GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Leeuwarden nummers 13/00495 en 13/00496 uitspraakdatum: 3 december 2013 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst Noord, kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 5 maart 2013, nummer AWB 11/2658 en AWB 11/2659, in het geding tussen Inspecteur en [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 met dagtekening 24 december 2010 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.189 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.741 (hierna: de aanslag 2008). Met dagtekening 26 maart 2011 is aan belanghebbende voor het jaar 2008 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.245 (hierna: de navorderingsaanslag 2008). Bij de navorderingsaanslag 2008 is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van €
(2002)een code was veranderd. Ik kan mij niet meer herinneren wat voor een code of in welke context. (…) Ik heb tegen [de gemachtigde van belanghebbende] gezegd dat ik het me niet kon voorstellen dat een collega van mij in 2002 het advies zou hebben gegeven dat de huurinkomsten niet vermeld hoefde te worden in de aangifte IB van [belanghebbende]. Ik heb hem vervolgens gevraagd naar een naam van deze collega. Een naam kom [de gemachtigde van belanghebbende] echter niet noemen. Vervolgens heb ik in het Belastingdienstsysteem IKB gezocht naar historische gegevens waaruit zou kunnen blijken dat er een dergelijk gesprek plaatsgevonden had. Ik heb gezien dat er een gesprek geweest is met een collega. Van dit gesprek zijn aantekeningen gemaakt. Ik heb geconstateerd dat er geen toezeggingen zijn gedaan m.b.t. de huurinkomsten van [belanghebbende]. Vervolgens heb ik uit het belastingarchief alle relevante informatie opgevraagd waaruit zou kunnen blijken dat er inderdaad een toezegging is geweest zoals [de gemachtigde van belanghebbende] beweert. Ook in de door mij ontvangen archiefstukken blijkt dit niet.” 3Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1 In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de volgende vragen: 1e. Heeft de Inspecteur afstand gedaan van zijn recht om hoger beroep in te stellen? 2e. Heeft de Inspecteur bij de vaststelling van de aanslag 2008 en de aanslag 2009 een fout gemaakt die navordering verhindert? 3e. Heeft de Inspecteur bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat de waarde van het bedrijfspand voor de jaren 2008 en 2009 tot de grondslag sparen en beleggen zou worden gerekend? 3.2 De Inspecteur beantwoordt de vragen ontkennend. Belanghebbende beantwoordt de vragen bevestigend. 3.3 Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting. 3.4 De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en tot ongegrondverklaring van het beroep. 3.5 Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraken van de Rechtbank. 4Beoordeling van het geschil Met betrekking tot de eerste in geschil zijnde vraag 4.1 In het verweerschrift in hoger beroep stelt de gemachtigde van belanghebbende: “De aanslagen 2008 en 2009 zou worden voorgelegd aan de meervoudige belastingkamer [van de Rechtbank] en die zou gerespecteerd worden. Het is voor [de gemachtigde van belanghebbende] dan ook verrassend dat er hoger beroep is ingesteld”. Desgevraagd heeft de gemachtigde van de belanghebbende ter zitting van het Hof verklaard dat hij hiermee heeft bedoeld te zeggen dat de Inspecteur ter zitting van de Rechtbank afstand heeft gedaan van het recht hoger beroep in te stellen althans bij belanghebbende de verwachting heeft gewekt dat hij geen hoger beroep zou instellen. Dienaangaande overweegt het Hof het volgende. 4.2. Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust, heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van zijn stelling door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de Inspecteur zijn recht om hoger beroep in stellen heeft prijsgegeven noch dat de Inspecteur een uitlating heeft gedaan op grond waarvan belanghebbende mocht verwachten dat de Inspecteur geen hoger beroep zou instellen. Bij dit oordeel neemt het Hof in aanmerking dat in het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de Rechtbank geen gewag wordt gemaakt van een uitlating van de Inspecteur waaruit kan worden opgemaakt dat de Inspecteur afstand heeft gedaan van het recht om hoger beroep in te stellen of waaraan de belanghebbende in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat de Inspecteur geen hoger beroep zou instellen wanneer de Rechtbank belanghebbende in het gelijk zou stellen. 4.3 Gelet op hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen, beantwoordt het Hof de eerste in geschil zijnde vraag ontkennend. Met betrekking tot de tweede in geschil zijnde vraag 4.4 Ingevolge artikel 16, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), voor zover hier van belang, kan de inspecteur, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, de te weinig geheven belasting navorderen. Hierop bestaat de uitzondering dat een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, geen grond voor navordering kan opleveren (hierna: het nieuwfeitvereiste). Het nieuwfeitvereiste is, naar volgt uit het laatste zinsdeel van artikel 16, lid 1, van de AWR, niet van toepassing indien de belastingplichtige te kwader trouw was ter zake van het feit op grond waarvan de inspecteur navordert. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende te kwader trouw was in de zo-even bedoelde zin. 4.5. De Hoge Raad heeft op het nieuwfeitvereiste, naast de onder 4.4 genoemde, in de wet voorziene uitzondering voor het geval dat de belastingplichtige te kwader trouw was ter zake van het feit waarop de Inspecteur de navordering grondt, een tweede, (aanvankelijk) buitenwettelijke uitzondering gemaakt. Deze uitzondering houdt in dat, indien de aanslag op een te laag bedrag is vastgesteld, niet als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van
- de)belastingplicht of van een onjuist inzicht van de inspecteur in het recht, maar als gevolg van een fout die heeft geleid tot een discrepantie tussen wat de inspecteur wilde en wat in het aanslagbiljet is vastgelegd, en het voorts voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar was dat bij de totstandkoming van het aanslagbiljet een fout is gemaakt - waarbij niet van belang is of tevens kenbaar was waarin de fout bestond – (hierna: de kenbare ambtelijke fout), het nieuwfeitvereiste niet aan navordering in de weg staat (vgl. onder meer Hoge Raad 8 augustus 2003, nr. 37570, ECLI:NL:HR:2003:AI0921). 4.6. De wetgever heeft bij de Wet overige fiscale maatregelen 2010 aan artikel 16 van de AWR per 1 januari 2010 een nieuwe bepaling (lid 2, aanhef en onderdeel
- c)toegevoegd. Deze bepaling codificeert de kenbare ambtelijke fout als uitzondering op het nieuwfeitvereiste zoals deze in de jurisprudentie van de Hoge Raad is ontwikkeld, en breidt daarnaast de reikwijdte van de kenbare ambtelijke fout als uitzondering op het nieuwfeitvereiste uit. Artikel 16, lid 2, aanhef en onderdeel c, van de AWR (hierna: art. 16.2.c AWR) luidt: “Navordering kan mede plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven, doordat: (…) c. ten gevolge van een fout een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of ten gevolge van een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, hetgeen de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is, waarvan in elk geval sprake is indien de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt.” 4.7 Niet in geschil is dat de bij de aanslagen 2008 en 2009 geheven belasting ten minste 30% lager is dan de ingevolge de belastingwet voor die jaren verschuldigde belasting. 4.8 De tekst van art. 16.2.c AWR laat ruimte voor zowel een extensieve als een restrictieve interpretatie. Een extensieve interpretatie van art. 16.2.c AWR houdt in dat, indien de aanvankelijk te weinig geheven belasting ten minste 30 % van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt (hierna: het 30%-criterium), er sprake is van een kenbare ambtelijke fout die meebrengt dat het nieuwfeitvereiste niet aan de inspecteur kan worden tegengeworpen. In deze extensieve interpretatie van art. 16.2.c AWR behoeft, indien de aanvankelijk te weinig geheven belasting ten minste 30 % van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt, niet te worden getoetst of de fout als gevolg waarvan aanvankelijk te weinig belasting is geheven, voortvloeide uit een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van
- de)belastingplicht of van een onjuist inzicht van de inspecteur in het recht (hierna: de inzichttoets) en evenmin of de fout als gevolg waarvan aanvankelijk te weinig belasting is geheven, heeft geleid tot een discrepantie tussen wat de inspecteur wilde en wat in het aanslagbiljet is vastgelegd (hierna: de discrepantietoets). 4.9 Een restrictieve interpretatie van art. 16.2.c AWR houdt in dat het 30%-criterium uitsluitend ziet op de toets of het voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar was dat bij de totstandkoming van de aanslag een fout is gemaakt (de kenbaarheidstoets). Indien de restrictieve interpretatie juist is, staat art. 16.2.c AWR niet in de weg aan een afzonderlijke toepassing van de inzichttoets en de discrepantietoets. 4.10 Het Hof leidt uit de geschiedenis van de totstandkoming art. 16.2.c, AWR zoals deze is geschetst in de conclusie van advocaat-generaal IJzerman van 19 september 2013, nr. 12/04979, ECLI:NL:PHR:2013:929, af dat art. 16.2.c. AWR restrictief dient te worden geïnterpreteerd. Een restrictieve interpretatie van art. 16.2.c brengt naar het oordeel van het Hof (onder meer) mee dat ook na de inwerkingtreding van art. 16.2.c. AWR navordering nog steeds uitgesloten is in de gevallen waarin de aanslag onjuist is vastgesteld als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten of in het recht. 4.11 Niet in geschil is dat de Inspecteur de aanslag 2008 en de aanslag 2009 tot te lage bedragen heeft vastgesteld als gevolg van een fout van de ambtenaren die waren belast met de inhoudelijke behandeling van de door belanghebbende ingediende aangiften (hierna: de behandelende ambtenaren), welke fout erin bestond dat de behandelende ambtenaren hebben nagelaten belanghebbendes aangiften voor de jaren 2008 en 2009 (hierna: de aangiften) waarvan de onjuistheid door het boekenonderzoek aan het licht was gekomen, in het traject van geautomatiseerde afdoening en verwerking van aangiften te blokkeren. Naar het oordeel van het Hof is het niet-blokkeren van de aangiften het gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van de behandelende ambtenaren in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van
- de)belastingplicht. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat niet in geschil is dat de behandelende ambtenaren de aangiften tijdig hadden kunnen blokkeren en dat aannemelijk is dat de behandelende ambtenaren, bij een juist inzicht in de feiten, zouden hebben zorggedragen voor een tijdige blokkering van de aangiften. Het verwijtbaar onjuiste inzicht van de behandelende ambtenaren dient aan de Inspecteur te worden toegerekend. 4.12 Gelet op hetgeen onder 4.11 is overwogen, doorstaat de navordering de inzichttoets niet. Dan kan het antwoord op de vraag of de navordering de discrepantietoets doorstaat, in het midden blijven. Met betrekking tot de derde in geschil zijnde vraag 4.13 Nu het Hof de tweede in geschil zijnde vraag bevestigend beantwoordt, behoeft de derde in geschil zijnde vraag geen behandeling. Slotsom 4.14. Op grond van het vorenstaande zijn de hoger beroepen ongegrond. 5Proceskosten Naar het oordeel van het Hof dienen aan belanghebbende de door haar in hoger beroep verzochte en de door haar gemachtigde gemaakte reiskosten in beroep en in hoger beroep te worden vergoed. Dat belanghebbende andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt, is gesteld noch gebleken. Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 8,64 voor de kosten van het beroep in eerste aanleg en € 8,64 voor de kosten in hoger beroep, ofwel in totaal op € 17,28 6Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraken van de Rechtbank . veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 17,28; en bepaalt dat van de Inspecteur op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 478. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. van Leijenhorst, voorzitter, mr. E. Polak en mr. J.B.H. Röben, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier. De beslissing is op 3 december 2013 in het openbaar uitgesproken. De griffier, De voorzitter, (K. de Jong-Braaksma ) (G.J. van Leijenhorst) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 4 december 2013 Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.