GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN Locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.090.146 (zaaknummer rechtbank Groningen, locatie Groningen, 292643) arrest van de pachtkamer van 3 december 2013 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats], appellant in het principaal beroep, geïntimeerde in het incidenteel beroep, hierna: [appellant], advocaat: mr. M.R.P. Ossentjuk, tegen: [geïntimeerde] , rechtsopvolger van de overleden [A],wonende te [woonplaats], geïntimeerde in het incidenteel beroep, appellant in het incidenteel beroep, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. G.J. Niezink. 1Het verloop van het geding 1.1 Voor het verloop van het geding tot aan het arrest van deze kamer van 16 augustus 2011 verwijst het hof naar dat arrest. De bij dat arrest bevolen comparitie van partijen heeft geen doorgang gevonden. 1.2 Het vervolg van de procedure blijkt uit: ■ de memorie van grieven; ■ de memorie van antwoord tevens eis in incidenteel appel; ■ de memorie van antwoord in incidenteel appel; ■ de pleidooien ter zitting van 4 november 2013, wat betreft [geïntimeerde] overeenkomstig de pleitnotitie van zijn advocaat. 1.3 Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald op één dossier. 2De vaststaande feiten 2.1 Tussen [appellant] en [A] (hierna: [A]) is op 29 september 1997 een pachtovereenkomst vastgelegd in de notariële akte van die datum. Offerman-Dietzel heeft van [appellant] gekocht en geleverd gekregen, en verpacht aan [appellant] in totaal ongeveer 20.05.45 ha bouwland onder […] en […], kadastraal bekend gemeente […], sectie L, nummers 50, 51 (ged.), 52 en 53 (ged.). 2.2 In 2000 heeft [appellant] ongeveer 10 hectare land verkocht en geleverd aan een derde. In 2005 heeft [appellant] opnieuw gronden verkocht en geleverd aan derden, in totaal ruim 18 hectare, waaronder 3.75.00 ha aan [B] (hierna: [B]), zwager van [appellant]. 2.3 Op of omstreeks 22 november 2005 heeft [appellant] aan zijn schuldeisers een buitengerechtelijk akkoord aangeboden van 22,5%. Tegelijk zijn door [appellant] aan [B] overgedragen machines, inventaris en onroerende zaken voor € 375.000,—. 2.4 [appellant] is per 1 januari 2006 een samenwerking aangegaan met [B]. Op dat moment bestond het akkerbouwbedrijf van [appellant] uit ongeveer 50 ha en is hij overgegaan van de teelt van pootgoed naar die van hoogwaardige tafelaardappelen. In een concept maatschapsovereenkomst van 1 maart 2006 is onder meer het volgende opgenomen: “Artikel 8 De maten regelen hun werkzaamheden in onderling overleg, met dien verstande dat: de feitelijke werkzaamheden in het akkerbouwbedrijf voor het overgrote deel worden uitgevoerd door de maat [appellant]; de gehele (financiële) administratie wordt bijgehouden door de maat [B]; de maat [appellant] geheel zelfstandig de door hem thans gepachte landerijen exploiteert en slechts het exploitatiesaldo zal worden toegevoegd aan de winst of het verlies van de maatschap en aldus zal worden betrokken in de winst of verliesverdeling van de maatschap…” 2.5 [A] is op 13 oktober 2006 overleden. [geïntimeerde] is haar enige erfgenaam. 3De motivering van de beslissing in hoger beroep 3.1 In dit geding heeft [geïntimeerde] onder meer ontbinding en ontruiming gevorderd op de grond (voor zover in hoger beroep van belang) dat [appellant] niet als goed pachter handelt omdat hij in het kader van zijn samenwerking met [B] de zeggenschap over het gepachte uit handen heeft gegeven. De pachtkamer in eerste aanleg heeft de pachtovereenkomst ontbonden en de ontruiming van het gepachte bevolen, op straffe van een dwangsom, maar heeft dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Daarnaast heeft de pachtkamer in eerste aanleg [appellant] veroordeeld tot schadevergoeding nader op te maken bij staat. 3.2 In het principaal beroep komt [appellant] op tegen de ontbinding en ontruiming, alsook tegen de veroordeling tot schadevergoeding nader op te maken bij staat. In het incidenteel beroep concludeert [geïntimeerde] dat het hof zijn arrest uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren. 3.3 Grief V in het principaal beroep klaagt erover dat [appellant] ten onrechte is veroordeeld tot schadevergoeding nader op te maken bij staat, omdat de desbetreffende vordering van [geïntimeerde] zag op beweerde schadefeiten, die zich volgens de pachtkamer in eerste aanleg (en deels ook volgens de eigen stellingen van [geïntimeerde]) niet hebben voorgedaan. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] een en ander erkend, zodat deze grief slaagt. 3.4 De overige grieven in het principaal beroep zal het hof gezamenlijk bespreken. 3.5 Het hof stelt voorop dat de regeling van de pachtovereenkomst ervan uitgaat dat de pachter het gepachte zelf exploiteert. Volgens artikel 7:355 Burgerlijk Wetboek is, tenzij partijen anders zijn overeenkomen, de pachter niet tot onderverpachting bevoegd, behoudens toestemming door de verpachter. Overgang van de positie van de pachter op een derde kan de pachter uitsluitend afdwingen door indeplaatsstelling te vorderen, welke vordering alleen mogelijk is indien de derde behoort tot de in artikel 7:363 lid 1 Burgerlijk Wetboek omschreven kring van personen, terwijl bovendien de pachtrechter in zo’n geval beoordeelt of de voorgestelde pachter voldoende waarborgen biedt voor een behoorlijke bedrijfsvoering. Tegen deze achtergrond handelt een pachter niet als goed pachter in de zin van artikel 7:347 Burgerlijk Wetboek wanneer hij een samenwerkingverband aangaat in een zodanige vorm dat hij (feitelijk) het gepachte niet langer zelf exploiteert. 3.6 Op de verpachter die ontbinding vordert, rust de stelplicht en bewijslast van zijn stelling dat de pachter tekortschiet. Dat neemt echter niet weg dat indien er aanleiding bestaat tot twijfel omtrent de vraag of de pachter het gepachte nog zelf exploiteert, de pachter gehouden kan zijn om ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van de verpachter feitelijke gegevens te verschaffen, teneinde de verpachter aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. Het is immers bij uitstek de pachter die inzicht heeft in en toegang tot gegevens met betrekking tot de bedrijfsvoering, waaronder boekhoudrapporten en gecombineerde opgaven aan de Dienst Regelingen. 3.7 De vaststaande feiten geven voldoende aanleiding tot twijfel in de zojuist bedoelde zin. Tegen die achtergrond heeft het hof arrest van 16 augustus 2011, dus reeds voorafgaand aan de memorie van grieven, aan [appellant] verzocht om kopieën in het geding te brengen van: ■ een ondertekende maatschapsakte; ■ jaarstukken omzetgegevens over de periode 2006-2010; ■ de gecombineerde opgaven over de periode 2006-2010; ■ vaststelling en uitbetaling van toeslagrechten, inclusief bankafschriften; ■ bestelformulieren en facturen betreffende kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen. 3.8 Dat de bij het vonnis van 16 augustus 2011 bevolen comparitie van partijen geen doorgang heeft gevonden, neemt niet weg dat het aan [appellant] duidelijk moet zijn geworden dat van hem werd verlangd met schriftelijke stukken inzicht te bieden in de wijze waarop het gepachte wordt geëxploiteerd. 3.9 [appellant] heeft bij memorie van grieven, genomen op de rol van 10 januari 2012, als productie 1 in het geding gebracht een concept van een jaarrekening
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.