GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.069.118/01 (zaaknummer rechtbank Zwolle-Lelystad 157515 / HA ZA 09-663) arrest van de eerste kamer van 24 december 2013 in de zaak van 1 [appellant 1], wonende te [woonplaats], hierna: [appellant 1], 2. [appellant 2], wonende te [woonplaats], hierna: [appellant 2], appellanten, in eerste aanleg: eisers, hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten], advocaat: mr. P.A.J. van Putten, kantoorhoudend te Almere, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats], geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. R. Zwiers, kantoorhoudend te Almere. Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 13 augustus 2013 hier over. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 [appellanten] hebben een akte genomen. 1.2 [geïntimeerde] heeft een antwoordakte genomen 1.3 Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald. 2De verdere beoordeling 2.1 In zijn tussenarrest heeft het hof gerefereerd aan het tussen partijen gewezen arrest van dit hof d.d. 20 maart 2012 en het beroep op gezag van gewijsde dat [geïntimeerde] bij memorie van antwoord dienaangaande heeft gedaan. Het hof heeft [appellanten] in de gelegenheid gesteld zich (onder meer) op dit punt uit te laten. De reactie van [appellanten] ter zake komt er op neer dat zij menen dat aan bedoeld arrest voorbij zou moeten worden gegaan omdat het hof in bedoeld arrest heeft gemeend dat de stellingen van [appellanten] onvoldoende waren onderbouwd, dan wel gemotiveerd betwist en op die gronden – zo begrijpt het hof - het hoger beroep van [appellanten] heeft verworpen. Nu [appellanten] menen in de onderhavige zaak hun standpunten beter te hebben onderbouwd zou van “gelijkwaardigheid” van beide procedures geen sprake zijn. 2.2 Het hof stelt voorop dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd niet beslissend is voor het antwoord op de vraag of er sprake is van gezag van gewijsde. Als sprake is van dezelfde rechtsbetrekking in geschil is niet relevant of in de latere procedure nieuw bewijsmateriaal wordt bijgebracht (HR 14 oktober 1988, ECLI:NL:HR:1988: AC3786) of de grondslag nader wordt onderbouwd met aanvullende feiten (HR 13 oktober 2000,ECLI:NL:HR:2000: AA7481). 2.3 Het hof stelt vast dat het arrest van dit hof d.d. 20 maart 2012 is gewezen in twee vrijwaringszaken tussen [appellant 1] en [geïntimeerde] en tussen [appellant 1] en [X], waarbij [appellant 1] in beide zaken in eerste aanleg de eisende partij in vrijwaring was. Het hof heeft in beide vrijwaringszaken dezelfde feiten vastgesteld. Onder 1.1. stelt het hof in bedoeld arrest vast dat tussen partijen ([appellant 1] en [geïntimeerde]) de overeenkomst d.d. 19 maart 2008 is gesloten, welke eveneens is getekend door [appellant 2]. Het gaat daarbij om dezelfde overeenkomst die het hof in de onderhavige zaak in zijn tussenarrest d.d. 13 augustus 2013 onder 2.2 van de vaststaande feiten heeft weergegeven. In zijn beslissing van 20 maart 2012 in de zaak met rolnummer 200.055.243/01 (tussen [geïntimeerde] en [appellant 1]) overweegt het hof onder 3 en 4 het volgende: "Blijkens de toelichting op de grief voert [geïntimeerde] vier argumenten aan ten betoge dat de tegen hem uitgesproken veroordeling niet in stand kan blijven: a. voor de vordering ontbreekt een grondslag, nu de overeenkomst (het hof begrijpt: de overeenkomst van 19 maart 2008) in onderling overleg is ontbonden; b. het had blijkens de overeenkomst van 19 maart 2008 op de weg van [appellant 1] (en [appellant 2]) gelegen om het eerst te presteren (vestigen van een zekerheidsrecht op de genoemde onroerende zaak en legalisering van de overeenkomst), hetgeen zij hebben nagelaten. Daarin ligt een beroep op opschorting besloten, op grond waarvan [geïntimeerde] klaarblijkelijk van mening is dat de door [appellant 1] tegen hem ingestelde vordering tot nakoming van de overeenkomst van 19 maart 2008 moet stranden. c. [geïntimeerde] betwist de gestelde betaling van € 7.000,00, in ieder geval heeft hij dat bedrag nooit ontvangen van [appellant 1] (of [appellant 2]) en heeft hij in dat kader ook nimmer enige toezegging gedaan; d. de kopie cheque die als productie 3 bij de inleidende dagvaarding is overgelegd levert geen enkel bewijs op voor de stelling dat [appellant 1] € 7.000,00 van [geïntimeerde] en [X] zou ontvangen. In de memorie van antwoord betwist [appellant 1] wel de onder 3 (a), (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.