GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Zittingsplaats Leeuwarden nummers 11/00295 en 11/00296 uitspraakdatum: 26 februari 2013 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van De erven van X te Z (hierna: belanghebbenden) tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 22 augustus 2011, nummers AWB 09/2907 en AWB 09/2908, in het geding tussen belanghebbenden en de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/Kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur). 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1 Aan X (hierna: erflater) is voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 64.311 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.301. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 2.000. 1.2 Aan erflater is voor het jaar 2005 een aanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.580 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.065. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 1.045. 1.3 Op de bezwaarschriften gericht tegen de hiervoor – onder 1.1 en 1.2 – bedoelde aanslagen heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar de aanslagen gehandhaafd. 1.4 Erflater is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen bij uitspraak van 22 augustus 2011, verzonden op 23 augustus 2011, ongegrond verklaard. 1.5 Erflater heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd. 1.7 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2013 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. A als de gemachtigde van belanghebbenden, bijgestaan door drs. B, alsmede drs. C namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. D en E. 1.8 De Inspecteur heeft een pleitnota overgelegd en – met toestemming van de wederpartij - een daaraan gehechte bijlage. 2. De vaststaande feiten 2.1 Erflater, geboren op 1 april 1950 en overleden op 11 november 2011, was gehuwd met mevrouw F, geboren op 20 februari 1948. 2.2 Erflater en zijn echtgenote hebben in 2002 een monumentale kop-hals-rompboerderij gekocht in Z, met het voornemen om het voorhuis zelf te gaan bewonen. Zij hadden het voornemen het achterhuis en de stallen aan te wenden voor de exploitatie van een luxe Bed and Breakfast (hierna: B&B). De aankoopprijs van de boerderij bedroeg € 550.000. 2.3 In 2004 is gestart met de verbouw van de boerderij om deze geschikt te maken voor de B&B activiteiten. Ter realisatie van de luxe B&B moesten het achterhuis en de stallen nagenoeg geheel worden gesloopt om plaats te maken voor vijf gastenkamers, een ontvangstruimte voor workshops en dergelijke, een gezamenlijke eethoek met professionele keukenapparatuur, een loungehoek, opslag/wasruimte en een volledig ingericht vier-persoonsappartement. Daarnaast is geïnvesteerd in voorzieningen voor de gasten, zijnde een zwembad, een paardenstal en parkeerruimte. De B&B werd geëxploiteerd in de vorm van een vennootschap onder firma tussen erflater en zijn echtgenote. 2.4 Erflater en zijn echtgenote hebben in 2005 en 2006 de aangiften IB/PVV 2004 en 2005 ingediend. In die aangiften hebben zij aangegeven dat zij een onderneming dreven. 2.5 Erflater heeft in de aangifte IB/PVV 2004 een bedrag aan winst uit onderneming aangegeven van negatief € 23.564. De geclaimde investeringsaftrek bedroeg in dat jaar € 19.678. In de aangifte IB/PVV 2005 heeft erflater een bedrag aan winst uit onderneming aangegeven van negatief € 15.820 en bedroeg de geclaimde investeringsaftrek € 10.334. 2.6 Naar aanleiding van de hiervoor - onder 2.4 - bedoelde aangiften heeft de Inspecteur op 24 april 2007 een boekenonderzoek ingesteld naar onder andere de aanvaardbaarheid van deze aangiften. Naar aanleiding van dit boekenonderzoek is de Inspecteur van mening dat er geen sprake is van een onderneming, zodat de negatieve bedragen aan winst uit onderneming niet in aanmerking kunnen worden genomen. 2.7 Met dagtekening 26 september 2008 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2005 aan erflater opgelegd. Met dagtekening 30 september 2008 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2004 aan erflater opgelegd. 2.8 Bij brief van 5 november 2008 heeft erflater tegen de hiervoor - onder 2.7 - bedoelde aanslagen bezwaar gemaakt. 2.9 In opdracht van de Inspecteur is op 3 juni 2009 een taxatierapport opgemaakt door G, als taxateur werkzaam bij de Belastingdienst Randmeren, kantoor Zwolle. Volgens dat taxatierapport bedroeg de waarde van de bedrijfsgebouwen en gronden op 31 december 2006 € 956.000. Op 31 december 2009 was de boekwaarde daarvan € 844.999. 2.10 Voor de financiering van de verbouw van de boerderij is door erflater en zijn echtgenote een bancaire lening aangegaan. Voor wat betreft de verdeling tussen het privédeel en het zakelijk deel, valt 53,3% van de financieringslasten toe te rekenen aan het zakelijk deel. De totale hypothecaire leningen bedragen ultimo 2009 € 1.104.789, waarvan € 588.853 (53,3% van € 1.104.789) als zakelijk dient te worden aangemerkt. 2.11 Volgens de aangiften omzetbelasting bedragen de omzetten: Jaar Omzet 2004 € 0 2005 € 0 2006 € 4.410 2007 € 40.165 2008 € 52.106 2009 € 49.747 2010 € 63.208 Over het derde kwartaal van 2010 heeft de vennootschap onder firma een zogenoemde suppletieaangifte gedaan over een omzet € 8.705, waarna de Inspecteur dienovereenkomstig een naheffingsaanslag omzetbelasting heeft opgelegd. Dit betreft – naar partijen ter zitting eenparig hebben verklaard – met name de omzet bestaande uit reserveringen in 2010 voor overnachtingen in 2011. 2.12 De kosten bedragen: Jaar Bedrijfskosten Afschrijving machines Rente 2004 € 6.314 € 154 € 26.220 2005 € 5.002 € 537 € 34.493 2006 € 17.921 € onbekend € 25.831 2007 € 32.346 € 13.990 € 29.976 2008 € 27.282 € 14.585 € 30.162 2009 € 32.889 * € 15.418 € 24.330 2010 € 30.341 * € 15.986 € 24.300 * Nu partijen beide te kennen hebben gegeven dat de hoogte van accountantskosten genormaliseerd dient te worden, is in deze bedragen aan bedrijfskosten een bedrag begrepen van € 3.500 aan accountantskosten. 2.13 Nadat de Inspecteur de tegen de bestreden aanslagen gemaakte bezwaren heeft afgewezen, is erflater tegen die uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij de Rechtbank. 2.14 Het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank vermeldt onder meer: “De gemachtigde van verweerder (de Inspecteur, Hof) verklaart in antwoord op vragen van de Rechtbank: (…) Het is jammer dat ik de verwachte omzetcijfers voor 2010 niet eerder heb gezien. Daar zou ook omzetbelasting over moeten worden betaald. Als in het jaar 2010 een break-evenpoint zou worden bereikt, dan kan er sprake zijn van een bron. (…) De rechtbank schorst het onderzoek ter zitting. Nu verweerder op basis van de omzetcijfers en de veronderstelde break-even verwachting tot de conclusie komt dat sprake is van een bron, kunt u mogelijk tot elkaar komen. Aan verweerder (de Inspecteur, Hof) zal nu een kopie van deze cijfers worden overgelegd en eisers (erflater en diens echtgenote, Hof) zullen nog in de gelegenheid worden gesteld de stukken omtrent de subsidieverlening te overleggen. Daarna zal verweerder (de Inspecteur, Hof) in de gelegenheid worden gesteld om daarop te reageren (…) Na die schriftelijke ronde kunnen partijen aangeven of zij wel of niet afzien van een nadere zitting.” 2.15 Blijkens de bestreden uitspraak hebben partijen na de zitting van 30 september 2010 nadere stukken gewisseld en hebben zij toestemming verleend voor het achterwege laten van een nadere zitting. 2.16 Uit de commerciële jaarrekening over 2010 blijkt dat het resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening over 2010 € 3.053 negatief bedraagt en dat daarnaast een buitengewone last over 2010 van € 15.641 aan advieskosten in aanmerking is genomen. Naar partijen ter zitting eenparig hebben verklaard, is in het resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening een bedrag van € 1.500 aan accountantskosten verdisconteerd en moet van de buitengewone last voor de beantwoording van de bronvraag daarenboven nog € 2.000 aan accountantskosten in aanmerking worden genomen, zodat het resultaat uit hoofde van de exploitatie van de B&B over 2010 € 5.053 negatief bedraagt. 3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1 In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of de (exploitatie van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.