GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.098.921/01 (zaaknummer rechtbank Zwolle-Lelystad 178192/HA ZA 10-1559) arrest van de tweede kamer van 19 februari 2013 in de zaak van [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, in eerste aanleg: eiser, hierna: [appellant], advocaat: mr. A. Stoel, kantoorhoudend te Dronten, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. H. Hulshof, kantoorhoudend te Emmeloord. Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 7 september 2011 van de rechtbank Zwolle-Lelystad. Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 6 december 2012, - de akte overlegging producties, - het tussenarrest van 28 februari 2012 (de daarbij bevolen comparitie van partijen heeft geen doorgang gevonden), - de memorie van grieven, (met producties), - de memorie van antwoord, - een akte van appellant, - een antwoordakte van geïntimeerde. Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden. De vordering van de dagvaarding luidt: "te vernietigen het vonnis door Rechtbank Zwolle-Lelystad (sector civiel recht, locatie Lelystad) tussen partijen gewezen onder nummer 178192 / HA ZA 10-1559, op 7 september 2011, en opnieuw rechtdoende, te bepalen dat geïntimeerde wordt veroordeeld tot betaling aan appellant tegen behoorlijk bewijs van kwijting het bedrag van € 4.075,24 als materiële schadevergoeding dan wel enig bedrag als materiële schadevergoeding als uw Hof in goede justitie vermeent te moeten bepalen alsmede geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellant tegen behoorlijk bewijs van kwijting de wettelijke rente over het bedrag tot voldoening waarvan hij jegens appellant mocht worden veroordeeld, vanaf 16 juni 1998 dan wel 2 september 1998 dan wel 1 mei 1999 dan wel 4 oktober 2000 - een van deze data of een andere datum als door uw Hof in goede justitie te bepalen - tot aan de dag der algehele voldoening, uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties." De feiten 1. De door de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.12 weergegeven feiten zijn tussen partijen niet in geschil. Deze feiten komen, voor zover in dit hoger beroep nog van belang, neer op het volgende. 1.1 Op 31 maart 1998 heeft [appellant] met de Stichting voor Vrijwillig Budgetbeheer en Rechtsbeschermingsmaatregelen Flevoland (hierna: VBB) een hulpverleningsovereenkomst gesloten. [geïntimeerde] en [bestuurslid VVB] zijn bestuursleden geweest van VBB. 1.2. Bij brief van 2 september 1998 schrijft [appellant] aan VBB t.a.v. de heer [geïntimeerde] als volgt: Bij deze deel ik u mede, dat ik met onmiddellijke ingang de overeenkomst met u en/of uw onderneming opzeg. (..) 1.3. Bij vonnis van 4 oktober 2000 is Stichting De Knip, de rechtsopvolgster van VBB, in staat van faillissement verklaard. 1.4 [appellant] heeft in maart 2001 bij de curator een vordering van f 8.980,64 ingediend. De curator heeft de vordering op de lijst van voorlopig erkende schuldeisers geplaatst. 1.5. Bij brief van de advocaat van [appellant] van 30 maart 2004 is [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld uit hoofde van wanprestatie en/of onrechtmatige daad jegens [appellant] voor een bedrag van € 4.075,24 (= f 8.980,64). Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 2. [appellant] heeft [geïntimeerde] en [bestuurslid VVB] gedagvaard voor de rechtbank te Zwolle-Lelystad en gevorderd hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde] en [bestuurslid VVB] tot betaling van € 4.075,24, vermeerderd met rente en kosten. 2.1 Volgens [appellant] is De Knip de onder 1.1. genoemde hulpverleningsovereenkomst niet nagekomen en zijn als gevolg daarvan zijn schulden met genoemd bedrag van € 4.075,24 toegenomen. Hij houdt [geïntimeerde] en [bestuurslid VVB] daarvoor aansprakelijk. Daartoe heeft hij zich aanvankelijk gebaseerd op zowel wanprestatie als onrechtmatige daad als onbehoorlijk bestuur (artikel 2:300a jo. 2:138 BW). Ter comparitie van 20 april 2011 heeft hij wanprestatie als grondslag van de vordering ingetrokken. [geïntimeerde] en [bestuurslid VVB] hebben verweer gevoerd. 2.2 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat voor zover de vordering is gebaseerd op onbehoorlijk bestuur (artikel 2:300a jo. 2:138 BW) de vordering faalt omdat alleen de curator bevoegd is een zodanige vordering in te stellen. Voor zover de vordering is gebaseerd op bestuurdersaansprakelijkheid uit hoofde van artikel 6:162 BW heeft de rechtbank geoordeeld dat deze vordering is verjaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen: In gevolge artikel 3:310 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Voor zover de schade op 2 september 1998 nog niet vaststond, stond die schade blijkens de aansprakelijkstelling in ieder geval op 30 maart 2004 wel vast. Sinds die datum tot aan de datum dagvaarding zijn meer dan 5 jaar verstreken. [appellant] heeft niet gesteld dat hij tussen 30 maart 2004 en 26 oktober 2010 de verjaring heeft gestuit. (…). Nu sinds 30 maart 2004 meer dan vijf jaar zijn verstreken is de vordering verjaard. 2.3 De rechtbank heeft de vordering afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. Bespreking van de grieven 3. Het onderhavige appel is uitsluitend tegen [geïntimeerde] ingesteld, zodat de afwijzing van de vordering tegen [bestuurslid VVB] buiten het bestek valt van dit hoger beroep. 4. Grief I houdt kort gezegd in dat de rechtbank ten onrechte het beroep op verjaring heeft gehonoreerd. [appellant] voert daartoe aan dat de rechtbank heeft overwogen dat de schade in ieder geval op 30 maart 2004 vast stond zodat deze datum als aanvangsdatum voor de vijfjaarstermijn geldt. Sinds die datum tot aan de dagvaarding (26 oktober 2010) zijn weliswaar meer dan vijf jaar verstreken, doch in die periode is de verjaring gestuit doordat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.