erger met een knuppel geslagen en moest zij daarna weer aan het werk. Zij deed dat ook. Om haar te dwingen in de prostitutie te blijven mishandelt hij haar hond
(8). Hij heeft die hond meermalen geslagen en geschopt, hem tegen de muur gegooid en een keer met een mes in de zij gestoken, wetend dat hij haar daardoor extra raakt
(8). Een tapgesprek tussen [slachtoffer 2] en haar tante [getuige 1] bevestigt dit
(36). Hij slaat haar vaak met zijn vuisten op haar hoofd waardoor zij bulten kreeg
(6). Met zijn platte hand op haar oren waardoor ze minder goed kan horen. En met een honkbalknuppel op haar bovenbeen met blauwe plekken tot gevolg. Op 27 april 2006 had [slachtoffer 2] ook verteld dat zij drie weken ervoor was weggelopen naar haar tante [getuige 1]. Hij heeft haar daarvandaan gehaald en haar thuis volledig in elkaar geslagen. Hij dwong haar te blowen omdat hij wist dat ze daarvan beroerd werd (6 en 1). [verdachte 2], als bodyguard werkzaam op de wallen in Amsterdam verklaart dat [slachtoffer 2] door haar pooier en vriendje [verdachte] is geslagen (13, 14). De raadsman heeft betoogd dat [slachtoffer 2] ongeloofwaardig is als getuige omdat ze heeft verklaard dat ze iedere dag is geslagen en bedreigd door verdachte., terwijl verdachte sinds september 2006 in Turkije verblijft. Dat verweer berust op een verkeerde lezing van bewijsmiddel
(3)waar [slachtoffer 2] verklaart dat zij het eerste jaar bijna elke dag werd geslagen Intimidatie, dreigende sfeer Daags na de aangifte van 1 mei 2006 spreken de politieagenten opnieuw met [slachtoffer 2]. Zij is bang voor [verdachte] en zijn vrienden. Hij heeft gezegd dat hij haar zal vinden en er wel zeven jaar voor zou willen zitten. Als zij 240.000 euro aan hem zou betalen, zou ze van hem af zijn. Hij had gedreigd haar dood te maken net als hij een andere vrouw had doodgemaakt. Die andere vrouw was volgens [slachtoffer 2] aan een overdosis overleden en omdat verdachte eens had geprobeerd haar zoveel te laten snuiven en zuipen dat ze er bij neer zou vallen, voelde zij zich door die uitlatingen van verdachte bedreigd
(9). Een sms-bericht en tapgesprekken geven steun aan het bewijs voor de angst van [slachtoffer 2] voor verdachte (30, 33, 34). Na de aangifte van 1 mei 2006 opnieuw uitbuiting Na de aangifte van 1 mei 2006 vindt verdachte [slachtoffer 2] opnieuw. Ze wordt permanent bewaakt en kan nergens naar toe zonder bewaking. Een bodyguard brengt haar naar een speciale taxi die haar ophaalt en wegbrengt naar de Zeedijk ( de rechtbank begrijpt: in Amsterdam). Van daaruit wordt zij naar haar kamer begeleid door een bodyguard
(1). In augustus 2007, na de diefstal van 8.000 euro die [slachtoffer 2] na haar terugkeer uit Turkije had verdiend
(15)komt er een einde aan de uitbuitingssituatie. Zoals [slachtoffer 2] op bladzijde 17 van haar verhoor bij de rechter-commissaris verklaart: “Dit was de laatste keer dat ik contact met die mensen heb gehad”
(1). Bedreigingen Tante [getuige 1] Tante [getuige 1] bevestigt de verklaringen van [slachtoffer 2] op diverse punten. Niet alleen verklaart zij over hetgeen [slachtoffer 2] is overkomen maar ook tante zelf is bedreigd en geïntimideerd door verdachtes broer en medeverdachte [medeverdachte 1] alias [medeverdachte 1]. [slachtoffer 2] verklaart daarover ook
(3). Zowel in de periode waarin verdachte in Nederland was, als wanneer hij in Turkije verbleef, bedreigde en intimideerde [medeverdachte 1] [slachtoffer 2] en later ook haar tante (1, 3, 4). Ook daardoor werd [slachtoffer 2] onder druk gezet en werd haar angst ingeboezemd voor repressie of repercussies jegens haar en haar familie (3,4). [getuige 1] als getuige [getuige 1] heeft, toen de politie haar op 13 september 2007 een inbeslaggenomen telefoon kwam terugbrengen, aan hen het trouwboekje van [slachtoffer 2] en verdachte alsmede een foto van verdachte overhandigd (16, 17 en pagina 46E/22887). Verder is er de verklaring van [getuige 1] zoals afgelegd bij de rechter-commissaris. Ook [getuige 1] verklaart dat [slachtoffer 2] na haar terugkomst uit Turkije weer in de prostitutie ging werken en al snel van haar geld was beroofd. [getuige 1] weet die gebeurtenis niet te dateren maar op basis van de aangifte van [slachtoffer 2] van augustus 2007 is dat in augustus 2007 geweest
(15). Medeplegen Voor een bewezenverklaring van het medeplegen van mensenhandel is vereist dat er tussen verdachte en zijn medeverdachte(n) een zekere mate van nauwe en bewuste samenwerking is geweest. Er moet bij verdachte (voorwaardelijk) opzet op
(1)het medeplegen van
(2)die mensenhandel hebben bestaan. De samenwerking kan blijken uit voorafgaande al dan niet stilzwijgende afspraken, taakverdelingen, de aanwezigheid ten tijde van het delict en het zich niet distantiëren ervan. Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. [medeverdachte 1] en verdachte spraken bewijsbaar telefonisch met elkaar over [slachtoffer 2] (19, 22). [medeverdachte 1] alias [medeverdachte 1] (“zijn grote broer”) en verdachte (alias [alias verdachte]) bedreigden haar beiden. Na haar vlucht in mei 2006 is het [medeverdachte 1] die tot vier keer toe bij haar tante aan de deur komt om haar te zoeken, waarbij hij één keer bedreigingen uit (1, 3, 4). Dit alles brengt de rechtbank tot de conclusie dat er tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] een bewuste en nauwe samenwerking was gericht op de uitbuiting van [slachtoffer 2], zodat medeplegen van mensenhandel bewezenverklaard zal worden. Zwaar lichamelijk letsel De officier van justitie heeft niet onderbouwd waar dit letsel uit heeft bestaan. Vermoedelijk is dat de tenlastegelegde abortus. Op basis waarvan bewezen zou kunnen worden verklaard op welke wijze [slachtoffer 2] daartoe is gedwongen of bewogen, is evenmin onderbouwd. De rechtbank vindt daarvoor geen bewijs en zal verdachte daarom van zowel dat feitelijk deel van de tenlastelegging als van dit (strafverzwarende) bestanddeel vrijspreken. Dat laat onverlet dat de rechtbank wel vaststelt dat er een abortus heeft plaatsgevonden, welke vaststelling zoals hiervoor is overwogen, van belang is voor de bewezenverklaring van het feit dat [slachtoffer 2] is bewogen tijdens ziekte te werken. Betrouwbaarheidsverweer De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 2] niet als bewijsmiddel gebruikt mogen worden omdat zij als getuige ongeloofwaardig is. In de kern komt het betoog van de raadsman op het volgende neer. De onbetrouwbaarheid is het gevolg van beïnvloeding van [slachtoffer 2] door pers, politie en openbaar ministerie en van haar naar eigen zeggen ontoerekeningsvatbaarheid / psychiatrische behandeling /drugsverslaving. De onbetrouwbaarheid blijkt uit de tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van [slachtoffer 2] en ander bewijsmateriaal uit het dossier. De vraag die de rechtbank in het licht van dit verweer moet beantwoorden is hoe zij [slachtoffer 2] als getuige waardeert. De rechtbank heeft bij die waardering de verklaringen van [slachtoffer 2] getoetst op innerlijke consistentie tussen en in haar eigen verklaringen en op consistentie in samenhang met het overige bewijs. De rechtbank heeft daarbij gelet op de consistentie van de kern van de verklaring voor zover die in relatie tot de tenlastelegging van belang is. Dat [slachtoffer 2] moeite heeft gebeurtenissen in de tijd te plaatsen, wijt de rechtbank aan de omstandigheden waaronder zij een aantal jaren heeft geleefd, waarbij ook haar drugsgebruik een rol gespeeld zou kunnen hebben. Daarbij komt dat zij veelvuldig is gehoord en dat zij na aangiftes of meldingen bij de politie weer in de macht van verdachte en/of zijn medeverdachte kwam. Voor zover [slachtoffer 2] niet eenduidig heeft verklaard over zaken die slechts zijdelings verband houden met het ten aanzien van haar tenlastegelegde, hecht de rechtbank minder belang aan de gestelde tegenstrijdigheden. Uiteraard ook al omdat de rechtbank als feitenrechter de bewijsmiddelen mag waarderen. De rechtbank gaat er daarbij, anders dan de raadsman, niet zonder meer van uit dat alles wat andere getuigen in al dan niet ogenschijnlijke strijd met [slachtoffer 2] verklaren, wáár is. Als voorbeeld geldt de verklaring van [slachtoffer 2] over [naam] en [naam]. De raadsman heeft van deze vrouwen verklaringen overgelegd waaruit zou blijken dat [slachtoffer 2] niet de waarheid spreekt. De rechtbank ziet niet hoe een mogelijke discrepantie tussen die verklaringen het zo verstrekkende gevolg kan hebben dat de verklaringen van [slachtoffer 2] als geheel als onbetrouwbaar bestempeld zouden moeten worden (en bijvoorbeeld niet die van [naam] of [naam]). Hetzelfde geldt voor de (vele) andere voorbeelden die de raadsman ter onderbouwing van zijn stelling aanvoert. De rechtbank vindt het volgende van belang voor een waardering van de verklaringen van [slachtoffer 2]. Bij haar verhoor bij de rechter-commissaris op 29 januari 2010 verklaart zij dat zij bij de politie steeds de waarheid heeft gesproken. Over de keer dat ze heeft verklaard toen ze net in het ziekenhuis lag, weet ze niet meer wat ze toen heeft gezegd en daarom ook niet of dat de waarheid was. In haar woorden was ze toen ontoerekeningsvatbaar. Het is niet vast te stellen op welke verklaring de getuige doelt. In aanmerking komen de volgende verklaringen: de op 1 mei 2006 in de ambulance tijdens de rit van [plaats] naar het ziekenhuis tegenover de meerijdende verbalisant afgelegde verklaring zoals gerelateerd in het daarvan opgemaakte proces-verbaal van 4 mei 2006, pagina 46E/22532; de op 1 mei 2006 na de opname en onderzoek door het medisch personeel in het ziekenhuis tegenover twee verbalisanten afgelegde verklaring zoals gerelateerd in het daarvan opgemaakte proces-verbaal van 4 mei 2006, pagina 46E/22533en 22534; de op 1 mei 2006 om 18:30 uur opgenomen aangifte die [slachtoffer 2] zelf blijkens de tekst van het daarvan opgemaakte proces-verbaal van 2 mei 2006 heeft doorgelezen, pagina 46E/22536, 22537 en 22538; de op 2 mei 2006 omstreeks 11:30 uur in het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam afgelegde verklaring zoals die is gerelateerd in het proces-verbaal van 2 mei 2006, pagina 46E/22542 en 22543. Hoewel de getuige zelf niet meer weet wat ze in het ziekenhuis heeft gezegd, en dus ook niet of het de waarheid was, leidt de rechtbank uit de consistentie tussen de ziekenhuisverklaring en haar overige verklaringen af dat zij ook in het ziekenhuis naar waarheid heeft verklaard. Er is nog een moment waarop [slachtoffer 2] vraagtekens plaatst bij haar eigen verklaring. Op 27 augustus 2007 wordt [slachtoffer 2] gehoord in verband met een diefstal van geld (pagina 46E/22877 t/m 22884). Uit dat proces-verbaal blijkt dat [slachtoffer 2] sinds twee weken terug is uit Turkije en vervolgens weer in de prostitutie is gaan werken en is gaan wonen bij [betrokkene 10]. Vanuit die woning is 8.000 euro weggenomen. Verder blijkt dat [slachtoffer 2] opstandig is en eigenlijk niets wil verklaren wat wordt opgenomen en eventueel bij [medeverdachte 1] kan belanden. Zij bestempelt zichzelf als (op dat moment) ontoerekeningsvatbaar, ze loopt bij een psychiater. Zij verklaart verder dat zij de vorige keer ook niet is beschermd. Daarmee doelt zij op de mishandelingen op 1 mei 2006. Dat kan afgeleid worden uit het volgende. Zij verklaart dat ze toen met een baseballknuppel in elkaar is geramd en dat als bewijsmateriaal haar telefoon is opgehaald die ze nog steeds niet terug heeft. In samenhang daarmee is er het proces verbaal van 18 september 2007, pagina 46E/22897, zonder bijlagen, ook te vinden op pagina 6B/2369 e.v. met bijlagen. Uit dat proces-verbaal leidt de rechtbank af dat de op 1 mei 2006 inbeslaggenomen mobiele telefoon(
  1. s)(pas) in augustus 2007 is/zijn onderzocht en uitgelezen en dat (één van) die mobiele telefoon(
  2. s)op 13 september 2007 aan de [getuige 1] is teruggegeven (pagina 46E/22886). In haar verhoor bij de rechter-commissaris op 17 februari en 3 maart 2010 zegt [slachtoffer 2] dat ze in augustus 2007 uit boosheid heeft verklaard dat ze ontoerekeningsvatbaar was. Boos, omdat de politie haar eerder had laten zitten en haar toen op 27 augustus geen garanties kon geven. De rechtbank acht dat een plausibele verklaring. Concluderend acht de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer 2] betrouwbaar en gebruikt deze daarom voor het bewijs. Bewijsconstructie rechtbank [slachtoffer 2] Het proces-verbaal van de rechter-commissaris van het verhoor van getuige [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum], van 29 januari 2010, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Als u mij vraagt of ik in de prostitutie heb gewerkt, dan zeg ik niet gewerkt, gedwongen. Ik ben volgens mij begonnen te werken in de prostitutie toen ik 22 was. Ik kwam [verdachte] tegen en ik werd verliefd op hem. Hij noemde zich [verdachte]. Toen ik éénmaal seks met hem had gehad moest ik meteen werken. Ik moest soms werken van ’s ochtends tot ’s avonds laat. Als u mij vraagt wat ik bedoel met “soms”, dan zeg ik, dat ik in het begin nog niet wist hoe ik het geldbedrag moest verdienen en dan had ik niet genoeg, dan moest ik langer doorwerken. Ik moest duizend euro per dag verdienen van [verdachte]. Als ik niet voldoende had verdiend werd ik geslagen met een baseball knuppel door hem, zodat ik weer aan het werk zou gaan en het bedrag zou verdienen. Ik ben ook bedreigd door zijn broer. Als u mij vraagt hoe dat de eerste keer in zijn werk ging, dan zeg ik dat [verdachte] en de meisjes die daar al werkten een kamer hadden geregeld. Ze hadden gelijk een vaste kamer voor mij en deze was al betaald. [verdachte] zei dat ik moest gaan werken en dat ik daar niets over te zeggen had. Ik ben door een aantal meisjes, ik herinner mij [betrokkene 8], meegenomen naar een kamer. Zij hebben mij wel uitgelegd wat ik moest gaan doen. Overal werkten meisjes van hen. Je mocht alleen praten met een meisje van de dichtst bijzijnde broers. Als u mij vraagt hoe ik wist met welke meisjes ik mocht praten, dan zeg ik dat die meisjes bij ons woonden. Bij ons is in [plaats]. We verbleven niet alleen in [plaats], maar soms ook elders. Meestal verbleef ik bij [betrokkene 8]. Het geld dat ik verdiende moest ik meteen aan [verdachte] afgeven als ik thuis kwam. Als het niet genoeg was, sloeg hij mij in elkaar. Ik had regelmatig blauwe plekken. Ook als ik blauwe plekken had, moest ik de volgende dag werken. Deze werden dan gecamoufleerd met make-up. [betrokkene 8] deed dat. Ik heb ook een keer een abortus ondergaan en de dag nadat de abortus is uitgevoerd moest ik weer werken. Ik bloedde nog. Als u mij vraagt wat ik gemiddeld per dag verdiende, dan zeg ik dat ik in het begin nog niet zo goed was. Ik verdiende toen tussen de vijfhonderd en zeshonderd per dag. Aanvankelijk werkte ik van tien uur ’s ochtends tot vier á vijf uur ’s nachts, wel met een pauze natuurlijk. Later, toen ik er achter kwam dat ik kon stelen van klanten en geleerd had hoe dat ging werkte ik van zeven uur ’s avonds tot vijf á zes uur ’s ochtend. Als u mij vraagt wie de werktijden bepaalde, dan zeg ik: “Hij”. Soms was het door de week heel slecht overdag. Daarom hebben die meisjes mij ook geleerd te stelen, want ik was ’s ochtends te moe, overbelast. Als ik daar iets over zei dan schreeuwde hij dat hij naar mij toe zou komen. Hij zei dat hij mij zou vermoorden als ik niet deed wat hij wou. En dan ging ik weer verder met werken. Als u mij vraagt welke dagen van de week ik werkte, dan zeg ik dat ik van maandag tot zondag werkte. Ik was af en toe wel een dag vrij, maar eigenlijk werkte ik het liefst elke dag en was ik niet thuis met hem, omdat hij zo gewelddadig was. Ik heb gewerkt tot mijn vijfentwintigste. Ik heb ongeveer drie jaar gewerkt. Als u mij vraagt wat de aanleiding was om te stoppen, dan zeg ik het volgende. [verdachte] had een vals paspoort. Dat was van een man in Duitsland, met wie hij had afgesproken dat hij diens naam mocht gebruiken. In Turkije ben ik gedwongen getrouwd met [verdachte], zodat hij een Nederlands paspoort zou krijgen. Zijn paspoort was namelijk verlopen of zoiets, hij kon niet terug naar Nederland. Zijn broer wel, ik bedoel dan zijn grote broer en ik wil liever geen naam noemen. Nadat ik door [verdachte] in elkaar ben geslagen en hij mij bijna heeft vermoord, heb ik direct daarna aangifte gedaan bij de politie. Hij heeft mij toen weer gevonden. Ze hebben me toen bewaakt en ik kon nergens meer naar toe zonder bewaking. Ik werd door een bodyguard van en naar een speciale taxi gebracht die mij ophaalde en wegbracht. Een Turkse taxi bracht ons naar de Zeedijk. Van daaruit werden wij naar onze kamer begeleid door een bodyguard. We zijn toen naar Turkije geweest en toen ben ik met [verdachte] getrouwd. Op een gegeven moment moest ik natuurlijk wel weer aan het werk. Het geld was weer op. Ik ben toen teruggevlogen naar Nederland en door een andere broer, [broer verdachte], opgehaald. Ik was bij [betrokkene 10] in huis en toen zij weg moest en ik alleen thuis bleef, kon ik wegkomen. Ik heb mijn koffers gepakt en ben naar mijn tante gegaan. [betrokkene 10] had mijn geld meegenomen naar Turkije gaan. De broer van [verdachte] zat op mij te azen, maar hij had ook problemen in Nederland. Ik heb het dan over zijn grote broer. Ik bedoel daarmee [medeverdachte 1]. Ze zijn meerdere keren bij mijn tante aan de deur geweest. Ik bedoel dan [medeverdachte 1]. Hij heeft gedreigd mijn tante in de fik te steken. Hij kwam niet alleen aan de deur. Er waren andere mensen bij. Mijn tante heeft tegen mij gezegd dat het er meer waren. Ik heb ze niet gezien. Ik heb mij toen verstopt in de huiskamer. Mijn tante heeft de deur opengelaten, dus ik hoorde ze wel praten. Mijn tante heeft mij alles verteld toen zij weer in de kamer kwam. [verdachte] bedreigde mij elke dag. Dan zei hij dat ik beter mijn best moest doen. Ik moest seks met hem hebben wanneer hem dat uitkwam. Ik moest zoveel uur werken per dag. Als ik dat niet zou doen sloeg hij met een ijzeren staaf op mijn handen. Ook sloeg hij met de vlakke hand op mijn schaamstreek. Hij deed ook sadistische dingen. Hij stopte een fles Wodka in mijn vagina. Hij bond mij vast. Hij sneed mij met een mes. Hij sloeg mij met een baseballknuppel op mijn hoofd, mijn bovenbenen, mijn handen en mijn middenrif. Ik heb vier gebroken ribben gehad. Hij sloeg mij ook met de baseballknuppel op mijn vagina. Als ik op de grond lag trapte hij mij. Als u mij vraagt hoe vaak ik werd geslagen met een baseballknuppel dan zeg ik dat ik mij dat niet herinner. Het was bijna elke dag. Ik mocht alleen omgaan met meisjes van de groep. Ik had heel vaak telefonisch contact met [verdachte] tijdens het werk. Als hij belde, vroeg hij of ik aan het werk was en of ik genoeg had verdiend. Soms was ik zo moe, dat ik hem vroeg of ik mocht stoppen. Hij reageerde daar agressief op. Soms belde ik om met hem te slijmen en te lijmen, zodat ik geen slaag kreeg en hij mij lief zou vinden. Hij dreigde mij met een overdosis coke om het leven te brengen. Hij zei dat ik toch maar een hoer was en dat niemand dat erg zou vinden. Ik kan niet tegen weed en hij liet mij wel eens weed roken. Hij dwong mij ertoe, hij zei op dwingende toon: “roken”. Foto 5, 53 (de rechtbank stelt vast: [verdachte]). De man op deze foto is [verdachte]. Ik kende hem ook als [verdachte]. Foto 57 is een foto van [verdachte] en mij samen, maar je kunt mij niet zo goed zien. Foto 11 (de rechtbank stelt vast: [verdachte 3]).De man op deze foto was onze taxichauffeur. Hij heet [verdachte 3]. Hij was ook werkzaam voor hun. Als je iets deed dan vertelde hij dat door. Ik ben wel eens weggelopen en dan vertelde hij waarheen. Ze vonden me dan en hebben me in elkaar geslagen. Dat was één keer. Ik ging toen naar een huis van mijn tante. Hij bracht mij daar naartoe. Hij werd door hun, [verdachte] en z’n grotere broer betaald. Foto 13 (de rechtbank stelt vast: [medeverdachte 1]). Dit is de grote broer. Als u mij vraagt of hij wist dat ik voor [verdachte] werkte, dan zeg ik: “Natuurlijk”. Het is zijn broer. Hij wist alles. Ik wil liever niet over hem verklaren. Als u mij vraagt waarom niet, dan zeg ik dat ik bang ben voor hem. Als u mij vraagt waarom ik bang ben voor hem, dan zeg ik dat hij tien keer erger is dan [verdachte]. Hij heeft mij bedreigd en ook geslagen. Hij heeft mij gezegd dat hij mij afmaakt, als er iets gebeurt met zijn broer en hij maakt mij af. Ik vind hem gevaarlijk. Ik heb niet bijgehouden wanneer hij mij bedreigd heeft, dat is meerdere keren geweest. Je wordt op een gegeven moment zo vaak bedreigd dat het een gewoonte begint te worden. Hij heeft mij geslagen toen ik in [plaats] woonde. Ik denk dat het ongeveer vierenhalf jaar geleden is geweest. Foto 15 (de rechtbank stelt vast: [verdachte 2]). De man op deze foto is [verdachte 2], dat was een bodyguard. Dat was mijn bodyguard. [verdachte 2] wist dat ik voor [verdachte] werkte. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris van het verhoor van getuige [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum], van 3 februari 2010, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: U toont mij de foto’s van de vrouwen. Ik heb meerdere keren periodes met [betrokkene 8] op één kamer gewerkt. Ik moest van [betrokkene 8] leren hoe ik geld kon maken zonder seks te hebben met klanten en hoe ik zoveel mogelijk geld kon maken en pikken van de klanten. Door de vrouw op foto 42 (de rechtbank stelt vast: [betrokkene 11]) heb ik een flink plak slaag gekregen. We deden het gordijn wel eens dicht en dan gingen we met elkaar babbelen met een drankje erbij. Een keer was [verdachte] via een andere kamer bij mij in de kamer gekomen, waar ik net met haar aan het drinken en giechelen was, met het gordijntje dicht. Dat mocht helemaal niet. Het was niet de bedoeling dat je ging praten. Je moest werken. Ik heb toen flink met de baseball knuppel gehad omdat zij mij had afgeleid. Ik kreeg klappen op mijn hoofd en op mijn benen. 3. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris van het verhoor van getuige [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum], van 17 februari en 3 maart 2010, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik heb in Amsterdam en in Utrecht in de prostitutie gewerkt. Ik ben door [verdachte] en [medeverdachte 1] gedreigd met slechte gevolgen als ik zou praten met de politie. Toen [medeverdachte 1] aan de deur kwam, heeft hij zich aan mijn tante voorgesteld als de broer van mijn broeder. Ik voeg daaraan toe dat hij [verdachte] zei. Nadat hij weg was beschreef mijn tante de persoon aan de deur aan mij. De beschrijving paste bij [medeverdachte 1]. Ik heb hem ook horen spreken aan de deur. Ze heeft ook foto’s van [verdachte] aan de politie gegeven. Deze foto’s heeft mijn tante gezien voordat [medeverdachte 1] aan de deur kwam. Deze foto’s zaten in het trouwboek dat ik mee heb gekregen uit Turkije. Als u mij vraagt hoe vaak ik geslagen ben met een baseballknuppel, dan zeg ik bijna elke dag, zeg maar van het eerste jaar elke dag. Toen ik beter ging verdienen werd het beter. Een paar keer heb ik 200 of 300 euro verdiend, maar dan kreeg ik de ergste klappen. Op een gegeven moment was 800 euro ook niet meer genoeg. De auto’s moesten betaald worden en ik moest de huur van [plaats] betalen. U houdt mij voor dat ik verklaard heb dat [verdachte] wel eens in Turkije was en vraagt mij of ik in deze periode ook mijn geld moest afstaan en zo ja, hoe dit ging. Ik werd de hele tijd begeleid door bodyguards. Zijn broer [medeverdachte 1] was ook in Nederland om mij onder controle te houden. Ik gaf het geld aan [naam] abi waar ik op dat moment verbleef. [naam] abi stuurde het naar Turkije. Met onder controle houden bedoel ik dat ik nergens alleen naartoe ging. Ik had overal en altijd begeleiding. Er was altijd een man/bodyguard bij aanwezig. Dit kon ook [medeverdachte 1] zijn. We hadden eigen taxi’s. We mochten niet met de normale taxi’s reizen. Ze hebben ook tegen mij gezegd, dat wanneer ik een keer gepakt zou worden ik niets moest zeggen, gewoon volhouden. Ze hebben mij ook voorgehouden dat ze mij konden vasthouden. Als ik nu nog bij hun zou zijn geweest had ik dit alles ook niet verklaard, maar ik ben nu gelukkig vrij. Als u mij vraagt of [medeverdachte 1] wist van de abortus die ik heb ondergaan, dan zeg ik: “Ja”. Ik heb [medeverdachte 1] en [verdachte] daar samen over horen praten over de telefoon. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris van het verhoor van getuige [getuige 1] van 20 april 2010, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Hij belde regelmatig nadat hij en [slachtoffer 2] uit elkaar waren. Met “hij” bedoel ik haar man, de man van [slachtoffer 2]. Hij vroeg dan waar [slachtoffer 2] was. Dit was in de periode waarin ze bij hem weg was. Tijdens één van deze gesprekken heb ik hem verteld dat [slachtoffer 2] verslaafd was en hem gevraagd of hij haar daar niet vanaf kon helpen. Toen heeft hij haar over laten komen naar Turkije. Ze is in Turkije geweest en daarna moest ze al weer voor hem werken. Ze moest weer de hoer voor hem spelen. Ze kwam niet meer bij mij thuis terug, alleen om de koffers neer te zetten. Ze was gelijk weer weg. Zijn broer heeft haar toen opgehaald Na twee weken kwam ze bij me en vertelde dat ze achtduizend euro had verdiend. Ze zei dat ze het had weggelegd en dat ze het zou sparen. Toen ze terugging waren die achtduizend euro weg. Ze was heel erg boos en kwam weer bij mij. Ze vertelde dat ze die achtduizend euro hadden weggepakt en dat ze die niet meer terugkreeg. Toen is ze bij die broer weggegaan. Daarna werd ze bedreigd. Ze was dan aan het schreeuwen aan de telefoon. Ze heeft mij niet verteld wie er aan de telefoon was, maar nadat ze het telefoongesprek beëindigd had, belde ze haar man op. Zij schreeuwde dan tegen haar man dat zijn broer haar zo bedreigde. Ze was bang voor zijn broer. Die broer is ook aan de deur geweest bij mij. Daardoor wist ik dat het de broer was van de man van [slachtoffer 2]. Ze kwamen altijd met z’n vieren. Ze kwamen met z’n tweeën aan de deur en twee bleven er in de auto. Dit laatste hoorde ik van de buren. Hij, de broer van de man van [slachtoffer 2], zei tegen mij dat hij [slachtoffer 2] zou laten afmaken. Hij zei dat hij het niet zelf deed als hij iemand dood wilde schieten, maar dat hij dat liet doen. Ik heb thuis foto’s van de man van [slachtoffer 2], maar geen foto’s van zijn broer. U houdt mij voor dat ik heb verklaard over vier mannen die aan de deur kwamen en vraagt mij hoe vaak dit is gebeurd. Dit is een keer of vier gebeurd. Dit was in de periode waarin [slachtoffer 2] bij mij thuis was en zij niet meer voor hem wilde werken. Een keer hebben bedreigingen geuit, de andere drie keren kwamen zij aan de deur om te vragen waar [slachtoffer 2] was. Toen [slachtoffer 2] door haar man zodanig is geslagen dat ze daardoor in het ziekenhuis kwam, heb ik haar bezocht in het ziekenhuis. Hij had haar gezicht helemaal kapot geslagen. Ze zag er vreselijk uit. Hij had haar over het lichaam met een riem geslagen. Zij had daarvan striemen. Ze is nog kunnen vluchten en toen heeft ze gebeld met de politie. Die heeft haar opgehaald. Dit was in [plaats]. Als u mij vraagt of ik er met haar over heb gesproken, dan zeg ik dat [slachtoffer 2] mij er over verteld heeft. Zij heeft ook aangifte gedaan. [slachtoffer 2] heeft mij ook verteld dat hij een fles in haar onderlichaam had geduwd. Dit staat los van hetgeen ik hierboven heb verteld. Met “[verdachte]” bedoelde [slachtoffer 2] haar man. Hij had een rare naam volgens haar. Zo heette hij volgens haar. Zij zei dat dat zijn echte naam was, alleen “[verdachte]”. Als haar man belde, zei hij altijd: “Met de man van [slachtoffer 2]”. 5. Het proces-verbaal van bevindingen van 16 maart 2006, pagina 46E/22515 e.v. voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven: Wij hebben op 16 maart 2006 omstreeks 22.55 uur een bezoek gebracht aan [adres] te Amsterdam, het werkadres waar [slachtoffer 2] als prostituee werkzaam was. [slachtoffer 2] gaf aan dat ze wel wilde stoppen maar dit niet kon omdat ze enorm bang was dat haar pooier haar zou zoeken. Zij verklaarde dat de groep rondom haar, haar overal wel konden vinden. De pooier van [slachtoffer 2] is [alias verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]. Zij wilde absoluut niet verklaren tegen haar pooier [alias verdachte]. Duidelijk waarneembaar was dat zij erg bang was. Ze was schrikkerig, keek voortdurend angstig om zich heen en zei steeds niet te kunnen praten omdat “zij” het anders konden horen. Ze stond steeds op, huilde af en toe en zweette erg. 6. Het proces-verbaal van bevindingen van 26 mei 2006, pagina 46E/22522 e.v. voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven: Op 27 april 2006 kwam [slachtoffer 2] aan het politiebureau in [plaats]. Zij was zeer emotioneel en huilde. Zij riep dat zij aangifte wilde doen en naar een Blijf-van-mijn-lijfhuis wilde. Zij verklaarde het volgende. Ik heb een relatie met [verdachte]. Ik werd verliefd op hem. Ik weet dat zijn broer [medeverdachte 1] heet. Ik woon bij hem in een bungalow in [plaats]. Toen ik een relatie met hem kreeg ben ik in de prostitutie gaan werken in Amsterdam. Ik werd op een gegeven moment door [verdachte] gedwongen. Hij zei dan dat ik dit werk nog een jaartje moest doen en dan mocht stoppen. Ik verdien 600 a 700 euro per dag en moet dat aan hem afgeven. Ik houd helemaal niets over. [verdachte] is altijd bij mij en als ik aan het werk ben zijn er een soort bodyguards die mij bewaken. Als ik naar mijn werk moet word ik opgehaald door een snorder, [naam]. Ik heb lichamelijke klachten van het werk: veel last van buikpijn en ik word heel vaak geslagen door [verdachte]. Laatst met een honkbalknuppel op mijn bovenbeen, hierdoor had ik enorme blauwe plekken. Ook sloeg hij mij vaak met zijn vuisten op mijn hoofd, waardoor ik enorme bulten kreeg en met zijn platte hand op mijn oren waardoor ik nu minder goed kan horen. Hij schopt en slaat mijn hond regelmatig omdat hij weet dat hij mij hiermee pijn doet. Vandaag heeft hij mij meermalen geslagen tegen mijn hoofd met zijn vuisten. Ik voelde pijn. Hij heeft me meermalen bedreigd dat hij me een overdosis drugs zou toedienen als ik bij hem weg zou gaan. Drie weken geleden ben ik weggelopen naar tante [ge

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.