GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.123.538/01 (zaaknummer rechtbank Zwolle-Lelystad 597267 CV 12-599) arrest van de tweede kamer van 26 november 2013 in de zaak van JPR Advocaten Coöperatief U.A., gevestigd te Deventer, appellante, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: JPR, advocaat: mr. A.M.T. Weersink, kantoorhoudend te Doetinchem, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats], geïntimeerde, in eerste aanleg: eiser, hierna: de curator, advocaat: mr. P.M. Gunning, kantoorhoudend te Velp (Gld). 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 23 augustus 2012 en 29 november 2012 van de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Deventer (hierna: de kantonrechter). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 26 februari 2013, - de memorie van grieven (met producties), - de memorie van antwoord (met producties), - een antwoordakte. 2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2.3 De vordering van JPR luidt: "Dat het gerechtshof behage bij arrest, alsdan op nader aan te voeren gronden, te vernietigen de vonnissen op 23 augustus 2012 en 29 november 2012 door de Rechtbank Oost-Nederland, sector kanton, locatie Deventer, tussen partijen gewezen en opnieuw rechtdoende, geïntimeerde in zijn vordering zoals in eerste aanleg gevorderd, niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van geïntimeerde in de kosten van de procedure in beide instanties, op voorhand te begroten nasalaris en de wettelijke rente op de voet van artikel 119 van boek 6 BW over alle proceskosten vanaf 14 dagen na het ten deze te wijzen arrest daaronder begrepen". 3. De feiten 3.1 Als gesteld en niet weersproken en als blijkende uit de overgelegde producties, staan de volgende feiten tussen partijen vast. 3.2 Maatmetaal Arnhem B.V. (hierna Maatmetaal) is bij vonnis van 8 februari 2011 van (destijds) de rechtbank Arnhem in staat van faillissement verklaard met de aanstelling van geïntimeerde tot curator. 3.3 Voorafgaand aan het faillissement zijn, in opdracht en ten behoeve van Maatmetaal, werkzaamheden verricht door een of meer van de advocaten van JPR werkzaamheden. Dit in verband met de financiële problemen waarin Maatmetaal verkeerde. Uit hoofde van die werkzaamheden had JPR van Maatmetaal een bedrag te vorderen van € 6.000,-. 3.4 De dag voorafgaand aan haar faillissement (7 februari 2011 te 15:53:09 uur) heeft Maatmetaal door middel van elektronisch bankieren ten laste van haar bankrekening (nr. 1557.32.099) bij de Rabobank Graafschap-Midden (hierna: Rabobank) onder meer een opdracht gegeven tot betaling van € 6.000,- aan JPR op haar ING-rekening 066.48.11.116. Het saldo van de rekening van Maatmetaal bedroeg na de betaling aan JPR € 6.643,68 credit. 3.5 De rekening van Maatmetaal is op 7 februari 2011 gedebiteerd voor de betaling aan JPR. De rekening van JPR is op 8 februari 2011 gecrediteerd voor die betaling. 4. Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 4.1 De curator vordert betaling door JPR van € 6.000,- te vermeerderen met rente en kosten. Hij stelt dat de betaling door Maatmetaal aan JPR nog niet was voltooid vóór het faillissement, zodat het genoemde bedrag op het moment dat het faillissement werking kreeg het vermogen van Maatmetaal nog niet had verlaten. JPR dient dit bedrag daarom terug te betalen. JPR bestrijdt dit. Zij stelt dat door de debitering op 7 februari 2011 het bedrag van € 6.000,- het vermogen van Maatmetaal had verlaten en dat Maatmetaal of de Rabobank dit niet meer ongedaan kon maken. 4.2 De kantonrechter heeft de vordering toegewezen en daartoe overwogen dat de Rabobank bij aanvang van de dag van faillietverklaring van Maatmetaal nog niet alle handelingen ter effectuering van de aan haar door Maatmetaal gegeven betaalopdracht had verricht. De curator kon daarom op grond van artikel 23 Fw terugbetaling vorderen. 4.3 De grieven 4.3.1 De drie grieven strekken er alle toe dat de curator geen terugbetaling van het betaalde bedrag van € 6.000,- van JPR kan vorderen en worden daarom gezamenlijk beoordeeld. 4.3.2 Het hof overweegt het volgende. Op grond van artikel 6:114 lid 2 BW vindt girale betaling plaats “op het tijdstip waarop de rekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd”. Op dat moment gaat de verbintenis tot betaling van een geldsom te niet en is in de verhouding tussen schuldenaar en schuldeiser sprake van betaling. Maatmetaal beschikte op het moment dat zij opdracht gaf tot betaling aan JPR over een creditsaldo op haar rekening bij Rabobank (een vordering op Rabobank). De vraag of de curator een door Maatmetaal vóór de aanvang van de dag van faillietverklaring gegeven (maar na dat moment voltooide) betalingsopdracht kan terugdraaien, in de zin dat hij van JPR terugbetaling van het betaalde bedrag kan vorderen, dient te worden onderscheiden van de vraag of betaling heeft plaats gevonden (de verbintenis ter voldoening waarvan de betaling strekt is voldaan). 4.3.3 Door haar faillietverklaring op 8 februari 2011 verloor Maatmetaal van rechtswege de beschikkingsbevoegdheid over haar vermogen met ingang van de aanvang (00:00 uur) van die dag (artikel 23 Fw). De voordien op 7 februari 2011 door Maatmetaal gegeven betalingsopdracht is echter bevoegd gegeven. 4.3.4 De Hoge Raad heeft in zijn arrest Vis q.q./NMB (HR 31 maart 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0705, NJ 1990, 1) ten aanzien van girale betalingen overwogen dat het beginsel van art 23 Fw meebrengt dat de curator het giraal betaalde bedrag kan terugvorderen, als “de bank waaraan de overboekingsopdracht werd gegeven, bij aanvang van de dag van de faillietverklaring nog niet alle handelingen heeft verricht, die zij als opdrachtnemer van de schuldenaar ter effectuering van de betaling aan diens schuldeiser gehouden was te verrichten”. 4.3.5 De zaak die leidde tot het arrest Vis q.q./NMB onderscheidt zich van de onderhavige zaak doordat: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.